ECLI:NL:CRVB:2020:937

ECLI:NL:CRVB:2020:937, Centrale Raad van Beroep, 14-04-2020, 16/6036 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 14-04-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/6036 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0015703

Samenvatting

College heeft niet langer betwist dat niet aannemelijk is dat appellant heeft kunnen beschikken over vermogen. College zal nader onderzoek doen naar financiële situatie.

Uitspraak

16/ 6036 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 augustus 2016, 13/163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H.T. van Boxmeer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 16/6011 WWB plaatsgevonden op 4 maart 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Zilver, advocaat, en door zijn oom. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.W.H. Hulsen. In zaak 16/6011 WWB is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 9 augustus 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet Werk en Bijstand. Hij stond in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het bij het college opgegeven woonadres (uitkeringsadres).

Medio 2009 zijn zowel bij de Belastingdienst als bij de politie vermogenssignalen binnengekomen over de familie van appellant, wonende op en in de omgeving van het uitkeringsadres. Naar aanleiding van deze signalen heeft een grootschalig fraudeonderzoek plaatsgevonden, dat in eerste instantie werd verricht door de Belastingdienst en de politie. Zij hebben de onderzoeksgegevens uitgewisseld met de afdeling Sociale Recherche van de gemeente ’s-Hertogenbosch (sociale recherche). De sociale recherche heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 29 juni 2012.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 5 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2012 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 3 april 2012 in te trekken. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over middelen. Appellant heeft hiervan geen mededeling gedaan aan het college. Hierdoor heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort weergegeven, aangevoerd dat hij niet beschikte en ook niet redelijkerwijs kon beschikken over middelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar aanleiding van de ter zitting door de Raad gestelde vragen heeft de vertegenwoordiger van het college meegedeeld dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd. De reden hiervoor is dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat

appellant in de hier te beoordelen periode van 3 april 2012 tot en met 5 juli 2012 heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over de woning op het uitkeringsadres en een in 2004 toegekende schadevergoeding van € 15.000,-.

Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat het college nader onderzoek wenst te doen naar de financiële situatie van appellant. De Raad zal daarom niet zelf in de zaak voorzien, maar het college opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2012 te nemen.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.050,- (2 punten) in beroep en € 1.050,- (2 punten) in hoger beroep, in totaal € 2.100,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand