ECLI:NL:GHARL:2025:6480

ECLI:NL:GHARL:2025:6480, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-10-2025, 21-002788-21

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 21-10-2025
Datum publicatie 24-10-2025
Zaaknummer 21-002788-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Een grote afvalstoffenverwerker uit [Plaats], bestaande uit drie BV’s, is door het gerechtshof veroordeeld voor de verkeerde opslag van asbest en accu’s en valsheid in geschrift van vele nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven die zien op vijf ontdoeners van accu’s. Ook de bestuurder is voor deze feiten veroordeeld en een medewerker alleen voor de valsheid in geschrift. Anders dan de rechtbank verklaart het gerechtshof de valsheid in geschrift van alle vijf de ten laste gelegde ontdoeners bewezen. De bestuurder is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De opslag en de vervalsingen gebeurden onder zijn leiding. De medewerker krijgt een taakstraf opgelegd van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De [BV 1] krijgt een boete opgelegd van 45.000 euro, waarvan 20.000 voorwaardelijk. De [BV 2] en de [BV 3] moeten 72.000 euro betalen, waarvan 30.000 euro voorwaardelijk. De BV’s krijgen een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Accu’s

9.7

De opslag van oude accu’s moet geschieden in vloeistofdichte en zuurbestendige bakken. De inhoud van een bak dient ten minste gelijk te zijn aan de vloeistofinhoud van de daarin opgeslagen accu’s. De bakken moeten in de daartoe bestemde overdekte opslagloods zijn opgesteld, zodanig dat deze tegen inregenen zijn beschermd.

Op 6 mei 2010 heeft de provincie Gelderland de 8.19 WM-melding geaccepteerd. Dit betreft het vergroten van de opslag van 50m3 naar maximaal 500m3. Hierbij wordt dit ondergebracht in een nieuw te bouwen hal. Daarbij is opgetekend dat de opslag van accu’s alleen mag plaatsvinden in bedrijfshal 1, gevestigd op het adres [adres 1] . Voorschrift 9.7 is niet gewijzigd bij de door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan verdachte verleende beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer [Zaak nummer] ).

Op 11 februari 2018, 24 maart 2018 en 9 juli 2018 zijn luchtfoto’s genomen van de gezamenlijke inrichting van [Medeverdachte B.V. 1] en [Medeverdachte B.V. 2] , gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] in [Plaats 1] . Uit onderlinge vergelijking van de verschillende foto’s blijkt dat op alle drie data opslag van accu’s op het terrein in de buitenlucht plaatsvond. Op voornoemde data zijn er grote hoeveelheden losse accu’s in de buitenlucht zichtbaar. Deze zijn niet in bakken geplaatst en niet tegen regen beschermd. Ook zijn er verspreid over het bedrijfsterrein diverse bakken met accu’s, niet tegen inregenen beschermd, waargenomen.

Op 12 juli 2018 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst [Regio] geconstateerd dat er oude accu’s in bakken op het buitenterrein aan de [adres 1] in [Plaats 1] worden opgeslagen. Verbalisant [Naam] constateert dat er naast het kantoor met de weegbrug diverse bakken met accu’s op pallets staan. Ook ziet hij op andere plekken op het bedrijfsterrein buiten diverse bakken met accu’s op pallets staan. In de bedrijfshal zijn geen bakken met accu’s geplaatst. Op het terrein ziet de verbalisant een blauwe container staan gevuld met accu’s. Aan de onderzijde van deze container ziet hij een gat zitten, zodat de container niet vloeistofdicht is.

Getuige [Getuige 1] verklaart op 12 juli 2018, als volgt:

… ‘Ik ben werknemer in vaste loondienst bij [naam verdachte] .

… Ik ben het meeste met accu’s bezig.

(V) Worden er ook afvalstoffen gemengd binnen de inrichting van [naam verdachte] ?

(A) Nee. De accu‘s worden niet in de hal opgeslagen maar op het terrein.

Getuige [Getuige 2] verklaart op 19 december 2018, als volgt:

…‘Ik ben KAM coördinator bij [naam verdachte] .

(V) Welke onderneming is volgens u verantwoordelijk voor de opslag voor accu‘s?

(A) Dat valt onder de vergunning van de [Verdachte B.V.] De handel is echter van [Medeverdachte B.V. 2] .

(V) Waar en hoe horen de accu’s opgeslagen te worden volgens de milieuvergunning?

(A) Volgens de milieuvergunning moeten ze opgeslagen worden in een hal.

…Er mag geen water bij komen’.

Op 4 december 2020 verklaart getuige [Getuige 3] , als volgt:

…‘Ik sta op de loonlijst van [Medeverdachte B.V. 1]

…Ik ben planner voor alle BV’s van [naam verdachte] .

(V) Wat is uw rol bij het doen van meldingen bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen?

(A) Ik doe de meldingen bij het LMA.

(V) Welke onderneming is verantwoordelijk voor de opslag van accu‘s?

(A) Ik ga uit van [Medeverdachte B.V. 2]

Op 10 december 2020 verklaart getuige [Naam] ter terechtzitting, als volgt:

…‘Mijn beroep is toezichthouder bij de Omgevingsdienst [Regio] .

…Uit de vergunning blijkt wel duidelijk dat de accu ‘s in een bak moeten worden opgeslagen en onder een afdak.

…De bakken moeten vloeistofdicht zijn.

…Volgens de vergunning is het niet toegestaan om de accu ‘s even buiten te laten staan voor het laden en lossen.

Bewijsoverwegingen

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat op het bedrijfsterrein van [naam verdachte] aan de [adres 1] in [Plaats 1] handel in accu’s plaatsvindt. Hiervoor is door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een vergunning aan verdachte verleend in het kader van de Wet Milieubeheer. Vanaf 1 oktober 2010 is deze vergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht.

De omgevingsvergunning betreft een vergunning die ziet op regels die gelden binnen het gesloten terrein van de inrichting. In voorschrift 9.7 is vastgelegd dat accu’s opgeslagen dienen te worden in vloeistofdichte en zuurbestendige bakken. De bakken moeten daarnaast in een overdekte opslagloods zijn opgesteld, zodat deze tegen inregenen beschermd zijn. Uit de genomen luchtfoto’s en de constatering door de toezichthouders van de Omgevingsdienst [Regio] en verbalisant [Naam] is af te leiden dat dit voorschrift structureel niet wordt nageleefd in de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 en dat (in ieder geval op 12 juli 2018) de bedrijfshal in kwestie niet (meer) wordt gebruikt als overdekte opslagloods voor bakken met accu’s. Getuige [Getuige 1] bevestigt dit door zijn verklaring dat de accu’s niet in de hal maar op het terrein werden opgeslagen. Met betrekking tot dit buiten aantreffen van de accu’s heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake was van opslag maar van overslag van de accu’s op het bedrijfsterrein van [naam verdachte] . De rechtbank heeft geconstateerd dat noch in de omgevingsvergunning noch in het hiervoor genoemde voorschrift 9.7 gesproken wordt van overslag van accu’s. De omgevingsvergunning is duidelijk en kan in het licht van het stringent wettelijk systeem betreffende de binnen de inrichting geldende vergunde handelingen met betrekkingen tot gevaarlijke afvalstoffen niet anders worden opgevat dan een verbod op het buiten de hal al dan niet tijdelijk opslaan van accu’s. Dit wordt ook onderstreept door de verklaring van KAM coördinator [Getuige 2] en de verklaring van toezichthouder [Naam] . Een ruimere interpretatie zoals de verdediging voorspiegelt, is dan ook niet aan de orde. Voor het opslaan in de buitenruimte had verdachte zich tot het bevoegde gezag moeten wenden met het verzoek de vergunning te wijzigen.

Het hof gaat niet mee met het verweer dat opslaan en overslaan inwisselbare begrippen zijn. Het begrip overslaan is gedefinieerd in de vergunningsbeschikking, op pagina B1083 van het dossier:

“de term overslaan omvat handelingen zoals (be)laden, lossen, overladen, hevelen e.d. al dan niet op pneumatische of mechanische wijze, bijvoorbeeld door middel van kranen, transportbanden of leidingen.”

Het hof leest deze begripsbepaling aldus dat met overslaan de hiervoor genoemde (daadwerkelijk fysieke) handelingen worden bedoeld. Daaronder valt niet het opslaan van goederen, ook niet wanneer dit kortstondig plaatsvindt.

Toerekening aan verdachte

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hiernavolgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest arrest (HR 21 oktober 2003. ECLI:NL:HR:2003:AF7938.):

De hiervoor genoemde handel en het opslaan van accu’s zijn gedragingen die passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte, die voor wat betreft de opslag tevens vergunninghouder is. De gedraging bestaande uit het in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning buiten op het bedrijfsterrein aan de [adres 1] in [Plaats 1] (gemeente [Plaats 1] ) opslaan van accu’s kan daarom in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.

Opzet

Gelet op artikel 2 van de Wet op de economische delicten en de tenlastelegging moet worden beoordeeld of de gedragingen al dan niet opzettelijk zijn verricht. Opzet en/of wetenschap is geen bestanddeel van de tenlastegelegde overtreding van de Wet Algemene Bepalingen omgevingsrecht. Het ontbreken van wetenschap van de verboden gedraging is niet aan de orde. Volgens vaste jurisprudentie volstaat kleurloos opzet. In dit geval is het voldoende dat er opzet was op het binnen de inrichting in strijd met de omgevingsvergunning buiten de opslagloods en niet in vloeistofdichte containers opslaan van accu’s zonder enige bescherming tegen inregenen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat er sprake is geweest van opzet in voormelde zin

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De omgevingsvergunning is zodoende niet gekoppeld aan de persoon van de houder, maar volgt als het ware het project en heeft daarom een zaaksgebonden karakter. De verboden gedraging betreft het binnen de inrichting opslaan van accu’s in niet vloeistofdichte containers in de buitenruimte, zijnde een niet vergunde opslagplaats, waarbij de accu’s niet beschermd zijn tegen inregenen. Zoals uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt vindt de handel in accu’s plaats door [Medeverdachte B.V. 2] en [Medeverdachte B.V. 1] Namens [Medeverdachte B.V. 2] worden de accu’s ontvangen. Dat gebeurt op het bedrijfsterrein, waarvoor aan verdachte een vergunning betreffende een afvalstoffen inrichting is afgegeven, waarna namens [Medeverdachte B.V. 1] de ontvangsten gemeld worden aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). Aldus is sprake van een vervlochten bedrijfsvoering, hetgeen ook uit de verklaring van getuige [Getuige 3] blijkt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met voornoemde B.V.’s.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Bewijsmiddelen

Op 27 mei 2003 heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een aanvraag van verdachte ontvangen voor het veranderen en inwerking hebben van de gehele inrichting. De inrichting is onder meer bestemd voor het op- en overslaan van diverse (gevaarlijke) afvalstoffen en het verwerken van diverse (gevaarlijke) afvalstoffen. De inrichting is gelegen aan de [adres 2] , [adres 1] en de [adres 3] in [Plaats 1] , kadastraal bekend bij de (toenmalige) [gemeente 2] , [sectie] , nummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] . Op 29 juni 2006 is per beschikking door Gedeputeerde Staten de vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer verstrekt aan verdachte voor de duur van 10 jaar. In de aanvraag heeft verdachte aangegeven asbest op een milieu hygiënisch verantwoorde wijze op te zullen slaan. Direct na acceptatie wordt het asbest opgeslagen in een speciale afsluitbare en vloeistofdichte asbestcontainer. In de voorschriften 9.13 en 9.14 is de wijze van opslaan van asbest opgenomen:

Asbest

De op- en overslag van asbesthoudend isolatie- en bouwmateriaal moet plaatsvinden ineen daartoe bestemde container.

De opslagplaats moet, behoudens tijdens het inbrengen van asbesthoudend materiaal, zijn afgesloten. Op of nabij de opslagplaats moet op duidelijke wijze zijn aangegeven dat het gaat om de opslag van bedoelde stoffen.

Deze voorschriften zijn niet gewijzigd bij de aan verdachte verleende beschikking van 9 mei 2011.

Op 12 juli 2018 wordt door buitengewoon opsporingsambtenaar [ambtenaar] een controle uitgevoerd op onder meer de locatie [adres 1] in [Plaats 1] . Zij constateert op een opslaglocatie van containers en vrachtwagens (asbestlocatie 2) tien containers met vermoedelijk asbesthoudende materialen. In de containers liggen witte plastic zakken. Op de containers is plastic bevestigd met daarop de waarschuwingstekst “asbest”. Bij 3 containers ziet verbalisante asbest verdachte materialen met de buitenlucht in contact treden. De containers zijn niet afgesloten. Tevens zit er over de containers geen afdekzeil. Uit één van de containers zijn twee monsters genomen van de vermoedelijk asbesthoudende golfplaten. Ook wordt er uit een andere container een monster genomen. Uit de analyse van de monsters blijkt dat deze asbest bevatten.

Op een andere locatie (asbestlocatie 3) op het terrein staan twee containers met daarin witte plastic zakken met daarop de tekst “asbest”. Deze plastic zakken waren niet deugdelijk afgesloten. Verbalisante zag dat de inhoud door kieren in de zakken met de buitenlucht in contact kwam. Op de bijgevoegde foto’s is te zien dat deze containers niet met een dekzeil zijn afgedekt. De heer [Getuige 3] vertelt aan [ambtenaar] dat in deze containers asbesthoudende grond zit, welke nog afgevoerd moet worden naar [bedrijf] . [Getuige 3] overhandigt een kopie van de offerte voor het afvoeren van ongeveer 44 ton asbesthoudende grond naar [Naam bedrijf] in [Plaats 2] .

Getuige [Getuige 3] verklaart op 4 december 2018, als volgt:

…‘Ik sta op de loonlijst van [Medeverdachte B.V. 1] .

…Ik ben planner voor alle BV’s van [naam verdachte] .

(V) Wat weet ik van de opslag van asbesthoudend materiaal binnen de inrichting?

(A) Ik weet dat het afgedekt moet zijn.

Vrijspraak overtreden voorschrift 9.15

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van voorschrift 9.15 van de omgevings-vergunning. Op 12 juli 2018 is er weliswaar door verbalisant [ambtenaar] asbesthoudend materiaal aangetroffen maar het procesdossier verschaft niet in voldoende mate duidelijkheid over:

- de vorm waarin het asbesthoudende materiaal is geaccepteerd en

- op welk moment deze acceptatie van het asbesthoudende materiaal heeft plaatsgevonden.

Gelet op het ontbreken van wettig bewijs voor het accepteren van asbesthoudend materiaal dat niet deugdelijk verpakt is volgens voorschrift 9.15 van de omgevingsvergunning zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewijsoverweging overtreden voorschrift 9.14

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat op het bedrijfsterrein van [naam verdachte] aan de [adres 1] in [Plaats 1] de opslag van (gevaarlijke) afvalstoffen, waaronder asbest plaatsvindt en dat de opslag van vorenbedoelde asbesthoudende afvalstoffen op 12 juli 2018 plaatsvond in een opslagplaats (container) die – in strijd met vorenbedoeld vergunningsvoorschrift 9.14 – niet afdoende was afgesloten.

Toerekening aan verdachte

Zoals hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is overwogen, kan een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewijs volgt dat verdachte op 12 juli 2018 in [Plaats 1] asbesthoudend materiaal heeft opgeslagen in daartoe bestemde containers die niet met een dekzeil afgesloten waren, waardoor er asbesthoudende materiaal met de buitenlucht in contact kwam. Het opslaan van asbesthoudend materiaal is een gedraging die past in de normale bedrijfsvoering van verdachte, die tevens vergunninghouder is. De gedraging bestaande uit het in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning asbesthoudend materiaal in onafgedekte containers opslaan, kan in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend, omdat het opslaan van asbesthoudend materiaal in de normale bedrijfsvoering past.

Opzet

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van het opzet bij overtredingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is overwogen, overweegt de rechtbank het navolgende. Voor het bewezen verklaren van opzet is voldoende dat er opzet was op het binnen de inrichting in strijd met de omgevingsvergunning opslaan van asbesthoudend materiaal in niet afgesloten containers.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat er sprake is geweest van opzet in voormelde zin.

Medeplegen

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging, nu het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 te [Plaats 1] in de [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,

heeft gehandeld in strijd met één of meer voorschrift(en) dat/die verbonden was/waren aan een omgevingsvergunning die betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer bij besluit(en) van 29 juni 2006 met kenmerk [kenmerk] en/of beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer [Zaak nummer] ) door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan haar verleende (revisie)vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres 1] te [Plaats 1] , kadastraal bekend gemeente [Plaats 1] , [sectie] , nummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] , aangezien de accu’s niet werden opgeslagen in vloeistofdichte en/of zuurbestendige bakken en/of containers en/of werden de accu's niet opgeslagen in bakken in een daartoe bestemde overdekte opslagloods, zodanig dat deze tegen inregenen zijn beschermd (vergunningvoorschrift 9.7 bijlagendossier ordner 3 p. B1105),

2.zij op of omstreeks 12 juli 2018 te [Plaats 1] in de [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een voorschrift dat verbonden was aan een omgevingsvergunning die betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer bij besluit(en) van 29 juni 2006 met kenmerk [kenmerk] en/of beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer [Zaak nummer] ) door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan haar verleende (revisie)vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres 1] te [Plaats 1] , kadastraal bekend gemeente [Plaats 1] , [sectie] , nummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] ,

aangezien binnen de inrichting (op asbest locatie 2 en asbest locatie 3, bijlagendossier ordner 5, B1980) asbesthoudend afval werd geaccepteerd en/of opgeslagen dat niet in dubbel plastic van minimaal 0.2 cm dik was verpakt en/of dat niet was opgeslagen in afgesloten containers, althans niet in containers afgesloten door een dekzeil (vergunningvoorschrift 9.15, bijlagendossier ordner 3, p. B1105);

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 45.000,-, waarvan € 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit komt neer op een correctie van 10% vergeleken met de straf van de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is bepleit om geen straf of maatregel op te leggen gelet op de handelswijze van het openbaar ministerie en de overheid. Verder moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft – als grote afvalstoffenverwerker – in de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 in [Plaats 1] in strijd met de aan haar verleende omgevingsvergunning accu’s in (niet vloeistofdichte) containers opgeslagen op het buitenterrein, zonder enige bescherming tegen inregenen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in strijd met de omgevingsvergunning opslaan van asbesthoudend materiaal in niet afgesloten containers.

Het is in het belang van de volksgezondheid en de bescherming van het milieu dat er wettelijke voorschriften gelden ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen. Deze regels zijn er om het vervuilen van het milieu zo veel mogelijk tegen te gaan en om handelingen met betrekking tot (gevaarlijke) afvalstoffen te reguleren. Door zich niet te houden aan deze regels heeft verdachte voordeel gehad ten opzichte van concurrenten die zich wel aan de geldende voorschriften houden en heeft verdachte op de koop toegenomen dat er schade toegebracht kan worden aan het milieu. Het hof rekent dit verdachte als grote speler in de afvalstoffenbranche aan, alsmede het feit dat slechts na bestuursdwang en een vordering onder dwangsom het handelen binnen de [naam verdachte] -groep is aangepast.

Uit het strafblad van verdachte van 12 augustus 2025 blijkt dat verdachte meermaals is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Het hof acht met het hiervoor besprokene in achtgenomen in beginsel een geldboete van

€ 50.000,-, waarvan € 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Het hof houdt rekening met het feit dat de procedure niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. Namens verdachte is op 16 juni 2021 hoger beroep ingesteld en dit arrest wordt gewezen op 21 oktober 2025. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met 2 jaren en ongeveer 4 maanden overschreden. Alhoewel in eerste aanleg – uitgaande van een aanvangsdatum van 21 juli 2020, zijnde de datum waarop de inleidende dagvaarding aan verdachte is betekend – formeel geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, is de totale termijn van vier jaren waarbinnen een zaak afgerond dient te zijn met 1 jaar en ongeveer 3 maanden overschreden. Het hof zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn een strafvermindering van 10 % toepassen op het onvoorwaardelijke strafdeel.

Alles afwegende acht het hof een geldboete van € 45.000,-, waarvan € 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2.1 en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 20.000,00 (twintigduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. M.L. Plas, voorzitter,

mr. S. Bek en mr. O.F. Essens raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Salvino, griffier,

en op 21 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.L. Plas
  • mr. S. Bek
  • mr. O.F. Essens

Griffier

  • mr. S.J.H. Salvino

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand