GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.360.771/01 en 200.360.788/01
zaaknummer rechtbank: 11249031 EB VERZ 24-9454
beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: zus [verzoeker] ,
advocaat: mr. J.B. de Bruin te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [betrokkene] , gedetineerd in de Dominicaanse Republiek, hierna: (de) betrokkene, en
- [zus 2] , hierna: zus [zus 2] .
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- Stichting Dutch&Detained, gevestigd te Amsterdam, hierna: Dutch&Detained.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de vraag of de kantonrechter terecht ambtshalve het bewind over de goederen van betrokkene en het mentorschap ten behoeve van betrokkene heeft opgeheven met ingang van de datum van de bestreden beschikking. Zus [verzoeker] stelt van niet en wil dat het bewind of in ieder geval het mentorschap in stand wordt gelaten.
2. De procedure in hoger beroep
Zus [verzoeker] is op 23 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter).
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van zus [verzoeker] van 3 juli 2026 met bijlage, en
- ( op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van zus [verzoeker] van 13 juli 2026 met bijlage.
De zitting heeft op 16 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- zus [verzoeker] , bijgestaan door haar advocaat, en
- zus [zus 2] .
Betrokkene is, vanwege zijn detentie in de Dominicaanse Republiek, niet ter zitting verschenen. Uit een e-mail van 22 april 2026 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat betrokkene de stukken van deze procedure heeft ontvangen en dat hij een verweertermijn heeft gekregen. Betrokkene heeft binnen de daarvoor gegeven termijn geen verweerschrift ingediend. Dutch&Detained is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
3. De feiten
De betrokkene is geboren [in] 1965 te [plaats 2] , Suriname. Hij is de broer van zus [verzoeker] en zus [zus 2] .
Bij beschikking van de kantonrechter van 20 augustus 2015 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld wegens verkwisting dan wel het hebben van problematische schulden en is een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. Daarbij is zus [verzoeker] benoemd als bewindvoerder en mentor.
4. De omvang van het hoger beroep
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking ambtshalve het bewind over de goederen van betrokkene en het mentorschap ten behoeve van betrokkene opgeheven met ingang van de datum van de bestreden beschikking. Redengevend daarvoor was dat betrokkene destijds geen inkomsten en geen woning in Nederland had en er verder geen financiële zaken voor betrokkene te regelen waren in Nederland. Onder die omstandigheden was het voor de bewindvoerder niet mogelijk om haar werkzaamheden uit te voeren en kon de rechtbank geen adequaat toezicht houden. Ook zag de kantonrechter evenmin aanleiding om het bewind voort te zetten enkel ten behoeve van het contact tussen de bewindvoerder, de reclassering en Dutch&Detained, omdat het bewind uitsluitend strekt tot de behartiging van vermogensrechtelijke belangen. Met de opheffing van het mentorschap was zus [verzoeker] akkoord.
Zus [verzoeker] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en - naar het hof begrijpt - het bewind of in elk geval het mentorschap in stand te laten.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:449, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
Uit artikel 1:462, tweede lid, BW volgt dat de rechter het mentorschap kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de mentor of van degene die gerechtigd is het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
Zus [verzoeker] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bewind over de goederen van betrokkene en het mentorschap ten behoeve van betrokkene worden opgeheven. Het gevolg daarvan is namelijk - aldus zus [verzoeker] - dat het voor haar niet meer mogelijk is om betrokkene te vertegenwoordigen. Onduidelijk is waarom de kantonrechter niet met haar heeft gesproken over de mogelijkheid om het bewind op te heffen en het mentorschap in stand te laten. Op dit moment is het voor betrokkene, nu hij in het buitenland gedetineerd is, niet mogelijk om te regelen dat zus [verzoeker] een schriftelijke machtiging krijgt om hem te vertegenwoordigen in Nederland. Zij kan namelijk geen toegang tot hem krijgen om een machtiging te tekenen vanwege het strenge regime waarin hij verblijft. Het is van belang dat zij de mogelijkheid houdt om betrokkene te vertegenwoordigen. Het bewind of in elk geval het mentorschap dient daarom in stand te blijven.
Zus [zus 2] heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat zij wist dat zus [verzoeker] de bewindvoerder van betrokkene was geworden toen hij was opgepakt en gedetineerd is geraakt. Via zus [verzoeker] hoorde zij hoe het met betrokkene ging en hoe alles verliep. Zus [zus 2] had zelf geen contact met betrokkene. Betrokkene is eerder gedetineerd geweest in de Dominicaanse Republiek. Nadat hij wegens goed gedrag eerder voorwaardelijk was vrijgelaten, onder de voorwaarde dat hij niet meer naar de Dominicaanse Republiek mocht terugkeren, is hij toch uit Nederland vertrokken. Hij heeft op enig moment zus [zus 2] gebeld dat hij was aangemeerd met een cruiseschip – waarop hij werkte – in de Dominicaanse Republiek. Daarop is hij weer in de gevangenis beland. Betrokkene heeft er spijt van dat hij weer richting de Dominicaanse Republiek is gegaan. Hij zit daar nu nog het deel van zijn straf dat eerder voorwaardelijk kwijtgescholden was, uit. De dochter van zus [zus 2] heeft betrokkene wel regelmatig gesproken en zij heeft, toen zij niets meer van hem hoorde, gebeld met een persoon op de Dominicaanse Republiek. Diegene gaf aan dat betrokkene was overgeplaatst naar een andere gevangenis waar hij zijn telefoon niet mag gebruiken. Daarnaast is een neefje van zus [zus 2] op bezoek gegaan bij betrokkene in de gevangenis waar hij eerder zat; toen hij daar opnieuw op bezoek wilde gaan, werd aangegeven dat hij in een andere gevangenis zat en daar geen visite mag ontvangen, aldus zus [zus 2] .
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken is het volgende gebleken. Betrokkene heeft in het verleden vastgezeten in de Dominicaanse Republiek en is in 2014 vrijgekomen. Toen de familie van betrokkene datzelfde jaar merkte dat bepaalde zaken (waaronder het regelen van de terugkeer van betrokkene naar Nederland en het vinden van een woning voor hem) niet goed liepen heeft zus [verzoeker] verzocht bewind en mentorschap in te stellen voor betrokkene. Vervolgens heeft de kantonrechter bij beschikking van 20 augustus 2015 de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld wegens verkwisting dan wel het hebben van problematische schulden en een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. Daarbij is zus [verzoeker] benoemd als bewindvoerder en mentor.
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene een uitreisverbod voor drie jaar in Nederland heeft gekregen toen hij vrijkwam in 2014, maar dat hij desondanks binnen die drie jaar weer is vertrokken. Hij is vervolgens teruggegaan naar de Dominicaanse Republiek, waar hij opnieuw opgepakt is. Betrokkene zit daar sinds oktober 2017 gedetineerd, waar hij momenteel (het restant van) zijn gevangenisstraf uitzit. Hij is recent overgeplaatst naar een andere gevangenis, waar hij niet naar buiten kan en geen contact kan hebben met derden (waaronder zijn familie). Dutch&Detained heeft zus [verzoeker] recent geïnformeerd dat betrokkene in 2027 tien jaar vastzit en dat hij dan mogelijk vervroegd wordt vrijgelaten.
Ter zitting in hoger beroep heeft zus [verzoeker] toegelicht dat zij wil dat het bewind of in ieder geval het mentorschap in stand blijft, omdat zij op die manier informatie over betrokkene kan krijgen en zaken in Nederland voor hem kan regelen, waaronder zijn terugkeer naar Nederland. Het hof heeft ter zitting geprobeerd te achterhalen welke zaken concreet door zus [verzoeker] geregeld dienen te worden voor betrokkene. Zij heeft als voorbeeld gegeven dat zij een betaalrekening voor betrokkene beheert waarvan de kosten voor het woningnetabonnement voor betrokkene worden afgeschreven. Het is het hof echter niet gebleken dat deze kosten niet van haar eigen rekening afgeschreven, dan wel betaald kunnen worden. Ook heeft zus [verzoeker] naar voren gebracht dat Dutch&Detained heeft aangegeven dat zij geen informatie krijgt (over betrokkene) als zij niet gemachtigd is door betrokkene of zijn mentor of bewindvoerder is. Het hof kan echter, vanwege de detentie van betrokkene en het feit dat er geen contact te krijgen is met hem, niet nagaan of hij zelf ook wenst dat het bewind of mentorschap in stand blijft dan wel zus [verzoeker] wil machtigen om hem te vertegenwoordigen. Verder is uit een e-mail van Dutch&Detained aan het hof van 15 juli 2026 gebleken dat Dutch&Detained ook geen contact met betrokkene krijgt. Het is het hof bovendien niet gebleken welke informatie voor zus [verzoeker] noodzakelijk zou zijn om betrokkene te kunnen helpen. Naar het oordeel van het hof heeft zus [verzoeker] met de voorbeelden (van acties die zij moet ondernemen namens betrokkene) die zij ter zitting heeft gegeven onvoldoende onderbouwd dat deze acties niet ondernomen kunnen worden als zij geen bewindvoerder of mentor van betrokkene is en dat het daarom noodzakelijk zou zijn het bewind of mentorschap in stand te laten. Overigens is gesteld noch gebleken dat op dit moment sprake is bij betrokkene van verkwisting of het hebben van problematische schulden. Betrokkene heeft bovendien geen inkomsten en woning (met bijbehorende vaste lasten) in Nederland. Daarnaast is het hof niet gebleken dat betrokkene tijdelijk of duurzaam niet in staat is (of bemoeilijkt wordt) ten volle zijn (niet-)vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Naar het oordeel van het hof bestaat ook om die reden geen noodzaak meer voor bewind dan wel mentorschap. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer.