Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 20 26 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten, ter hoogte van Amstel [nummer] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- een brandende sigaret in het oog van die [slachtoffer 1] te gooien en/of
- die [slachtoffer 1] een en/of meermaals te duwen en/of
- die [slachtoffer 1] naar de grond en/of in het water (de Amstel) te duwen en/of
- die [slachtoffer 2] een en/of meermaals te duwen en/of
- die [slachtoffer 2] in het water (de Amstel) te duwen en/of te gooien en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] in het water achter te laten terwijl zij niet (voldoende) konden zwemmen en/of zelfstandig het water konden verlaten;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Zij heeft gemotiveerd aangevoerd dat er sprake is geweest van één langdurig groepsoptreden dat begon met lastigvallen en eindigde in het gepleegde geweld. Doordat de verdachte een duw heeft gegeven en van begin af aan deel uitmaakte van de groep die aangevers lastig viel, heeft hij ook bijgedragen aan het geweld.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de openlijke geweldpleging vanwege het gebrek aan bewijs van het bestanddeel ‘in vereniging’. Subsidiair is er volgens hem sprake van noodweer ten aanzien van de duw die de verdachte heeft gegeven.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Verdachte is samen met drie van zijn neven ( [persoon 1] , [persoon 2] en een derde neef) uit geweest in Amsterdam.
Aangever [slachtoffer 2] verklaart dat hij samen met aangever [slachtoffer 1] op de Amstel in de richting van het Muntplein liep. Ter hoogte van de rondvaartboten kwamen zij een groepje van twee á drie personen tegen, die bedreigende, homofobe en racistische opmerkingen tegen hen maakten. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] liepen toen weg, en na ongeveer twee minuten kwamen er twee personen weer teruggelopen. [slachtoffer 2] verklaart dat deze twee personen toen meteen zijn vriend [slachtoffer 1] in het water duwden. [slachtoffer 2] verklaart vervolgens dat hij naar de twee jongens is toegerend om hen in het water te duwen. Dat lukte niet en vervolgens is hij zelf in het water geduwd.
[slachtoffer 1] verklaart dat hij met [slachtoffer 2] aan de Amstel werd benaderd door een groep van drie mannen die in het midden van de straat liepen. Uit het niets begonnen deze drie mannen naar hen te schreeuwen en bedreigende opmerkingen te maken. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn vervolgens weggelopen. Ter hoogte van Amstel [nummer] zagen zij dat de drie mannen weer hun kant kwamen opgelopen. Een van de mannen had een brandende sigaret in zijn hand en schoot die in het rechteroog van [slachtoffer 1] . Vervolgens maakten alle drie de mannen beledigende opmerkingen en een van de mannen spuugde op het onderbeen van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is vervolgens (zo blijkt uit de camerabeelden) naar de overkant van de straat gelopen, langs de waterkant van de Amstel. [slachtoffer 1] verklaart dat één van de mannen wegliep bij het groepje en net als hij ook langs de waterkant stond. Omdat hij het gevoel had dat deze mensen hem niet met rust gingen laten, besloot hij hen stiekem te filmen. De man die bij de waterkant stond kwam vervolgens op hem aflopen, en hij zag dat hij zijn telefoon vastpakte en voelde dat hij hem weg trok. Hij voelde dat de man hem uit balans trok en hem op de grond gooide. [slachtoffer 1] viel, kwam terecht op de rand bij het water en rolde direct over de rand het water in.
[persoon 2] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment een kleine discussie kreeg met twee gasten (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ), dat hij op een gegeven moment weg van hen liep, richting het water en dat een van die gasten hem achterna liep en begon te filmen. [persoon 2] wilde toen zijn telefoon afpakken, er ontstond een worsteling, [persoon 2] duwde hem van zich af en die man viel in het water. Een paar seconden later kwam de vriend van die man op hem af, en wilde hem in het water gooien. Toen duwde [persoon 2] hem ook van zich af en viel de vriend ook in het water.
De verdachte verklaart over een eerdere woordenwisseling tussen zijn neven en twee gasten (het hof begrijpt: aangevers) en verklaart dat ze met elkaar gingen praten toen het was gesust. De verdachte is toen weggelopen. Hij verklaart dat er een neef bij de twee jongens was en dat hij en een andere neef naar twee meisjes bij de taxi’s liepen. Hij zag toen dat een van de twee jongens naar de gracht toeliep, dat zijn neef erachteraan liep en dat ze toen elkaar gingen duwen. Die jongen belandde in de gracht, en toen zag de verdachte de vriend van die jongen komen aanrennen om zijn neef de gracht in te gooien. Vervolgens is de verdachte met zijn andere neef daar naartoe gerend en duwde hij die jongen weg die bij het water stond om ze uit elkaar te halen. De verdachte verklaart dat hij vervolgens wegliep, en toen hij zich omdraaide zag hij dat die jongen in de gracht was beland.
Het hof stelt allereerst vast dat op basis van de inhoud van het dossier buiten alle twijfel staat dat [persoon 2] strafbaar heeft gehandeld door eerst [slachtoffer 1] en later [slachtoffer 2] in het water te gooien. [persoon 2] is daarvoor, net als [persoon 1] , ook veroordeeld. In deze zaak gaat het om de vraag of de verdachte daaraan een strafbare bijdrage heeft geleverd.
Het hof stelt allereerst vast dat uit de verklaringen en de beelden niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat precies de rol van de verdachte is geweest voorafgaand aan de worsteling tussen [persoon 2] en [slachtoffer 1] , en of hij een van de twee á drie personen was die aangevers eerder op de avond hebben beledigd en bedreigd. Evenmin kan met een voor een bewezenverklaring voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte deel uitmaakte van het groepje dat later aan de Amstel aangevers lastig viel en [slachtoffer 1] een sigaret in het oog heeft geschoten.
Vervolgens staat vast dat de verdachte een duw heeft gegeven aan [slachtoffer 2] op het moment dat [slachtoffer 2] op [persoon 2] kwam aangerend om hem in het water te duwen. Op dat moment was er geen sprake (meer) van een situatie waarin voor [slachtoffer 2] de noodzaak bestond om zichzelf of zijn vriend te verdedigen. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte eerder een bijdrage heeft geleverd aan het tegen aangevers gepleegde openlijk geweld. Onder die omstandigheden kan de door de verdachte gegeven duw dan ook niet worden gekwalificeerd als een bijdrage aan het tegen aangevers gepleegde openlijk geweld. Noch uit verklaringen, noch uit de beschikbare beelden blijkt verder van een bijdrage door de verdachte aan het tegen aangevers gepleegde openlijk geweld.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. L.M.G. de Weerd en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 augustus 2026.
Mr. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.