Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Blijkens een akte intrekken rechtsmiddel van 18 augustus 2026 heeft de verdachte het hoger beroep willen intrekken. Intrekking van het hoger beroep is echter niet mogelijk, omdat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep reeds op een eerdere terechtzitting is aangevangen. Het hof leidt uit de akte intrekken rechtsmiddel af dat de verdachte zijn oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven. Nu het hof ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, analoog aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H. Sytema, mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 augustus 2026.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.