GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.367.961/01
zaaknummer rechtbank: C/15/375337 / JU RK 26-352
beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
en
de Raad voor de Kinderbescherming
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;
- [de vader] , hierna: de vader;
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers Noord-Holland, hierna: de GI.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (9 jaar). De kinderrechter heeft [minderjarige] onder toezicht gesteld van 30 maart 2026 tot 30 maart 2027.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de ondertoezichtstelling wordt afgewezen. De raad en de GI zijn het wel eens met de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
De GI heeft op 4 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een brief van de zijde van de raad van 2 juni 2026;
- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 20 juli 2026 met bijlagen.
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De zitting heeft op 30 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en B.S. Westerveld, tolk in de Franse taal;
- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Eén van de vertegenwoordigers van de GI heeft spreekaantekeningen voorgelezen en deze later per e-mailbericht aan het hof toegestuurd.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016.
De ouders hebben tot juli 2018 een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
[minderjarige] heeft officieel haar hoofdverblijfplaats bij de moeder maar zij verblijft sinds 1 april 2026 feitelijk bij de vader. Daarom heeft de kinderrechter op verzoek van de GI bij beschikking van 8 juni 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend.
[minderjarige] heeft onder toezicht van de GI gestaan van 30 december 2024 tot 30 december 2025. Dit hof heeft die ondertoezichtstelling destijds bekrachtigd.
De GI heeft niet tijdig een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend. Op verzoek van de GI heeft de raad een verkort raadsonderzoek gedaan naar de vraag of een (nieuwe) ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk is.
4. De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de raad, [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI van 30 maart 2026 tot 30 maart 2027.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] af te wijzen.
De GI verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
De moeder wil dat het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt afgewezen of in ieder geval in duur wordt beperkt.
De vorige ondertoezichtstelling heeft niet bijgedragen aan een oplossing van de door de raad geschetste problemen. Uiteindelijk hebben de ouders zelf hulp gezocht en zijn zij begonnen aan het traject parallel solo ouderschap (PSO). Bij de GI ontbreekt het aan inzet waardoor de ondertoezichtstelling vooral een belemmering is. De moeder vindt dat zij als gezaghebbende ouder de vrijheid moet hebben om zelf een passende oplossing voor de problemen te vinden.
Omdat de moeder zich na de zitting bij de kinderrechter niet goed voelde en gefrustreerd was over het uitspreken van de ondertoezichtstelling, heeft zij een mail gestuurd dat [minderjarige] met ingang van de volgende dag (1 april 2026) bij de vader moest gaan wonen. Na een maand voelde de moeder zich weer beter en heeft zij aangegeven dat [minderjarige] weer terug kon komen. Dat hoefde geen probleem te zijn voor [minderjarige] aangezien zij in de zomervakantie ook altijd drie weken aaneengesloten bij de vader is. Desondanks heeft de GI ervoor gekozen om een machtiging uithuisplaatsing bij de vader te verzoeken en de moeder is van mening dat zij daar door de GI niet duidelijk over is ingelicht. De moeder vindt het moeilijk om met de GI samen te werken door de moeizame communicatie en omdat zij tijd nodig heeft om mensen binnen te laten in verband met haar ADHD en autisme. De moeder vindt de GI te rigide, de GI denkt niet in oplossingen en dwingt haar om Nederlands te spreken tijdens begeleide belmomenten met [minderjarige] terwijl zij gewend is om Frans met haar te spreken.
Door de vele overleggen die de moeder met instanties moet voeren, komen zij en [minderjarige] niet toe aan de rust die zij samen nodig hebben.
De moeder vindt subsidiair dat de ondertoezichtstelling in duur moet worden beperkt omdat de GI te weinig daadkrachtig optreedt. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] wordt op dit moment beperkt door de eisen die de GI stelt terwijl onduidelijk is welke zorgen de GI precies over de moeder heeft. In de drie maanden tussen de twee ondertoezichtstellingen heeft de moeder de kans benut om de communicatie met de vader te verbeteren. Zij vindt het dan ook redelijk dat als het al tot een verlenging moet komen, de verlenging enkel de termijn zou beslaan tot 30 december 2026, zijnde de datum waarop de ondertoezichtstelling zou eindigen indien de vorige ondertoezichtstelling van 30 december 2024 tot 30 december 2025 tijdig was verlengd.
De raad heeft ter zitting in hoger beroep volhard in zijn standpunt dat de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De moeder zet zich in voor hulpverlening die zij zelf heeft georganiseerd en ook alleen zolang zij zich in deze hulpverlening kan blijven vinden maar verzet zich er tegen wanneer zij in een gedwongen kader hulpverlening krijgt aangeboden. De moeder stelt hierbij haar eigen belangen voorop en verliest die van [minderjarige] uit het oog. Dit maakt het lastig om tot een goede samenwerking met de GI te komen. Daarnaast is de communicatie met de vader nauwelijks verbeterd. Een grote nieuwe zorg die na het onderzoek is ontstaan, is de plotselinge keuze van de moeder om [minderjarige] voortaan bij de vader te laten wonen. De raad vraagt zich af in hoeverre [minderjarige] hierop is voorbereid. De raad ziet dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] sindsdien moeilijk herstelt. Zolang het overleg tussen de ouders ontbreekt zal de ingezette hulp beperkt helpen. De moeder heeft de sleutel tot verbetering in handen, door samen te werken met de GI zal sneller tot een meer wenselijke situatie kunnen worden gekomen.
Wellicht kan op een gegeven moment het eenhoofdig gezag bij één van de ouders worden belegd. Op dit moment zal de ondertoezichtstelling in stand moeten blijven, aldus de raad.
De vader heeft zich ter zitting in hoger beroep afgevraagd hoe het verder zou moeten zonder de ondertoezichtstelling. Hij heeft het gevoel dat sinds de GI in het gedwongen kader betrokken is, eindelijk hulpverlening betrokken is die doorzet en duidelijke doelen stelt. De afgelopen acht jaar heeft de moeder ervoor gezorgd dat alle hulpverlening vroegtijdig is stopgezet. [minderjarige] is hiervan de dupe.
Sinds [minderjarige] bij de vader woont gaat het beter met haar, zij is minder gespannen en vrolijker. Wel vindt zij het erg moeilijk dat ze haar moeder moet missen. De vader begrijpt het dan ook niet dat de moeder zich zo blijft verzetten en zelfs de belmomenten niet door laat gaan omdat er Nederlands moet worden gesproken. De moeder spreekt Nederlands, het zou een kleine opoffering zijn waardoor ze elkaar in ieder geval weer even zouden kunnen spreken, aldus de vader.
De GI vindt de verlening van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . De ondertoezichtstelling kan een middel zijn voor de ouders om samen te gaan werken aan het verminderen van de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . De uitkomst en de haalbaarheid daarvan liggen bij de ouders. De ontwikkelingsbedreiging is namelijk te wijten aan de ouders, niet aan de GI.
Daarnaast vindt de GI met de raad dat het PSO-traject niet voldoende positief is afgerond. Het is goed dat de ouders het traject hebben voortgezet ondanks het eindigen van de ondertoezichtstelling eind december 2025. De communicatie tussen de ouders is echter nog steeds onvoldoende stabiel en constructief. De ouders zijn op dit moment nog onvoldoende in staat om dit zelfstandig op te lossen. De ondertoezichtstelling is dan ook noodzakelijk om passende hulpverlening voor de ouders en [minderjarige] te kunnen waarborgen.
De bestreden beschikking is niet alleen gebaseerd op de eerdere ondertoezichtstelling, maar ook op de periode tussen de twee ondertoezichtstellingen in. Bovendien zijn de zorgen over de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] sinds de huidige ondertoezichtstelling toegenomen door de mail van de moeder waarin zij de volledige zorg voor [minderjarige] aan de vader heeft overgedragen. Sindsdien verblijft [minderjarige] volledig bij de vader en heeft zij amper contact met de moeder. De GI ziet bij de moeder een gebrek aan inzicht op het effect dat haar handelen heeft op [minderjarige] . De door de moeder verzochte beperking van de termijn past dan ook niet bij deze situatie. Deze ondertoezichtstelling richt zich op de oudercommunicatie. Daarnaast wil de GI met de ouders onderzoeken of er ruimte kan ontstaan om terug te gaan naar de oorspronkelijke zorgregeling. [minderjarige] mist haar moeder. Door de plotselinge contactbreuk wil de GI de eerste contacten tussen hen begeleiden. Dat hoeft niet voor een lange periode. De GI heeft zorgen over de draagkracht van de moeder en de thuissituatie van [minderjarige] bij de moeder. De begeleide omgang komt echter onvoldoende van de grond omdat de moeder niet meewerkt aan de door de GI gestelde voorwaarde. De GI wil graag kunnen meeluisteren met wat de moeder en [minderjarige] bespreken maar een tolk zou tot een statisch geheel leiden. De omgangsbegeleiding wordt overgedragen aan Actief&Advies, aldus de GI.
De beoordeling door het hof
Sinds de ouders uit elkaar zijn is er sprake van een conflictueuze scheiding. Voor de ernstig verstoorde communicatie tussen hen is veel hulpverlening ingezet. Dat is echter telkens niet van de grond gekomen terwijl zowel de vader als de moeder vinden dat hulpverlening nodig is en allebei willen dat het goed gaat met [minderjarige] . De hulpverlening stagneert keer op keer doordat het vastloopt op de praktische uitvoering. Omdat deze problemen al jaren aanhouden is er sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Aangezien het de afgelopen jaren in het vrijwillig kader niet is gelukt, acht het hof het in [minderjarige] haar belang noodzakelijk dat door middel van het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling de nodige hulp wordt ingezet. Temeer omdat de situatie verder is geëscaleerd nadat de kinderrechter de ondertoezichtstelling op 30 maart 2026 heeft uitgesproken. De dag na de zitting bij de kinderrechter heeft de moeder namelijk gemaild dat [minderjarige] vanaf 1 april 2026 volledig bij de vader zal wonen en dat de vader voortaan het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal hebben. Dit e-mailbericht was een gevolg van het gevoel dat de moeder al langere tijd heeft dat zij overloopt. Het hof heeft hier op zich begrip voor, het kan iedereen overkomen, maar het probleem zit hem in de houding die de moeder vervolgens heeft aangenomen. Het is kennelijk lastig voor de moeder bij haar handelen de belangen van [minderjarige] voor ogen te houden. Door te volharden in haar eigen voorwaarden heeft de moeder [minderjarige] slechts een enkele keer onder begeleiding gesproken en tijdens twee korte momenten fysiek getroffen. Voor [minderjarige] is dit een grote verandering omdat zij tot 1 april 2026 het grootste deel van de tijd bij de moeder woonde en de verhuizing naar de vader erg plotseling was.
Nadat de moeder in april en juli 2026 onaangekondigd op de school van [minderjarige] is verschenen, heeft de GI zich genoodzaakt gezien om de veiligheidsafspraken te maken. De GI acht begeleiding bij het hervatten van hun contact noodzakelijk. De moeder wil echter niet meewerken aan de voorwaarde van de GI dat zij tijdens de begeleide belmomenten Nederlands spreekt met [minderjarige] . Omdat de moeder niet akkoord gaat met deze voorwaarde zijn meerdere belmomenten niet doorgegaan en is het contact tussen [minderjarige] en de moeder nog niet hersteld. Zowel de GI als de vader zeggen dat [minderjarige] de moeder mist en haar graag weer wil zien en spreken. Ook heeft de vader ter zitting in hoger beroep gezegd dat het los van de moeizame communicatie tussen de ouders, de afgelopen jaren altijd goed ging met [minderjarige] bij de moeder thuis.
Het doel van de ondertoezichtstelling is dat het goed gaat met [minderjarige] en dat de communicatie tussen de ouders verbetert. Het contact dat [minderjarige] met haar beide ouders heeft is een cruciaal onderdeel van het welzijn van [minderjarige] . Het is dan ook van groot belang dat [minderjarige] haar moeder weer kan zien en spreken. Het ligt op de weg van de ouders en de GI om het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] zo snel als mogelijk te realiseren. De GI verwacht dat het begeleiden van hun contact niet lang hoeft te duren. Desondanks is de moeder inflexibel gebleken in haar samenwerking met de GI. Hoewel het wantrouwen van de moeder ten aanzien van de GI enigszins begrijpelijk is, nadat de GI tijdens de eerste ondertoezichtstelling niets heeft bereikt en daar blijkbaar geen dossier van heeft bijgehouden, wordt toch van de moeder verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] meewerkt aan de hulpverlening nu de GI inmiddels wel actief betrokken is. De afwijzende houding van de moeder ten aanzien van de hulpverlening is zorgelijk en niet in het belang van [minderjarige] . Uit het tussenevaluatieverslag van het PSO-traject blijkt dat de moeder veel wantrouwen heeft richting instanties. Hierdoor is haar samenwerking met nieuwe professionals kwetsbaar. Wanneer zij zich serieus genomen voelt heeft zij ruimte voor gesprek en reflectie. Maar wanneer zij het gevoel heeft dat informatie niet klopt of dat haar ervaringen niet worden meegenomen kan zij sterk emotioneel reageren en afhaken. Daarnaast zijn leerdoelen van de moeder in het PSO-traject dat zij moet oefenen om in de communicatie met de vader neutraal te blijven en dat zij ervoor kan kiezen om niet altijd overal op te reageren.
Ten tijde van de zitting in hoger beroep was de omgangsbegeleiding door de GI overgedragen aan Actief&Advies maar werd nog gewacht op de aanvang daarvan. Aangezien er op dat moment dus nog geen schot in de zaak zat, ziet het hof geen aanleiding om de ondertoezichtstelling in duur te beperken, laat staan om het verzoek tot ondertoezichtstelling af te wijzen, zoals door de moeder verzocht.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. M. Overmars en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.