Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:
het hof overweegt dat de – in essentie ontkennende – verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, haar weerlegging vindt in de bewijsmiddelen en niet te rijmen valt met de verklaringen die de verdachte eerder heeft afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee en ter terechtzitting in eerste aanleg;
de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen worden vervangen door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft verzocht om, gelet op de beperkte strafwaardigheid van de gedragingen van de verdachte en gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf van minder dan 36 uren, gelet op de mogelijke vreemdelingrechtelijke consequenties van een hogere straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door [persoon] bij zijn illegale reis naar Nederland opzettelijk behulpzaam te zijn. Mensensmokkel druist in tegen de maatregelen tot bestrijding van de illegale toegang tot Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie. Daarnaast heeft het handelen van de verdachte het vertrouwen geschaad dat in het internationale personenverkeer in op naam gestelde (identiteits)documenten moet kunnen worden gesteld. Het LOVS-oriëntatiepunt bij mensensmokkel is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Het hof ziet in de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om van dat uitgangspunt, ten voordele of ten nadele van de verdachte, af te wijken. Gelet op de aard en de ernst van het feit en op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd, is het hof van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. In dat oordeel ligt besloten dat toepassing van artikel 9a Sr, dan wel oplegging van een taakstraf, niet aan de orde is.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg, mr. H.A. Stalenhoef en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 september 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]