GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.369.176/01 en 200.369.176/02
zaaknummer rechtbank: C/15/370716 / FA RK 25-5285
beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
verzoekster in het incident,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L. Kaddouri te Utrecht,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
verweerder in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.E. Sondorp te Gouda.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2021, hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag waar [minderjarige] (4 jaar) in hoofdzaak zal wonen. De vragen die voorliggen zijn of [minderjarige] in (de omgeving van) [plaats B] of in [plaats A] zal wonen, op welke basisschool zij zal worden ingeschreven en welke zorgregeling en verdeling van de vakanties en bijzondere dagen en feestdagen moet gelden. Daarnaast ligt de vraag voor of aan de moeder een dwangsom moet worden opgelegd indien zij nalaat om met [minderjarige] terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats B] , zoals de rechtbank heeft bepaald.
De rechtbank heeft bepaald dat de moeder uiterlijk op 1 mei 2026 met [minderjarige] moet terugverhuizen naar [plaats B] , althans naar een plaats binnen een straal van 20 kilometer vanaf [plaats B] . Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de vader verblijft, alsmede de helft van de schoolvakanties en bijzondere dagen en feestdagen. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder is het daarmee niet eens en wil dat zij vervangende toestemming krijgt om met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen en [minderjarige] daar in te schrijven op een basisschool. Ter compensatie voor de verhuizing biedt de moeder aan dat [minderjarige] negen van de twaalf schoolvakantieweken bij de vader kan verblijven mits de vader de zorg voor [minderjarige] persoonlijk en structureel op zich neemt. Verder wil de moeder dat de werking van de beschikking van de rechtbank wordt geschorst.
De vader is het eens met de beschikking van de rechtbank. Hij wil nu ook dat er een dwangsom wordt verbonden aan de terugverhuizing van de moeder en dat hij vervangende toestemming krijgt om [minderjarige] op een basisschool in [plaats] in te schrijven.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 18 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) (zaaknummer 200.369.176/01).
Bij haar beroepschrift heeft de moeder tevens een verzoek gedaan tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.369.176/02).
De vader heeft op 17 juni 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
De moeder heeft op 20 juli 2026 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 14 juni 2026, inhoudende een wijziging van haar petitum en producties 11-14;
- een bericht van de vader van 22 juli 2026, met producties 7 en 8.
De zitting heeft op 23 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
3. De feiten
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn op 23 oktober 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan, dat op 23 september 2022 in Medemblik is omgezet in een huwelijk. Het huwelijk is op 3 december 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 25 november 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2021 in [plaats C] .
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
In het op 4 november 2024 ondertekende ouderschapsplan, dat deel uitmaakt van de
echtscheidingsbeschikking van 25 november 2024, hebben partijen onder meer het volgende
vastgelegd:
(…)
‘Artikel 1.2: Ouders zijn zich ervan bewust dat zij beiden het wettelijke recht en de plicht hebben om een gelijkwaardig aandeel te leveren in de verzorging, opvoeding en omgang met [minderjarige] .
Artikel 1.3: Ouders zullen zich inspannen om ervoor te zorgen dat het contact tussen [minderjarige] en de ouders zo min mogelijk zal worden beïnvloed door de echtscheiding. Zij zullen bevorderen dat [minderjarige] zo goed mogelijk contact heeft met beide ouders.
(…)
Artikel 2.1: [minderjarige] krijgt haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en zal op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. (..)
Artikel 2.2: Ouders spreken af dat bij een voorgenomen verhuizing buiten een straal van 20 kilometer, de ouders met elkaar zullen overleggen over de situatie die dan ontstaat, om het voor henzelf en [minderjarige] zo eenvoudig mogelijk te houden.
(…)
Artikel 3.2: De schoolkeuze maken de ouders gezamenlijk (…).
(…)
Artikel 4.1: Ouders realiseren zich dat onderstaande zorgregeling een gezamenlijke verantwoordelijkheid is en beide ouders de plicht hebben om deze omgang te stimuleren en na te komen.
Artikel 4.3: Ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen.
(Hof: daaronder is een schema vermeld waarin [minderjarige] iedere week op zaterdag, zondag en
maandag tot voor het avondeten bij de vader en voor het overige bij de moeder verblijft.)
Artikel 4.4: Ouders spreken af dat [minderjarige] een weekend in de maand bij de moeder zal zijn. Dit weekend wordt in onderling overleg tussen ouders bepaald.’
(…)
De moeder is [in] 2026 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De vader heeft een relatie met [naam 2] .
[minderjarige] lijdt vanaf haar geboorte aan een erfelijke bloedstollingsziekte (ziekte van Willebrand) en dient hiervoor frequent medische controles te ondergaan. De vader heeft dezelfde ziekte.
De moeder is in september 2025 samen met [minderjarige] verhuisd naar [plaats A] , waar zij sindsdien samenwoont met [naam 1] .
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats A] , en [minderjarige] in te schrijven op een basisschool [Z] , afgewezen, en op het verzoek van de vader bepaald dat de moeder uiterlijk 1 mei 2026 met [minderjarige] terugverhuist naar [plaats B] , althans verhuist naar een plaats binnen een straal van 20 kilometer vanaf [plaats B] .
Verder heeft de rechtbank, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 25 november 2024 en het daaraan gehechte ouderschapsplan van 4 november 2024, de volgende zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij [minderjarige] door de vader uit school wordt gehaald en op maandagochtend door de vader naar school wordt gebracht;
de helft van alle schoolvakanties, feestdagen en bijzondere dagen, in onderling overleg te bepalen.
De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.
In de zaak met zaaknummer 200.369.176/01
De moeder verzoekt in haar beroepschrift in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:
I. aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen, alsmede vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op basisschool De [X] te [plaats A] ;
II. een zorgregeling te bepalen waarin [minderjarige] gedurende negen van de twaalf schoolvakantieweken bij de vader verblijft, en gedurende de helft van alle bijzondere dagen en feestdagen, dan wel een door het hof te bepalen passende zorg- en contactregeling.
Bij bericht van 14 juli 2026 heeft de moeder haar petitum gewijzigd ten aanzien van verzoek II. De moeder verzoekt dat de zorgregeling aldus wordt vastgesteld c.q. gewijzigd dat [minderjarige] eenmaal per twee weken, van vrijdagavond tot zondagavond, bij de vader verblijft alsmede negen van de twaalf schoolvakantieweken, mits (naar het hof begrijpt) de vader de zorg voor [minderjarige] dan persoonlijk en structureel op zich neemt, en gedurende de helft van alle bijzondere dagen en feestdagen, dan wel een door het hof te bepalen passende zorg- en contactregeling.
De vader verzoekt in principaal hoger beroep, naar het hof begrijpt, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoeken af te wijzen.
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep:
I. een dwangsom op te leggen van € 250,- per dag dat de moeder niet terugverhuist, met een maximum van € 10.000,-.
II. de vader vervangende toestemming te verlenen voor het inschrijven van [minderjarige] op basisschool [Y] te [plaats] , dan wel de basisschool in [plaats B] .
De vader verzoekt voorwaardelijk, voor het geval het hof beslist aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te mogen verhuizen:
III. een reguliere zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader vast te stellen, waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden van vrijdag uit school tot en met zondagavond 17.30 uur bij de vader verblijft;
te bepalen dat [minderjarige] op jaarbasis negen (van de twaalf) schoolvakantieweken, en de helft van alle bijzondere dagen en feestdagen bij de vader verblijft;
waarbij [minderjarige] door de moeder wordt gehaald en gebracht;
dan wel een zodanige zorgregeling, schoolvakantieverdeling en verdeling van de bijzondere dagen en feestdagen bepaalt als het hof juist acht.
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.369.176/02
De moeder verzoekt in het incident, op grond van artikel 360 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de werking van de bestreden beschikking te schorsen.
De vader verzoekt in het incident het schorsingsverzoek van de moeder af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
In de zaak met zaaknummer 200.369.176/01
Gelet op de onderlinge samenhang zal het hof het principaal en het incidenteel hoger beroep gezamenlijk bespreken.
De standpunten
De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats A] heeft afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat er geen noodzaak voor de verhuizing is en dat de belangen van de vader zwaarder wegen dan die van de moeder en [minderjarige] . De moeder raakte na de relatiebreuk in een depressie waardoor zij enige tijd niet zelf meer voor [minderjarige] heeft kunnen zorgen en met [minderjarige] bij haar familie in [plaats D] heeft verbleven. De vader beloofde meer invulling aan zijn vaderrol te zullen gaan geven waarna de moeder met de vader naar [plaats B] is verhuisd. De door de moeder verwachte gelijkwaardige invulling van het ouderschap met de vader bleef echter uit. De moeder had in [plaats B] geen eigen sociaal netwerk waardoor zij zich steeds eenzamer ging voelen en in een sociaal isolement raakte. Ook is de moeder in een behandeltraject bij de GGZ gegaan.
Het huis in [plaats B] vertoonde ernstige gebreken zoals waterschade en de moeder kon de financiële lasten niet langer opbrengen. De moeder heeft haar huis in [plaats B] te koop gezet en is met [minderjarige] naar [plaats A] verhuisd. In [plaats A] beschikt de moeder over een uitgebreid netwerk van familie en vrienden en woont zij samen met haar partner [naam 1] . De verhuizing is ook in het belang van haar nieuwe gezinssituatie. [naam 1] is werkzaam binnen het familiebedrijf van zijn ouders en de moeder helpt hen inmiddels ook. Verder ondersteunt [naam 1] , net zoals de moeder, zijn ernstig zieke moeder. Daarnaast verleent de moeder mantelzorg aan haar oma. Verder zijn de moeder en [naam 1] gestart met een IVF-traject, waardoor stabiliteit en continuïteit in hun woon- en leefsituatie van groot belang zijn.
De moeder heeft haar verhuisplannen gedurende langere tijd met de vader besproken. Zij heeft de vader meermaals verteld dat zij terug wilde naar de omgeving van haar familie. De vader heeft daarop via WhatsApp gereageerd met opmerkingen als ‘ga dan maar’ en ‘pleur maar lekker op’, waardoor de moeder erop mocht vertrouwen dat hij instemde met de verhuizing. Pas nadat de verhuizing concreet werd en de vader had vernomen dat de moeder een nieuwe partner heeft, verzette de vader zich tegen de verhuizing met [minderjarige] .
De moeder betwist dat de verhuizing ertoe leidt dat de vader een afstandsvader wordt. De vader vervulde ook vóór de verhuizing geen grote rol in de dagelijkse verzorging van [minderjarige] . Hij werkt veel en is regelmatig afwezig bij de overdrachtsmomenten van [minderjarige] . De vader woonde en woont nog steeds ziekenhuisafspraken in verband met de bloedstollingsziekte van [minderjarige] veelal niet bij, ondanks uitnodigingen daartoe. Ook van de uitnodiging recent nog om in te bellen bij een afspraak met de arts heeft de vader geen gebruik gemaakt. De dagelijkse verzorging van [minderjarige] kwam grotendeels op de moeder neer en de vader was slechts beperkt betrokken. De vader is nooit mee geweest naar de evaluatiegesprekken van de opvang van [minderjarige] . De vader ziet [minderjarige] sinds de verhuizing juist frequenter dan daarvoor. Verder neemt de moeder de reistijd voor haar rekening door [minderjarige] steeds te halen en te brengen van en naar de vader. Ook is zij bereid de vader te compenseren met een ruimere verdeling van de schoolvakanties voor hem, op voorwaarde dat hij de zorg voor [minderjarige] persoonlijk en structureel op zich neemt.
Bij een verplichting tot terugverhuizing vreest de moeder voor een ernstige terugslag in haar psychische gezondheid. Ook zal dit negatieve gevolgen hebben voor haar relatie met [naam 1] , die vanwege zijn familieomstandigheden niet bereid is te verhuizen naar de omgeving van [plaats B] . De vader heeft op dit moment zelf ook geen eigen woning. Het is nog onduidelijk waar hij zal komen te wonen.
Ten aanzien van de schoolkeuze is het voor [minderjarige] van groot belang dat zij zo spoedig mogelijk naar school gaat. [minderjarige] heeft inmiddels haar sociale omgeving in [plaats A] opgebouwd en het is daarom in haar belang om in [plaats A] naar de basisschool te gaan. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat haar voorkeur uitgaat naar basisschool De [X] , indien [minderjarige] in [plaats A] blijft wonen.
Volgens de vader heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de moeder geen vervangende toestemming voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats A] krijgt. De moeder heeft de vader voor een voldongen feit gesteld door naar [plaats A] te verhuizen voordat zij toestemming daarvoor van hem had gekregen en zonder de uitkomst van de procedure bij de rechtbank af te wachten. Na de bestreden beschikking heeft de moeder geen uitvoering gegeven aan de terugverhuizing die de rechtbank had bevolen, waardoor [minderjarige] nog steeds in [plaats A] woont. Volgens de vader ontbreekt iedere noodzaak voor de verhuizing. Dat de moeder zich niet prettig voelde in [plaats B] of een nieuwe partner heeft gekregen, rechtvaardigt niet dat [minderjarige] momenteel op twee uur rijden van de vader woont. De vader betwist dat de werkzaamheden van de moeder en haar partner uitsluitend vanuit [plaats A] kunnen worden verricht. Ook het IVF-traject en de mantelzorg van de moeder vormen geen noodzaak om in [plaats A] te gaan wonen. Verder betwist de vader dat hij vooraf toestemming heeft gegeven voor de verhuizing. De door de moeder aangehaalde WhatsApp-berichten van de vader zijn verzonden in een emotionele situatie en vormden geen toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar specifiek [plaats A] . De vader heeft meermaals duidelijk gemaakt dat hij niet wil dat [minderjarige] op een dergelijke grote afstand van hem zou gaan wonen. De verhuizing heeft grote gevolgen voor zijn rol als ouder. Hoewel het zwaartepunt van de verzorging ook vóór de verhuizing altijd bij de moeder lag, kon de vader toen gemakkelijker snel aanwezig zijn bij [minderjarige] en spontaan contact met haar hebben. Door de grote afstand is dat nu onmogelijk. Ook vreest de vader dat hij in de toekomst steeds minder betrokken zal zijn bij [minderjarige] school, sociale leven, vrienden en vriendinnen, sportactiviteiten en medische zorg. Juist nu [minderjarige] ouder wordt en naar school zal gaan, is het van belang dat de vader een actieve rol in haar leven kan blijven vervullen. De ouders van de vader pasten veel op [minderjarige] en ook hun rol is ingrijpend gewijzigd door de verhuizing van de moeder en [minderjarige] . De vader heeft zijn werksituatie inmiddels aangepast om meer beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Hij is van werkgever gewisseld zodat hij op vrijdag eerder kan stoppen met werken en op maandagochtend later kan beginnen. De huidige zorgregeling is passend en noodzakelijk om een betekenisvolle band met [minderjarige] te behouden. De vader betwist dat hij de zorgregeling niet nakomt. Eventuele vertragingen van zijn kant bij de overdracht worden veroorzaakt door de aanzienlijke reisafstand die de verhuizing met zich mee heeft gebracht. Verder is de vader voornemens in de omgeving van [plaats B] te blijven wonen, ook met zijn nieuwe partner en haar kinderen.
Indien de moeder met [minderjarige] terug dient te verhuizen, wenst de vader dat [minderjarige] op een basisschool in de omgeving van [plaats B] wordt ingeschreven. Het is zorgelijk dat [minderjarige] als gevolg van het geschil tussen de ouders nog steeds niet naar school gaat.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep benadrukt dat beide ouders een belangrijke rol vervullen in het leven van [minderjarige] en dat haar belangen centraal moeten staan. [minderjarige] ervaart in de huidige situatie twee met elkaar concurrerende belangen. Enerzijds heeft zij inmiddels gedurende een halfjaar een zekere mate van continuïteit opgebouwd in [plaats A] , waar zij wordt omringd door familie en vriendjes/vriendinnetjes. Anderzijds brengt de verhuizing mee dat zij regelmatig een grote reisafstand moet afleggen voor contact met haar vader. Zowel het handhaven van de huidige situatie als een terugverhuizing brengt voor- en nadelen voor [minderjarige] mee. Indien zij in [plaats A] blijft wonen, blijven de reisbewegingen bestaan. Een terugverhuizing betekent daarentegen opnieuw een ingrijpende wijziging van haar leefomgeving. De raad spreekt zich daarom niet uit voor één van beide uitkomsten, maar benadrukt dat ongeacht de beslissing van het hof een zorgregeling moet worden vastgesteld die recht doet aan de betekenis van beide ouders in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, momenteel vooral gericht op haar ouders. De beschikbaarheid van beide ouders, de continuïteit van haar verzorging en de voorspelbaarheid van de contactmomenten met haar ouders zijn daarom op dit moment van groot belang. Naarmate [minderjarige] ouder wordt en naar school gaat zullen haar sociale contacten, school en eventuele sport- en vrijetijdsactiviteiten een steeds belangrijkere plaats in haar leven innemen. Er zal daarom om de zoveel jaar moeten worden bekeken of de dan geldende zorgregeling nog in haar belang is.
De beoordeling
Vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats A]
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen tussen ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij de beoordeling van een verzoek om vervangende toestemming voor een verhuizing moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en alle betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van het kind vormt daarbij een eerste overweging, maar dat betekent niet dat dit belang steeds doorslaggevend is. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen andere belangen zwaarder wegen.
Deze zaak kenmerkt zich door het spanningsveld tussen de verschillende betrokken belangen, te weten van de moeder, de vader en [minderjarige] . Het hof zal de gestelde belangen hierna afzonderlijk bespreken en tegen elkaar afwegen.
Het belang van de moeder is erin gelegen dat zij met [minderjarige] naar [plaats A] kan verhuizen om daar met haar partner [naam 1] een nieuw bestaan op te bouwen, in de nabijheid van haar familie en sociale netwerk. Daarnaast is voor de moeder van belang dat zij als hoofdverzorger van [minderjarige] in staat blijft de dagelijkse zorg voor haar te dragen. Met dit belang is ook het belang van [minderjarige] gegeven, omdat zij voor een groot deel door de moeder wordt verzorgd en opgevoed. Daartegenover staat het belang van de vader om een betekenisvolle en betrokken rol in het leven van [minderjarige] te blijven vervullen. Verder is het belang van [minderjarige] gelegen in een stabiele en voorspelbare opvoedingssituatie, waarin haar beide ouders een betekenisvolle rol in haar leven vervullen. Zij heeft belang bij continuïteit van haar verzorging en de beschikbaarheid van beide ouders in haar leven.
De moeder woont sinds september 2025 feitelijk met [minderjarige] in [plaats A] . Het hof stelt voorop dat de wijze waarop de moeder met [minderjarige] naar [plaats A] is verhuisd geen navolging verdient. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat de vader reeds toestemming had gegeven voor de verhuizing. De moeder heeft zich daarbij met name beroepen op uitlatingen van de vader in een emotionele context, waaronder de woorden “pleur maar lekker op met [minderjarige] ”. Naar het oordeel van het hof kon de moeder daaruit redelijkerwijs niet afleiden dat de vader onvoorwaardelijk instemde met een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats A] . Daarbij is niet alleen die emotionele context van belang, die voor de moeder gezien de aard van de appjes kenbaar moet zijn geweest. Dat blijkt ook wel uit haar reactie “waar slaat [dit] toch allemaal nu op”. Ook is van belang dat niet is komen vast te staan dat voor de vader op dat moment voldoende duidelijk was dat de moeder daadwerkelijk op korte termijn met [minderjarige] naar [plaats A] wilde verhuizen en welke gevolgen dit zou hebben voor zijn contact met [minderjarige] .
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder nog steeds in [plaats A] woont, in weerwil van de beschikking van 19 februari 2026 waarin de rechtbank heeft bepaald dat zij uiterlijk 1 mei 2026 met [minderjarige] diende terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats B] . Door deze opstelling heeft zij de vader voor een voldongen feit gesteld. Een dergelijke handelswijze miskent de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders die gezamenlijk met het gezag over hun kind zijn belast. Het hof betrekt dit bij de belangenafweging, maar neemt daarbij in aanmerking dat de procedure op grond van artikel 1:253a BW niet tot doel heeft de handelwijze van een ouder te sanctioneren. Uiteindelijk dient te worden beoordeeld welke beslissing, gelet op de huidige situatie en bij afweging van alle betrokken belangen, passend is.
De moeder heeft verschillende omstandigheden aangevoerd waaruit volgens haar de noodzaak om met [minderjarige] in [plaats A] te wonen blijkt. Het hof is echter van oordeel dat deze omstandigheden niet zonder meer een noodzaak vormen voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats A] en het verblijf aldaar. Zo heeft de moeder gewezen op haar werkzaamheden binnen het familiebedrijf van de ouders van haar partner [naam 1] , de zorg die zij aan de familie van [naam 1] verleent, haar mantelzorgtaken voor haar oma en het IVF-traject dat zij met [naam 1] is gestart. Het hof begrijpt dat deze omstandigheden voor de moeder persoonlijk van grote betekenis zijn en dat zij daarin redenen ziet om haar leven in [plaats A] voort te zetten. Deze omstandigheden maken echter niet dat sprake is van een noodzaak om met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen. Niet is gebleken dat de werkzaamheden binnen het familiebedrijf niet op een andere wijze kunnen worden georganiseerd of dat de door de moeder genoemde zorgtaken uitsluitend door haar vanuit [plaats A] kunnen worden verricht. Het IVF-traject betreft een persoonlijke wens van de moeder en haar partner, maar legt geen gewicht in de schaal bij de beantwoording van de vraag waar [minderjarige] zal wonen. Het hof ziet deze omstandigheden daarom vooral als omstandigheden die het belang van de moeder bij verblijf in [plaats A] ondersteunen, maar niet als omstandigheden die een noodzaak tot verhuizing opleveren.
Verder acht het hof invoelbaar dat de moeder met haar nieuwe partner een leven samen wil opbouwen en daarbij behoefte heeft aan de nabijheid van haar familie en sociale netwerk, ook ter ondersteuning in de zorg voor [minderjarige] . Dat belang weegt echter niet zonder meer zwaarder dan het belang van de vader dat [minderjarige] dichtbij hem woont om zodoende betrokken te kunnen zijn in haar leven.
De vader heeft terecht gewezen op de gevolgen van de afstand tussen [plaats A] en [plaats B] . Een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats A] betekent een aanzienlijke vergroting van de afstand tussen hen, waardoor de mogelijkheden voor dagelijkse of spontane contactmomenten worden beperkt. Het hof begrijpt de zorgen van de vader over de gevolgen van de afstand voor zijn rol in het leven van [minderjarige] , nu dit ertoe kan leiden dat hij minder onderdeel wordt van het dagelijks leven van [minderjarige] en meer een vader op afstand wordt. Dit geldt temeer nu [minderjarige] , gelet op haar leeftijd, de komende jaren steeds meer haar eigen sociale leven zal opbouwen in haar woonplaats. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht zullen school, vriendjes en vriendinnetjes en (sport)activiteiten naarmate [minderjarige] ouder wordt een steeds grotere rol in haar leven gaan spelen. Daar staat tegenover dat het hof bij de beoordeling ook kijkt naar de feitelijke zorgsituatie waarin [minderjarige] sinds haar geboorte is opgegroeid. De moeder is altijd de hoofdverzorger geweest. Hoewel de ouders bij hun uiteengaan in het ouderschapsplan het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap hebben vastgelegd, is het hof gebleken dat de feitelijke verdeling van de zorg voor [minderjarige] ook na het uiteengaan van de ouders niet gelijk was. De ouders hebben na hun scheiding geen co-ouderschapsregeling vormgegeven, maar een regeling waarin het zwaartepunt van de dagelijkse verzorging voor [minderjarige] bij de moeder is blijven liggen en de vader [minderjarige] voornamelijk in de weekenden zag. De vader maakte destijds lange werkdagen als vrachtwagenchauffeur waardoor hij minder in staat was de dagelijkse, doordeweekse zorg op zich te nemen. De betrokkenheid van de vader bestond voornamelijk uit de ruime weekendregeling en de sporadische extra momenten waarop hij beschikbaar was voor [minderjarige] .
Daarbij merkt het hof op dat de vader niet kan worden verweten dat hij destijds door zijn werkzaamheden minder beschikbaar was voor de dagelijkse verzorging van [minderjarige] . Ter zitting heeft de vader toegelicht dat hij inmiddels zijn werktijden heeft kunnen aanpassen om meer beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Dit onderschrijft zijn stelling dat hij zijn ouderrol serieus neemt en betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige] .
Tegelijkertijd is de omstandigheid dat de moeder na de echtscheiding van de ouders de hoofdverzorger is gebleven, relevant voor de vraag welke gevolgen een terugverhuizing voor [minderjarige] zou kunnen hebben. Het hof neemt daarbij in aanmerking de psychische gesteldheid van de moeder in de periode na de scheiding. Uit het overgelegde verslag van de GGZ Noord-Holland-Noord (productie 5 bij het inleidende verzoekschrift van de moeder) blijkt dat bij de moeder destijds sprake is geweest van een serieus te nemen depressieve stoornis. Haar behandeling was gericht op stabilisatie, waarbij de moeder wekelijks gesprekken bij de GGZ voerde en medicatie gebruikte. Daarnaast ervoer de moeder klachten die verband hielden met onder meer de scheiding, de ziekte van haar moeder en de bevalling van [minderjarige] . De behandeling is voortijdig geëindigd en de moeder heeft aangegeven dat zij zich nog verder moet laten onderzoeken. Specifiek onderzoek naar PTSS had nog niet plaatsgevonden, maar werd wel geadviseerd.
Het hof acht daarmee voldoende aannemelijk dat de psychische klachten van de moeder reëel en ernstig zijn geweest. Het hof kan niet vaststellen dat een terugverhuizing naar de omgeving van [plaats B] zonder meer tot een terugval bij de moeder zal leiden in haar psychische toestand van voor de verhuizing naar [plaats A] . Evenmin volgt het hof de moeder in haar stelling dat alle door haar ervaren problemen uitsluitend door haar woonomgeving werden veroorzaakt. Wel acht het hof aannemelijk dat het ontbreken van een steunend netwerk en het gevoel van sociaal isolement in [plaats B] hebben bijgedragen aan haar psychische kwetsbaarheid. Zoals hiervoor overwogen is de moeder de ouder bij wie het zwaartepunt van de dagelijkse verzorging na het uiteengaan van de ouders ligt. Het hof acht daarom het risico dat een gedwongen terugverhuizing een negatieve invloed zal hebben op de belastbaarheid van de moeder als hoofdverzorger vanwege haar psychische gesteldheid reëel aanwezig. Van de moeder verlangen dat zij terugverhuist naar een omgeving waarin zij eerder psychisch is vastgelopen, terwijl haar partner redenen heeft om niet binnen een afzienbare termijn mee te willen verhuizen en zij dus haar partner en haar steunende netwerk in [plaats A] achterlaat, brengt naar het oordeel van het hof een te groot risico mee voor haar functioneren als ouder. Dat risico raakt rechtstreeks het belang van [minderjarige] . Voor [minderjarige] is niet alleen van belang dat zij regelmatig contact houdt met haar vader, maar ook dat de ouder die dagelijks voor haar zorgt voldoende beschikbaar en emotioneel belastbaar is. Een terugverhuizing met het risico dat de moeder opnieuw psychisch vastloopt, kan negatieve gevolgen hebben voor de opvoedingssituatie van [minderjarige] . De stabiliteit van [minderjarige] is namelijk in belangrijke mate verbonden met de beschikbaarheid en de belastbaarheid van de moeder.
Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat de belangen van de moeder en [minderjarige] bij behoud van de huidige situatie uiteindelijk zwaarder wegen. Daarbij is, als gezegd, van belang dat de moeder sinds de echtscheiding van de ouders de hoofdverzorger van [minderjarige] is en dat haar psychische belastbaarheid, naar aannemelijk is geworden, van invloed kan zijn op de dagelijkse verzorging en opvoeding - en daarmee het welbevinden van [minderjarige] . Daarnaast weegt het hof mee dat de ouders na hun uiteengaan de zorg feitelijk zo verdeelden waarbij het zwaartepunt bij de moeder lag en de vader een ruime, maar voornamelijk in het weekend vormgegeven rol had in het leven van [minderjarige] . De verhuizing brengt, gelet op de hierna vast te stellen zorgregeling, daarom geen wezenlijke verandering in de door de ouders gekozen en uitgevoerde verdeling van de zorg na hun uiteengaan. De vader behoudt een belangrijke en substantiële rol in het leven van [minderjarige] . Dat dit voor [minderjarige] tot gevolg heeft dat zij veel met de moeder in de auto zal moeten zitten is niet ideaal, maar (voor nu) aanvaardbaar, afgezet tegen de mogelijke nadelige gevolgen die een terugverhuizing voor haar mee kunnen brengen.
Het hof zal op grond van het voorgaande vervangende toestemming verlenen aan de moeder voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats A] . Dit betekent dat de bestreden beschikking in zoverre wordt vernietigd en het verzoek van de moeder in principaal hoger beroep onder I in zoverre wordt toegewezen. Dat brengt tevens mee dat het door de vader in eerste aanleg gedane verzoek tot terugverhuizing van de moeder met [minderjarige] alsnog zal worden afgewezen.
Het hof benadrukt dat deze beslissing geen goedkeuring inhoudt van de wijze waarop de moeder de verhuizing (al) heeft gerealiseerd. Zij had de verhuizing niet zonder toestemming van de vader of een rechterlijke beslissing mogen uitvoeren. Evenmin betekent dit dat de belangen van de vader van ondergeschikt belang zijn. Juist nu de feitelijke afstand tussen de ouders groot blijft, rust op de moeder een zware verantwoordelijkheid om de band tussen [minderjarige] en de vader actief te bevorderen en de gevolgen van de verhuizing en de afstand zoveel mogelijk te beperken. Van haar mag worden verwacht dat zij de zorgregeling stipt nakomt en de vader tijdig en volledig informeert over school, medische aangelegenheden en andere belangrijke ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] .
Vervangende toestemming inschrijving basisschool
De moeder heeft verzocht om vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool De [X] in [plaats A] . De vader heeft ter zitting verklaard dat hij met deze school kan instemmen indien het hof de moeder toestemming verleent om met [minderjarige] in [plaats A] te blijven wonen. Het hof zal daarom ook deze vervangende toestemming verlenen. Dit betekent dat het verzoek van de moeder in principaal hoger beroep onder I ook voor wat betreft dit onderdeel wordt toegewezen.
Het verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep, om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [Y] te [plaats] , dan wel een basisschool in [plaats B] , wordt afgewezen.
Het hof overweegt ten overvloede dat het zorgelijk is dat [minderjarige] als gevolg van het geschil tussen de ouders nog niet naar school gaat. Ook de raad en beide ouders hebben hun zorgen hierover geuit. Hoewel [minderjarige] ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog niet leerplichtig was, is het voor haar ontwikkeling van belang dat zij zo spoedig mogelijk met basisonderwijs begint. Het hof gaat er daarom van uit dat [minderjarige] , gelet op de uitkomst van deze procedure, op korte termijn op voornoemde basisschool zal worden ingeschreven.
Dwangsom
Omdat het hof de moeder vervangende toestemming verleent voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats A] , is voor toewijzing van de door de vader verzochte dwangsom geen plaats. Het daartoe strekkende verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep wordt afgewezen.
De zorgregeling, de vakantieregeling en de regeling voor de bijzondere dagen en feestdagen
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep voorwaardelijk, indien de moeder vervangende toestemming krijgt voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats A] , een zorgregeling, vakantieregeling en bijzondere dagen en feestdagenregeling vast te stellen zoals in 4.5 onder III is opgenomen. De moeder voert verweer en stelt dat uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat de vader de overeengekomen zorgregeling niet structureel en zelfstandig kan uitvoeren. De moeder verzoekt daarom een zorgregeling vast te stellen waarin [minderjarige] twee van de vier weekenden bij de vader verblijft van vrijdag uit school tot zondag 17.30 uur en is bereid de vader hiervoor te compenseren in de vakanties op voorwaarde dat hij de zorg voor [minderjarige] persoonlijk en structureel op zich neemt.
Het hof overweegt als volgt. De vervangende toestemming voor de verhuizing maakt het noodzakelijk dat het contact tussen [minderjarige] en de vader voldoende wordt gewaarborgd, mede gelet op de afstand. De ouders geven op dit moment uitvoering aan een regeling waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de vader verblijft. Het hof is gebleken dat deze weekendregeling op dit moment goed verloopt. [minderjarige] geniet van haar tijd bij de vader en heeft tijdens de weekenden goed contact met haar familie van vaderszijde. Het hof ziet daarom geen aanleiding het aantal weekenden te verminderen, zoals door de moeder gewenst.
Gelet op de afstand tussen [plaats A] en [plaats B] acht het hof een weekendregeling van vrijdag na school tot zondag passend. Een verblijf tot maandag zou meebrengen dat [minderjarige] op maandagochtend vanuit [plaats B] naar haar school in [plaats A] moet reizen. Dat acht het hof, gelet op de afstand en haar jonge leeftijd, te belastend en bovendien praktisch niet goed uitvoerbaar. Verder heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij het halen en brengen van [minderjarige] volledig voor haar rekening neemt en dat zij bereid is dit te blijven doen. Het hof zal dit in de regeling vastleggen. Dit vormt bovendien een noodzakelijke compensatie voor de door de moeder gemaakte keuze om op grote afstand van de vader te gaan wonen.
Voor de verdeling van de schoolvakanties, feestdagen en bijzondere dagen zal het hof aansluiten bij de eerder tussen de ouders gemaakte afspraken. Dit betekent dat [minderjarige] de helft van de schoolvakanties, feestdagen en bijzondere dagen bij ieder van de ouders verblijft en de ouders dit in onderling overleg nader verdelen. Het hof zal niet bepalen dat [minderjarige] negen van de twaalf schoolvakantieweken bij de vader zal verblijven. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij zes weken vakantie per jaar kan opnemen, waarbij hij nog niet concreet voor ogen had hoe hij gedurende de overige drie weken voor [minderjarige] zou zorgen. Daarnaast zou een regeling van negen weken betekenen dat [minderjarige] vrijwel iedere schoolvakantie grotendeels buiten haar dagelijkse woonomgeving doorbrengt. Dat acht het hof, mede met het oog op haar naar verwachting steeds grotere sociale leven in [plaats A] , niet in haar belang.
Het hof onderschrijft wat de raad ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd over de zorgregeling. Een zorgregeling voor een jong kind heeft geen statisch karakter. Naarmate [minderjarige] ouder wordt en haar school, sociale contacten en (sport)activiteiten een grotere rol gaan spelen, zullen de ouders opnieuw moeten bezien welke regeling het beste aansluit bij haar behoeften. Van de ouders mag worden verwacht dat zij daarover tijdig met elkaar in overleg treden en waar nodig de regeling in onderling overleg zullen aanpassen. Daarbij dienen zij niet hun eigen belangen, maar de belangen van [minderjarige] voorop te stellen.
In de zaak met zaaknummer 200.369.176/02
Gelet op de in de hoofdzaak gegeven eindbeslissing heeft de moeder geen belang meer bij een beslissing op haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Haar verzoek zal worden afgewezen.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.369.176/01:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 19 februari 2026 en opnieuw rechtdoende:
verleent de moeder vervangende toestemming tot verhuizing met [minderjarige] , geboren [in] 2021 in [plaats C] , naar [plaats A] ;
verleent de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op basisschool De [X] te [plaats A] ;
stelt, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 25 november 2024 en het daaraan gehechte ouderschapsplan van 4 november 2024, de volgende zorgregeling vast, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
in de zaak met zaaknummer 200.369.176/02:
wijst het schorsingsverzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.