ECLI:NL:GHAMS:2026:2459

ECLI:NL:GHAMS:2026:2459

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 200.368.528/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

“Verlenging MUHP, zorgregeling, bekrachtiging bestreden beschikking”.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.368.528/01

zaaknummer rechtbank: C/15/372054/JU RK 25-1655 en C/15/372886/ JU RK 25/1791

beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. P.G.M. Lodder te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep.

hierna: de GI,

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );

- [de vader] (hierna: de vader);

- [de grootouders] (hierna: de grootouders vaderszijde).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (12 jaar) noodzakelijk is en over de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] .

De rechtbank heeft in een beschikking van 13 februari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 13 januari 2027. Daarnaast heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd.

De moeder is het daar niet mee eens. Zij wil dat [minderjarige] bij haar wordt teruggeplaatst of dat de zaak wordt aangehouden, teneinde nader onderzoek te gelasten. Daarnaast verzoekt de moeder de zorgregeling tussen haar en [minderjarige] te wijzigen. De GI is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2. De procedure in hoger beroep

De moeder is op 7 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).

De GI heeft op 1 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de zijde van de moeder van 17 juli 2026 met bijlage.

Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

De zitting heeft op 30 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- een vertegenwoordiger van de GI,

- de vader, en

- de grootmoeder vaderszijde.

De raad heeft bij e-mailbericht van 27 juli 2026 meegedeeld niet ter zitting te kunnen verschijnen.

3. De feiten

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2013, te [plaats B] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

[minderjarige] staat sinds 13 januari 2022 onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst bij de – in de zoverre niet bestreden – beschikking van 13 februari 2026 tot 13 januari 2027.

[minderjarige] is sinds 20 februari 2024 uit huis geplaatst op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst tot 24 februari 2026.

Tot aan de machtiging tot uithuisplaatsing woonde [minderjarige] bij de moeder. [minderjarige] verblijft sinds de machtiging tot uithuisplaatsing in een perspectief biedend pleeggezin, te weten bij de grootouders vaderszijde.

Op 15 december 2025 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, dat inhoudt dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt.

Zorgregeling

De rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2019 de volgende zorgregeling vastgesteld: [minderjarige] verblijft om het weekend bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de BSO ophaalt en op zondag om 19.00 uur (na het eten) terugbrengt bij de moeder. De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] de helft van alle schoolvakanties bij de vader is.

Op 10 november 2022 is de zorgregeling in overleg tussen de GI en de vader geschorst. De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 januari 2023 de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] voor de duur van drie maanden volledig begeleid plaatsvindt, waarna verdere uitbreiding daarvan aan de GI zal worden overgelaten.

De GI heeft op 13 december 2024 een beslissing genomen betreffende het contact tussen [minderjarige] en de ouders. De regeling bestond eruit dat [minderjarige] zijn vader één keer in de twee weken op de vrijdag van 14.15 uur tot 19.00 uur ziet, en dat [minderjarige] zijn moeder wekelijks op dinsdag van 14.15 uur tot 19.00 uur ziet.

De GI heeft op 10 december 2025 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de ouders en [minderjarige] beperkt, in die zin dat: “Ouders zich dienen te houden aan de omgangsregeling. Tenzij er onderlinge overeenstemming is om af te wijken van het rooster en men heeft dit in goede orde zelf georganiseerd, mag hier met instemming van de GI incidenteel van afgeweken worden. Zo ook voor de zomervakantie dient het belang van meegaan op vakantie met opa en oma voorop te staan en kunnen ouders het verblijf van [minderjarige] bij hen daaromheen plannen. Dit omdat [minderjarige] heeft aangegeven graag mee te willen met opa en oma op vakantie.”Voor de verdere invulling van het rooster wordt verwezen naar de bijlage Bezoekregeling (versie 10-12-25).

Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 13 februari 2026 heeft de rechtbank de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard voor zover die ziet op de omgang tussen de moeder en [minderjarige] .

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 13 januari 2027. Daarnaast heeft de rechtbank de zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 6 maart 2019, gewijzigd en – kort samengevat – bepaald dat [minderjarige] een keer per maand een weekend van vrijdag tot zondag, een keer per maand van maandag tot woensdag en twee aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de moeder verblijft.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking (in zoverre) te vernietigen en:

- primair het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg alsnog af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] teruggeplaatst wordt bij de moeder met ingang van een door het hof te bepalen datum.

- subsidiair de zaak aan te houden teneinde een contra-expertise te laten verrichten;

- ( naar het hof begrijpt) haar inleidende verzoek tot wijziging van de zorgregeling alsnog toe te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot donderdag naar school bij de moeder zal verblijven.

De GI verzoekt – zo begrijpt het hof – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

De standpunten

De moeder stelt dat het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog moet worden afgewezen en dat [minderjarige] bij haar moet worden teruggeplaatst. De moeder is van mening dat zij voldoende draagkracht heeft om zorg te dragen voor [minderjarige] . Wat haar betreft is er geen noodzaak (meer) om de uithuisplaatsing te verlengen, omdat vooruitgang is geboekt. De moeder heeft hulp ingeschakeld, en heeft deelgenomen aan Gentle Teaching en psychomotorische therapie. Volgens de moeder is een vereiste voor de start van de Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling dat [minderjarige] bij haar woont. Verder vindt de moeder dat het perspectiefbesluit niet betrokken had dienen te worden bij de besluitvorming, omdat volgens haar het onderzoek niet onafhankelijk is geweest en niet aan de zorgvuldigheidsnormen voldoet. Daarnaast vindt de moeder dat de conclusie niet getrokken had kunnen worden dat het perspectief bij de grootouders ligt, omdat het perspectiefonderzoek volgens de moeder veel tegenstrijdigheden bevat. Het positieve beeld dat het observatiemateriaal van de moeder oplevert is terzijde geschoven, en de negatieve elementen zijn zwaarder gewogen. Ter zitting heeft de moeder daar nog aan toegevoegd dat mocht onverhoopt niet langer aan terugplaatsing gewerkt worden er dan in elk geval een contra-expertise dient plaats te vinden. De moeder stelt ook dat de rechtbank de zorgregeling ten onrechte niet heeft gewijzigd overeenkomstig haar verzoek.

De GI voert aan dat de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen, op goede gronden berust. De zorgen over de stabiliteit, draagkracht, en leerbaarheid van de moeder, maar ook over haar vermogen om structureel aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] , hebben geleid tot een negatief advies ten aanzien van het opvoedperspectief bij de moeder. In het perspectiefonderzoek wegen bepaalde factoren zwaarder dan andere factoren, en is het dus niet een optelsom van de observaties. De GI heeft ter zitting benadrukt dat ze geen inhoudelijke invloed heeft gehad op de totstandkoming van de conclusies van het perspectiefonderzoek. De GI vindt een contra-expertise niet in het belang van [minderjarige] . De GI is van oordeel dat de grootouders [minderjarige] een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving bieden. Verder constateert de GI dat de moeder heeft aangegeven geen verdere hulpverlening meer te willen. Ook heeft de rechtbank de zorgregeling op goede gronden gewijzigd, aldus de GI.

De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij het goed vindt gaan met [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde. Hij vindt dat de communicatie tussen hem en de moeder niet naar behoren verloopt. De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij een procedure is gestart om het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te verkrijgen.

De grootmoeder heeft ter zitting verklaard dat zij en de grootvader met liefde voor [minderjarige] zorgen en dat [minderjarige] bij hen kan blijven wonen tot aan zijn meerderjarigheid.

Het hof gaat in de beoordeling verder in op deze en andere argumenten van de partijen.

De beoordeling door het hof

Het hof ziet aanleiding zich eerst uit te laten over de grief van de moeder omtrent het perspectiefbesluit dat de rechtbank heeft betrokken in de beslissing tot verlenging van de uithuisplaatsing. Het dictum van de bestreden beschikking bevat geen beslissing over het perspectiefbesluit. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsgang waarin het perspectiefbesluit aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd (HR 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148). In die beschikking overweegt de Hoge Raad echter ook dat de rechter een perspectiefbesluit kan beoordelen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dit geval heeft de GI het standpunt ingenomen dat het perspectief niet meer bij de moeder ligt en mede in dat licht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. In dat kader zal het hof het perspectiefbesluit hierna bij de beoordeling betrekken.

Op basis van het perspectiefonderzoek van William Schrikker Gezinsvormen is aan de GI het advies gegeven om te besluiten dat [minderjarige] niet bij de moeder zal opgroeien, aangezien het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. Het hof overweegt dat een door de moeder geconstateerde tegenstrijdigheid in het perspectiefonderzoek, waarbij enerzijds wordt beschreven dat de moeder [minderjarige] begrenst en anderzijds dat de moeder [minderjarige] niet begrenst, niet maakt dat het onderzoek als geheel als ondeugdelijk moet worden aangemerkt. Evenmin zijn er omstandigheden gebleken die aanleiding geven om te veronderstellen dat het onderzoek niet onafhankelijk of zorgvuldig is uitgevoerd. Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat de enkele omstandigheid dat William Schrikker Gezinsvormen net als de GI onderdeel uitmaakt van het samenwerkingsverband Partners voor Jeugd niet leidt tot de conclusie dat het onderzoek niet onafhankelijk heeft plaatsgevonden. William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de GI) opereert weliswaar onder dezelfde ‘merknaam’ als William Schrikker Gezinsvormen, maar de GI heeft duidelijk en aannemelijk gemaakt dat dit twee van elkaar gescheiden organisaties zijn.

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.

Het hof is van oordeel dat de gronden en de noodzaak voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aanwezig waren en nog steeds zijn. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. In februari 2024 is [minderjarige] uit huis geplaatst bij de grootouders vaderszijde vanwege forse gedragsproblematiek van [minderjarige] , bovenmatig schoolverzuim, overbelasting van de moeder en de relatieproblematiek tussen de ouders. [minderjarige] is een jongen met een bovengemiddelde opvoedbehoefte en functioneert, zowel op cognitief als op sociaal emotioneel gebied, onder zijn leeftijd. Het hof is gebleken dat het momenteel goed gaat met [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs en gaat na de zomervakantie naar een nieuwe middelbare school in de buurt van de grootouders vaderszijde. In december 2025 heeft de GI besloten dat het opvoedperspectief van [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde ligt. De GI heeft destijds aangegeven dat het de moeder, hoewel zij haar best heeft gedaan, onvoldoende lukt om een stabiele opvoedplek te bieden voor [minderjarige] . De zorgen van de GI zijn gelegen in de verwachting dat de moeder opnieuw overvraagd zal worden in de thuissituatie zodra de draaglast toeneemt en dat [minderjarige] hierdoor opnieuw uit huis geplaatst dient te worden. Het hof onderschrijft – net als de rechtbank – de conclusies uit het perspectiefbesluit.

Het hof betrekt bij zijn beoordeling de door de GI ter zitting gegeven toelichting op het perspectiefonderzoek, waarbij werd betoogd dat de risicofactoren zwaarder wegen dan de veiligheidsfactoren. Daarbij heeft de GI ter zitting naar voren gebracht dat de risicofactoren sinds het perspectiefbesluit zijn toegenomen, waardoor het bestaande negatieve advies ten aanzien van het opvoedperspectief bij de moeder verder is versterkt. Ter onderbouwing daarvan heeft de GI erop gewezen dat de moeder nog steeds veel moeite heeft om afspraken structureel en betrouwbaar na te komen. Dit betreft bijvoorbeeld de afspraak dat de moeder [minderjarige] een keer per vier weken naar voetbal brengt. De moeder verlangt dan van [minderjarige] dat hij zegt dat hij ziek is en daarom niet naar de training kan komen. Het hof stelt verder vast dat er veel ruis is in de communicatie tussen de betrokken volwassenen. Dat sluit ook aan bij een conclusie uit het perspectiefonderzoek, waarin werd overwogen dat een betere samenwerking noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] . Verder heeft [minderjarige] ook behoefte aan een meer dan gebruikelijk stabiele opvoedomgeving. Het hof verwacht niet dat de moeder, gelet op haar verminderde draagkracht en haar ambivalente houding ten opzichte van de hulpverlening, in staat zal zijn om hierin te voorzien. De grootouders vaderszijde bieden [minderjarige] duidelijkheid, stabiliteit en structuur in de opvoedsituatie, waarvan [minderjarige] aantoonbaar profiteert. De schoolprestaties van [minderjarige] zijn verbeterd, het schoolverzuim is afgenomen en de gedragsproblematiek van [minderjarige] is verminderd. Het is in het belang van [minderjarige] om deze positieve ontwikkeling voort te zetten.

Het hof komt gelet op het hiervoor overwogene tot de conclusie dat de gronden voor de machtiging uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook bekrachtigen.

Deskundigenonderzoek

Uit artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a, tweede lid, Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

Het hof ziet aanleiding om geen deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a, tweede lid, Rv te gelasten, zoals de moeder in hoger beroep heeft verzocht. Nog los van het feit dat het verzoek dat de moeder heeft gedaan onvoldoende concreet is geformuleerd, is het hof van oordeel dat met name het belang van [minderjarige] zich verzet tegen een nieuw deskundigenonderzoek. Hierboven is overwogen welke gunstige gevolgen zijn ingetreden op de verschillende levensgebieden door de huidige rust, voorspelbaarheid en structuur in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] heeft een verzwaarde opvoedbehoefte, en het gaat nu net wat beter met hem. Omdat hij na de zomervakantie op een nieuwe middelbare school gaat beginnen is het beslist in zijn belang dat die rust, voorspelbaarheid en structuur nu niet verstoord wordt door een nieuw onderzoek waarin hij opnieuw gesproken zal moeten worden en het afwachten van de uitslag opnieuw een onzekere periode voor hem zal meebrengen. [minderjarige] heeft stellig aangegeven dat hij niet langer gehoord wenst te worden. Hij lijkt er bovengemiddeld veel last van te hebben. Het is daarom naar het oordeel van het hof zeer de vraag of [minderjarige] op dit moment, nu hij net op een nieuwe school gaat starten, voldoende draagkracht heeft voor een nieuw onderzoek. Het hof zal het verzoek van de moeder op dit punt dan ook afwijzen.

Zorgregeling

Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten (artikel 1:253a, tweede lid onder a): een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

Het hof is van oordeel er geen ruimte is om de huidige zorgregeling uit te breiden, zoals de moeder verzocht heeft. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de moeder over onvoldoende financiële middelen beschikt om [minderjarige] , gelet op de afstand tussen haar woonadres en de nieuwe school, structureel zelf naar school te brengen indien [minderjarige] na de zomervakantie onderwijs op een school in de buurt van de grootouders vaderszijde gaat volgen. Daar komt bij dat de GI ter zitting heeft aangegeven te werken aan een nieuwe zorgregeling die beter aansluit bij de gewijzigde situatie na de zomervakantie. Gezien het voorgaande zal het hof het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. P.F.E Geerlings en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.L. Lusink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand