GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.370.027/01
zaaknummer rechtbank: C/15/3742l7 / JU RK 26-176 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. Y. Weggemans-Bruin te Heerhugowaard,
en
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers Noord-Holland,
gevestigd te [plaats 2] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ;
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ;
- [de vader] , hierna: de vader.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (13 jaar), [minderjarige 2] (10 jaar) en [minderjarige 3] (9 jaar) (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 13 augustus 2026.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen.
De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 10 juni 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 april 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).
De GI heeft op 29 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft de kinderen de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
De zitting heeft op 30 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door A. Lyubayeva, een tolk in de Oekraïense taal;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De raad is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
De vader is niet verschenen, hoewel behoorlijk opgeroepen.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013, te [plaats 3] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015, te [plaats 3] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2017, te [plaats 3] .
De ouders zijn getrouwd. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De kinderen stonden van 20 augustus 2025 tot 20 november 2025 onder voorlopig toezicht van de GI. Bij beschikking van 13 november 2025 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van negen maanden, tot 13 augustus 2026.
Bij beschikking van 29 januari 2026 heeft de kinderrechter de kinderen met spoed uithuisgeplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Bij beschikking van 4 februari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend tot 26 mei 2026 en is de beslissing voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van dit hof van 2 juni 2026 is deze laatste beschikking bekrachtigd.
De kinderen verblijven bij De Klimop in Den Helder.
4. De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 13 augustus 2026.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen.
De GI heeft verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.
De standpunten
De moeder komt in hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen. De kinderrechter is bij de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing uitgegaan van verouderde informatie. Zij vindt dat de zorgen gebaseerd zijn op algemene signalen, het dossier bevat weinig concrete incidenten of recente feiten die een ernstige ontwikkelingsbedreiging aantonen. Daarnaast heeft de moeder een hele andere lezing van de omstandigheden. Zo vindt de moeder niet dat de kinderen verwaarloosd en zonder eten naar school gingen. Ook heeft zij de kinderen nooit alleen gelaten zonder toezicht. Zij heeft goed contact met haar buren in het Transferium, die pasten op de kinderen als zij er niet was. Bovendien heeft de moeder een nul-urencontract dus zij is meestal zelf thuis. Ook is er geen sprake van parentificatie bij [minderjarige 1] en heeft er geen vechtpartij plaatsgevonden tussen de ouders, de moeder is aangevallen door de buurman.
Voor zover de moeder in het verleden niet bereid was om samen te werken met de hulpverlening, lag dat aan de stressvolle omstandigheden. Inmiddels staat zij open voor begeleiding en ondersteuning die gericht is op het versterken van haar opvoedvaardigheden en het waarborgen van een stabiele thuissituatie voor de kinderen. De moeder merkt daarbij op dat de woonsituatie haar niet aangerekend kan worden. Met een stabielere woonsituatie zou de situatie kunnen verbeteren. Juist door de geschiedenis van dit gezin, waarin zij zijn gevlucht uit Oekraïne, is deze uithuisplaatsing een nieuw trauma voor de kinderen.
De moeder denkt dat intensieve ambulante hulpverlening, gezinsbegeleiding en toezicht vanuit de betrokken instanties in de thuissituatie een passend en proportioneel alternatief zouden kunnen vormen. Het ging namelijk veel beter met de kinderen toen zij nog bij de moeder woonden. Juist door de uithuisplaatsing gaat het slechter met hen, aldus de moeder.
De GI heeft zich op het standpunt gesteld dat de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen onverminderd in hun belang noodzakelijk is. Het gaat namelijk helemaal niet goed met de kinderen. [minderjarige 1] is op een andere groep geplaatst zodat hij niet meer de baas speelt over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Hierdoor heeft [minderjarige 2] de sturende rol ten opzichte van zijn jongere broertje op zich genomen. Moeder belt hem vaak met verzoeken iets voor [minderjarige 3] te doen. Als dat niet lukt, heeft hij vaak het gevoel niet te voldoen aan de verwachtingen van de moeder. Hij is dan teleurgesteld in zichzelf en bang dat de moeder boos op hem is. Hij bonkt met zijn hoofd tegen de muur, is boos en heeft huilbuien.
[minderjarige 3] onttrekt zich aan de groep en maakt zijn kamer stuk en vies. Tot voor kort maakte [minderjarige 3] zijn kamer stuk. Toen de moeder daarvoor financieel verantwoordelijk werd gehouden is [minderjarige 3] daarmee gestopt en is hij begonnen met zijn kamer vies maken. Hij doet dit door poep op muren, gordijnen en meubilair te smeren. De gedachte hierachter is dat schoonmaken geen geld kost en dus niet kan worden doorberekend aan de moeder.
Ook hij slaat zijn hoofd tegen de muur. Er is inmiddels een plaats voor [minderjarige 3] op een zorgboerderij. Het is onduidelijk of hij daar nu nog naartoe kan omdat zijn problematiek inmiddels is verergerd. Bovendien geeft de moeder hem hiervoor geen emotionele toestemming. Voor GGZ-hulpverlening voor [minderjarige 3] geeft de moeder (eveneens) geen toestemming.
De kinderen hebben dagelijks contact met de moeder via verschillende apparaten, zoals telefoons, tablets en laptops. Daarnaast kunnen zij in haar mail waardoor zij alle correspondentie van de hulpverlening met de moeder kunnen inzien. De kinderen hebben hier veel last van. Net als van de omgangsmomenten met de moeder.
De GI verneemt van de Klimop dat de kinderen wel contact maken met anderen op de groep en meedoen aan groepsactiviteiten wanneer zij de moeder al even niet hebben gesproken. Na hervatting van het contact met de moeder gaat het weer slechter met hen.
De GI ziet verder dat de moeder emotioneel niet beschikbaar is voor de kinderen, zij is veelal emotioneel ontregeld. De GI heeft haar geadviseerd om daarvoor hulp te zoeken. Daarnaast beschikt de GI over zorgmeldingen van het Transferium en Veilig Thuis waaruit blijkt dat er met regelmaat sprake is van geweld tussen de ouders. Dat de moeder geen enkele verantwoordelijkheid of inzicht toont in de situatie die door hulpverleners wordt geschetst, acht de GI zorgelijk. Daarnaast maakt de continue stroom aan e-mails van de moeder waarin zij juridische vragen stelt en klachten indient, het maken van stappen praktisch onmogelijk. Door de houding van de moeder lukt het niet om in gesprek te komen over wat de kinderen van haar nodig hebben, aldus de GI.
De beoordeling door het hof
Hoewel de termijn waarvoor de kinderrechter de uithuisplaatsing had verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, toch belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof moet nu beoordelen of de gronden voor een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen op het moment van de bestreden beschikking en ook tot 13 augustus 2026 nog aanwezig waren.
Zoals ter zitting in hoger beroep met de moeder is besproken ligt alleen de periode dat deze machtiging heeft gelopen ter beoordeling aan het hof voor, te weten van 15 april 2026 tot 13 augustus 2026. Alles wat voor 15 april 2026 is gebeurd ligt dan ook niet ter beoordeling aan het hof voor en beschouwt het hof in deze beschikking als een gegeven.
Sindsdien is [minderjarige 1] naar een andere groep geplaatst zodat hij zijn jongere broertjes minder kan beïnvloeden. Ook hebben de moeder en de kinderen elkaar sinds half april 2026 voor het eerst weer enkele keren fysiek gezien, in de vorm van begeleide omgangsmomenten. Daarnaast hebben de kinderen al sinds de uithuisplaatsing in januari 2026 dagelijks contact met de moeder via telefoons, tablets en laptops, maar zij hebben hier veel last van. De kinderen dwalen ’s nachts ook over de gangen van De Klimop.
De GI en de Klimop hebben verklaard dat het ondoenlijk is om toezicht te houden op de communicatie tussen de moeder en de kinderen. Volgens de moeder vindt dit contact altijd plaats op initiatief van de kinderen. De Klimop ziet dat de kinderen negatief worden beïnvloed door het contact met de moeder. Het is ook schadelijk voor de kinderen dat zij toegang hebben tot het e-mailverkeer dat de moeder met de hulpverlening heeft. Dit is niet voor hen bedoeld. Zij raken hiervan in de war en vertonen daardoor ongewenst gedrag.
Daarnaast ziet De Klimop dat de kinderen in verwarring raken nadat zij de moeder fysiek hebben gezien. Daarom is besloten om zowel het fysieke contact als het digitale contact dat de moeder en de kinderen met elkaar hebben, stop te zetten. De Klimop ziet namelijk dat het beter gaat met de kinderen wanneer zij een tijdje geen contact hebben gehad met de moeder. Zij maken dan wel contact met de andere kinderen op de groep en nemen deel aan activiteiten. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van de kinderen dat zij zich thuis mogen voelen op de plek waar zij verblijven en contact aangaan met de mensen om hen heen. Het contact met de moeder heeft hen daarin gedurende de hele periode van deze machtiging belemmerd.
Het is positief dat de moeder een goede samenwerkingsrelatie met haar hulpverlener van Bocah Donya heeft. Uit hetgeen de GI ter zitting in hoger beroep heeft verteld lukt het Bocah Donya tot op heden echter niet om de moeder te laten inzien wat voor invloed zij heeft op de kinderen en hoe zij haar daarin kunnen bijstaan.
Naar eigen zeggen staat de moeder op de wachtlijst voor een diagnosetraject voor ADHD en autisme. Het hof is van oordeel dat het belangrijk is dat de moeder hulp accepteert om te leren inzien hoe haar gedrag invloed heeft op de kinderen.
De zorgen over de kinderen waren naar het oordeel van het hof op het moment van afgeven van de machtiging door de rechtbank onverminderd aanwezig en zijn sindsdien zelfs verergerd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de machtiging in het belang van de kinderen noodzakelijk was. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. M. Overmars en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.