Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarmee ook gericht tegen die vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof is het grotendeels eens met het vonnis van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van:
In zoverre zal het vonnis worden vernietigd, met dien verstande dat:
Ten behoeve van de leesbaarheid van het arrest zal het hof hieronder de bewijsoverwegingen van de rechtbank invoegen, waar het deze overneemt, en aanvullen.
Bewijsoverwegingen
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bedreiging van een persoon met een misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door het ophangen van een airsoftgranaat (feit 1) en het voorhanden hebben van een airsoftgranaat (feit 3). De feiten kunnen worden bewezen op grond van de uitslagen van het DNA-onderzoek, de overeenkomsten tussen de kledingstukken van NN1 en NN2 en de kledingstukken die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, alsmede de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte zijn telefoon rondom het tijdstip van het ophangen van de granaat en het spuiten van de graffiti biometrisch heeft ontgrendeld en gebruikt. De advocaat-generaal is van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte zowel NN1 als NN2 is, zodat hij vrijgesproken dient te worden van medeplegen.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de feiten 1 en 3 moet worden vrijgesproken. De vaststelling in het DNA-rapport dat DNA is aangetroffen van slechts één persoon is een aanname die niet verder wordt onderbouwd. Als het DNA van de verdachte zou zijn, kan niet worden vastgesteld wanneer dat op de tiewrap terecht is gekomen. Dit kan ook op een eerder moment zijn gebeurd, aldus de raadsman. Ook op grond van de kledingvergelijking kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de persoon op de camerabeelden is. Aan de hand van één vergelijkbaar kenmerk, zoals een opstaande kraag, wordt geconcludeerd dat het gaat om dezelfde jas als op de camerabeelden. De raadsman plaatst daarnaast vraagtekens bij de door de verbalisant vastgestelde overeenkomsten tussen de kledingstukken die bij de verdachte thuis zijn aangetroffen en die NN1 en NN2 aanhebben. Daarnaast sluit het onderzoek niet uit dat de kledingstukken van de vader of broer van de verdachte waren. Het onderzoek naar de telefoon van de verdachte heeft ook geen relevante resultaten opgeleverd.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat in de nacht van 12 februari 2024 om 00:49 uur door een persoon (hierna: NN1) een airsoftgranaat met een tiewrap wordt bevestigd aan de toegangsdeur van een appartementencomplex aan de Rinus Michelslaan te Amsterdam. Bijna twee uur later, om 02:35 uur, spuit een persoon (hierna: NN2) met graffiti de woorden “Tik Tak" op het complex, en een pijl, wijzend naar de airsoftgranaat.
In de vroege ochtend van 12 februari 2024 komt de politie ter plaatse na een melding van één van de bewoners van het complex dat er een handgranaat aan de centrale toegangsdeur zou zijn bevestigd met een tiewrap. De tiewrap wordt veiliggesteld en onderworpen aan DNA-onderzoek. Op het lange uiteinde van de kabelbinder wordt een DNA-profiel aangetroffen. Uit onderzoek naar dit DNA blijkt dat het afkomstig is van minimaal één persoon en dat dit DNA-spoor meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. Het hof neemt de conclusie uit het rapport over en concludeert dat het DNA-spoor van de verdachte afkomstig is
Verbalisant [verbalisant] beschrijft NN1 en NN2 aan de hand van de camerabeelden. NN1, die de granaat ophangt, heeft een slank/normaal postuur en draagt onder andere een jas met capuchon van het merk The North Face en een trainingsbroek. NN2 heeft ook een slank/normaal postuur en draagt onder andere een gewatteerde jas.
De verdachte wordt enige tijd later aangehouden in de woning aan de [adres 2] . De woning wordt doorzocht en bij de doorzoeking worden kledingstukken in beslag genomen. Aan de hand van de beelden vergelijkt verbalisant [verbalisant] de in beslag genomen kledingstukken met de kledingstukken die NN1 en NN2 dragen. Zij merkt de volgende gelijkenissen op:
Het hof concludeert op basis van bovenstaande bevindingen dat NN1 en NN2 dezelfde persoon is. Dat de aangetroffen kledingstukken van de vader of broer van de verdachte zouden kunnen zijn is niet aannemelijk geworden en laat bovendien onverlet dat de verdachte ook dan de beschikking heeft gehad over de betreffende kledingstukken.
Bij de doorzoeking wordt ook een telefoon in beslag genomen en vervolgens onderzocht. De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat de telefoon van hem is. Op 13 februari 2024 is met de telefoon van verdachte via Google de zoekopdracht “onderzoek naar mogelijke explosie Bos en Lommer" uitgevoerd. Vervolgens zijn twee artikelen bekeken over de aangetroffen handgranaat op de Rinus Michelslaan op de websites van het Parool en AT5.
Op zichzelf bezien is het juist -zoals ook de verdediging heeft betoogd- dat uit het enkele aantreffen van het DNA van verdachte op de tiewraps niet de conclusie kan worden getrokken dat het ook de verdachte is geweest die de airsoftgranaat heeft opgehangen. Op basis van het aangetroffen DNA, bezien in onderling verband en samenhang met alle andere hiervoor besproken feiten en omstandigheden, acht het hof echter bewezen dat de verdachte zowel NNI als NN2 is en dat hij de airsoftgranaat heeft opgehangen en op het complex de woorden “Tik Tak" en een pijl wijzend naar voornoemde granaat heeft geverfd.
Bedreiging (feit 1)
Het hof komt hierna tot het oordeel dat de verdachte een ander persoon verblijvende in het complex, namelijk [getuige] , heeft bedreigd.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Uit het dossier blijkt dat de politie ’s ochtends vroeg ter plaatse komt na een melding van bewoner en getuige [getuige] . [getuige] verklaart dat hij in shock was toen hij de granaat zag en dat hij direct 112 heeft gebeld. Het hof is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde gedragingen op zichzelf al voldoende is om bij de bedreigde de redelijke vrees te doen ontstaan dat de bedreiging daadwerkelijk zou worden uitgevoerd
Over het standpunt van de raadsman dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat [getuige] zich bedreigd voelde, overweegt het hof dat uit zijn verklaring dat hij in shock was en direct 112 heeft gebeld voldoende volgt dat hij zich weldegelijk bedreigd voelde. Door de airsoftgranaat te bevestigen aan de centrale toegangsdeur van een appartementencomplex, heeft verdachte ten minste de aanmerkelijke kans aanvaard dat in het complex verblijvende personen, zoals [getuige] , van de bedreiging op de hoogte zouden raken en dat bij hen de redelijke vrees zou ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.
Van medeplegen en van het bedreigen van de overige ten laste gelegde personen zal de verdachte
worden vrijgesproken, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Uit het dossier
is immers niet gebleken dat naast [getuige] nog andere personen van de bedreiging op de
hoogte zijn geraakt, noch dat de verdachte de bedreiging met anderen heeft gepleegd.
Voorhanden hebben van een airsoftgranaat (feit 3)
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte op 12 februari 2024 een airsoftgranaat heeft opgehangen aan de toegangsdeur van het appartementencomplex aan de Rinus Michelslaan. Op grond daarvan acht het hof ook bewezen dat de verdachte de airsoftgranaat die dag voorhanden heeft gehad. De airsoftgranaat is door deskundigen onderzocht. De conclusie van het rapport luidt dat de airsoftgranaat kan worden aangemerkt als een wapen conform categorie I, onder 7°, van artikel 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Het hof acht op grond van het voorgaande feit 3 wettig en overtuigend bewezen.
Oplegging van straffen en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
De verdediging heeft het hof verzocht om in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die het aantal dagen dat de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht overstijgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Explosies zijn de laatste jaren een terugkerend fenomeen in Amsterdam en hebben tot doel personen te intimideren. De verdachte heeft daar kennelijk mee willen dreigen door de airsoftgranaat op te hangen. Hij heeft zijn bedreiging bovendien bewust kracht bijgezet door met graffiti een pijl wijzend naar de airsoftgranaat op het complex te spuiten, met daarnaast de woorden "Tik Tak". Explosies hebben niet alleen grote impact op de direct betrokkenen, maar zorgen ook voor gevoelens van angst en onveiligheid in een buurt. De verdachte heeft de airsoftgranaat bevestigd aan de centrale toegangsdeur van een appartementencomplex, waar veel bewoners dagelijks doorheen moeten. De deur is bovendien gelegen aan de openbare weg. De airsoftgranaat was dus zichtbaar voor een ieder die langsloopt. Dat het ging om een airsoftgranaat en niet een 'echte' handgranaat, is daarbij niet van belang, omdat dat voor een
willekeurige passant niet is te zien. Gelukkig heeft de politie al vroeg in de ochtend kunnen ingrijpen en zo kunnen voorkomen dat het beeld van de granaat meer mensen angst zou aanjagen. Dat neemt niet weg dat de gehele buurt er vervolgens van op de hoogte zal zijn geraakt dat er een (airsoft)granaat was gevonden.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van de
verdachte van 27 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten, maar niet eerder voor een soortgelijk feit. Artikel 63 Sr is van toepassing.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van het over de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 30 juni 2026. De reclassering vermeldt dat verdachte al geruime tijd geen strafbare feiten meer lijkt te hebben gepleegd, en begeleid woont. De reclassering ziet mede daarom onvoldoende aanknopingspunten voor voortzetting van het toezicht, mede omdat de verdachte op dit moment is ingebed in vrijwillige hulpverlening.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor bedreiging door het tonen van een (nep)vuurwapen is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van vier maanden. Dit oriëntatiepunt lijkt van toepassing op een situatie waarbij aan één persoon een wapen wordt getoond om die persoon te bedreigen. De situatie in deze strafzaak, waarbij een airsoftgranaat aan een centrale toegangsdeur van een appartementencomplex is gehangen, is van een ernstigere orde, mede gelet op het aantal personen dat van de bedreiging op de hoogte had kunnen raken en de maatschappelijke context.
Het hof houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft inmiddels een omklapwoning via het Leger des Heils, is bezig met het afbetalen van zijn schulden en heeft succesvol een CoVa-traject afgerond. Daarnaast heeft hij dagbesteding als begeleider bij zwemlessen en is hij van plan zijn diploma’s te halen om zwemleraar te worden.
Het hof ziet in die persoonlijke omstandigheden aanleiding om de verdachte niet terug te sturen naar de gevangenis, omdat dit de ingezette positieve ontwikkeling zal doorkruisen. Om ervoor te zorgen dat de verdachte niet opnieuw recidiveert, acht het hof het wel aangewezen om een meldplicht bij de reclassering op te leggen. Weliswaar krijgt verdachte op dit moment hulp vanuit het begeleid wonen traject, maar deze hulp stopt op het moment dat het woonbegeleiding traject is afgerond. Gelet op de voorzichtige en op sommige punten kwetsbare weg omhoog, acht het hof het echter van belang dat ook daarna de begeleiding nog gewaarborgd is. Verdachte heeft verklaard dat hij gemotiveerd is om daaraan mee te werken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, passend en geboden. Om de ernst van het feit te benadrukken, zal het hof daarnaast ook een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen.
De redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met twee maanden. Gelet op de betrekkelijk geringe aard van de inbreuk en overschrijding, en de aard, duur en omvang van de op te leggen straf bestaat geen grond om aan dat oordeel enig rechtsgevolg te verbinden. Het hof volstaat dan ook met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
Beslag
Tiewrap
Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan en voorbereid met behulp van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven tiewrap. Het behoort de verdachte toe en zal daarom worden verbeurd verklaard.
Airsoftgranaat
Het onder 1 en 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van en met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven airsoftgranaat, die aan de verdachte toebehoorde. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Patronen
Bij het onderzoek naar de feiten zijn 9 stuks patronen aangetroffen. Het bezit van deze patronen was onder feit 2 aan de verdachte ten laste gelegd. Hij is daarvan door de rechtbank vrijgesproken, waardoor de patronen niet op grond van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan het verkeer kunnen worden onttrokken. Niet kan worden vastgesteld dat deze patronen aan de verdachte toebehoren, zodat deze ook niet op grond van artikel 36d Sr aan het verkeer kunnen worden onttrokken. Het hof gelast daarom dat de patronen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Vordering tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de straf wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, de beslagbeslissingen en de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 85 (vijfentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 14 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering (Leger des Heils) op het adres [adres 3] .
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Tiewrap (PL1300-20240334310-G6461688, Kabelbinder).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Handgranaat (PL1300-2024034310-G6463738, Airsoft handgranaat).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
9 STK Patroon (PL1300-2024034310-G6468456).
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2020 met parketnummer 18-199950-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.M.G. de Weerd, mr. W.F. Groos en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 augustus 2026.
Mr. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.