ECLI:NL:GHARL:2025:7178

ECLI:NL:GHARL:2025:7178, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-11-2025, 21-004389-23

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-11-2025
Datum publicatie 13-11-2025
Zaaknummer 21-004389-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Vrijspraak voor het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen of laten van iemand tot wiens verzorging hij krachtens wet en/ of overeenkomst verplicht was (art. 255 sr). Veroordeling voor het aan zijn schuld te wijten zijn van het overlijden van een patiënt waarop verdachte toezicht moest houden (artikel 307 Sr). Schuld in de vorm van nalaten. Causaal verband met de dood

Uitspraak

Oordeel hof

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt strafbaar het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen of laten van iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging of krachtens wet of overeenkomst is verplicht. Onder hulpeloze toestand wordt verstaan een toestand waarin concreet gevaar voor de gezondheid of het leven bestaat van de persoon ten aanzien waarvan de verplichting tot onderhoud, verpleging of verzorging bestond.

Voor een veroordeling ter zake van artikel 255 Sr is blijkens de wettekst opzet vereist. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Het hof ziet zich aldus voor de vraag gesteld of de verdachte [slachtoffer] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten en zich dus schuldig heeft gemaakt aan artikel 255 Sr. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.

Het hof acht de lezing van de verdachte, zoals hierboven onder ‘feiten’ weergegeven aannemelijk. Het hof zal voor de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden dan ook uit gaan van de verklaring van de verdachte.

Uit het dossier komt naar voren dat [slachtoffer] bij oplopende spanning en/of frustratie (onder meer) zichzelf tegen zijn hoofd tikte/sloeg. Om de spanning te verminderen moest de verzorging hem (snel) nabijheid geven en hem geruststellen. Uit het dossier komt ook naar voren dat [slachtoffer] twee keer eerder is aangetroffen met zwellingen/verdikkingen in de nek, waarvoor geen oorzaak kon worden achterhaald. Ook heeft [slachtoffer] zich eerder zodanig geslagen dat hij zichzelf een hoofdwond heeft toegebracht.

Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat [slachtoffer] in de nacht van 28 op 29 augustus 2022 onrustig was, hij zichzelf sloeg en dat de verdachte drie keer die nacht naar [slachtoffer] is geweest om de gewenste nabijheid te geven en [slachtoffer] gerust te stellen. Na het tweede bezoek, waarbij hij [slachtoffer] naast zijn bed heeft aangetroffen, is de verdachte nog eenmaal naar [slachtoffer] gegaan, omdat [slachtoffer] zichzelf opnieuw aan het slaan was. Bij dit bezoek merkte de verdachte dat [slachtoffer] schor klonk. Daarna is [slachtoffer] gaan slapen.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, door op het waterbed te gaan liggen en te gaan slapen niet voldoende zicht gehouden op [slachtoffer] . Daarmee is echter nog niet bewezen dat hij daarmee bewust de kans heeft aanvaard dat hij niet of te laat zou ingrijpen op het moment dat de spanning bij [slachtoffer] tijdens de nachtelijke uren zou oplopen. Hoewel bekend was dat [slachtoffer] zich bij oplopende spanning (hard) kon slaan, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de kans op het gevaar voor de gezondheid van [slachtoffer] , zoals dat zich nu heeft gemanifesteerd (los van het gevaar dat [slachtoffer] reeds zelf vormde voor zijn eigen gezondheid), aanmerkelijk was en de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Daarbij is het hof met de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat de verdachte ervan uitging dat hij wel wakker zou worden en dat hij in zou kunnen grijpen zodra er wat met [slachtoffer] aan de hand was, zoals ook eerder die nacht was gebeurd, nadat de verdachte voor de eerste keer was gaan slapen. Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een situatie liet ontstaan waarin hij [slachtoffer] niet op tijd de hulp kon bieden die nodig was om te voorkomen dat [slachtoffer] zichzelf ernstig(er) in gevaar zou kunnen brengen.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de situatie van [slachtoffer] na het tweede, dan wel derde bezoek aan [slachtoffer] niet dusdanig manifest en voor de verdachte kenbaar (mogelijk) levensbedreigend was dat het niet anders kan dat de verdachte, zich bewust van de risico’s, willens en wetens er voor heeft gekozen de medische dienst niet in te schakelen. Het hof acht dan ook anders dan de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen dat bij de verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, aanwezig is geweest op het in hulpeloze toestand brengen of laten van [slachtoffer] . Uit het -aan het einde van zijn dienst- wissen van de SD kaart met de beelden van [slachtoffer] en het surfen op zijn mobiel met bepaalde zoektermen kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte zich er van bewust was dat sprake was van een zodanig (ernstige) situatie voor [slachtoffer] dat hiervoor het inschakelen van de medische dienst noodzakelijk was.

Concluderend acht het hof het onder 2 primair tenlastegelegde niet bewezen en zal het hof de verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde dood door schuld

Beoordeeld dient vervolgens te worden of bij het (niet) handelen van de verdachte sprake is van schuld. Schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht komt in beeld als een verdachte een bepaald gevolg (de dood) niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat de verdachte in kwestie niet alleen anders had moeten handelen (vermijdbaarheid) maar ook anders had kunnen handelen (verwijtbaarheid). Daarbij is niet elke fout die wordt gemaakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. In strafrechtelijke bewoordingen: om tot een veroordeling te kunnen komen moet er minimaal sprake zijn van ‘verwijtbaar aanmerkelijk onzorgvuldig of onvoorzichtig gedrag’. Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Met betrekking tot de vraag of verdachte schuld heeft aan de dood van [slachtoffer] stelt het hof vast dat:

Op grond van het vorenstaande kan gezegd worden dat de verdachte de op hem rustende zorgplicht jegens [slachtoffer] niet is nagekomen. De verdachte kan daarvan een verwijt worden gemaakt. Gelet op de zorg die [slachtoffer] nodig had kan met name het nalaten zicht te houden op [slachtoffer] als aanmerkelijk onachtzaam en nalatig worden beschouwd.

Daarnaast is de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en nalatig geweest door na (het samenstel van) verschillende waarnemingen – het aantreffen van [slachtoffer] naast zijn bed, terwijl [slachtoffer] kort daarvoor nog op zijn bed stond, het zien dat [slachtoffer] zichzelf hard tegen de keel sloeg en het horen dat [slachtoffer] hees klonk – geen medische hulp in te schakelen. De verdachte heeft daarbij misplaatst vertrouwd op een goede afloop. De verdachte had naar het oordeel van het hof anders moeten en kunnen handelen. Het hof acht aldus bewezen dat de verdachte dermate verwijtbaar en aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld dat sprake is van (bewuste) schuld als bedoeld in artikel 307 Sr.

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of de dood van [slachtoffer] toe te rekenen is aan het (niet)handelen van de verdachte. Naar vaste rechtspraak dient de causaliteit tussen de gedragingen van de verdachte en het gevolg te worden bepaald aan de hand van de redelijke toerekening. Hiervoor is in het geval als dit vereist dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden in zodanige mate heeft verhoogd dat het overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van zijn handelen of nalaten.

Door het niet voortdurend toezicht houden op [slachtoffer] en als gevolg daarvan niet tijdig hebben kunnen ingrijpen bij de oplopende spanning van [slachtoffer] heeft [slachtoffer] zich (ernstig) verwond. Daarmee heeft de verdachte naar het oordeel van het hof het gevaar dat [slachtoffer] zou komen te overlijden -welk gevaar zich heeft verwezenlijkt- in zodanige mate verhoogd dat het overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Aldus is sprake van causaal verband tussen het gedrag (nalaten) van de verdachte en de dood van [slachtoffer] . Dat op de dag van het overlijden de keuze is gemaakt om [slachtoffer] niet verder te behandelen en [slachtoffer] door het achterwege laten daarvan is komen te overlijden staat daaraan niet in de weg. Het hof is van oordeel -in lijn met het zogenoemde arrest ‘niet behandelde longinfectie’ (ECLI:NL:HR:1996:ZD0496)- dat de verdachte de omstandigheden in het leven heeft geroepen die de familie van [slachtoffer] ertoe hebben gebracht de beslissing te nemen af te zien van verdere medische behandeling. De beslissing om [slachtoffer] niet verder te behandelen heeft in de keten der gebeurtenissen niet een zodanige invloed gehad dat de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs niet meer als gevolg van de nalatigheid van de verdachte aan de verdachte kan worden toegerekend.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen dan wel het nalaten van de verdachte en de dood van het slachtoffer, alsmede dat het gevolg aan de schuld van de verdachte te wijten is. Het hof verwerpt dan ook de verweren en acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2022, te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onachtzaam en onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig:

‒ niet heeft zorggedragen voor een constant en/of direct en/of voldoende toezicht op (de (lichamelijke) toestand) van [slachtoffer] , immers is hij, verdachte, gaan slapen, terwijl hij in het kader van de door hem uitgeoefende (waak)dienst wakker diende te blijven teneinde voornoemde [slachtoffer] tijdig de benodigde zorg en/of aandacht/nabijheid te kunnen bieden en/of

‒ die [slachtoffer] adequate verzorging en/of inschakeling van medische hulp/verzorging onthouden, althans geen adequate maatregelen genomen, en aldus die [slachtoffer] in een situatie gebracht en/of gehouden die voor de gezondheid en/of het welbevinden van die [slachtoffer] gevaarlijk en/of schadelijk was en/of kon zijn, immers heeft hij, verdachte, nadat hij wist, of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat voornoemde [slachtoffer] letsel aan zijn hals/nek had opgelopen, niet de medische dienst ingeschakeld en/of aan de medewerkers van de vroege dienst in strijd met de waarheid gerapporteerd dat er geen bijzonderheden waren,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van feit 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen waarvan 52 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een taakstraf gevorderd voor de duur van 100 uren, deze te vervangen door 50 dagen hechtenis in geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd een beroepsverbod om in de gezondheidszorg te werken gedurende drie jaren op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde en zich gerefereerd ten aanzien van hetgeen meer subsidiair ten laste is gelegd. De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en verzocht de verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte jarenlang naar volle tevredenheid zorg heeft geboden aan hulpbehoevenden en dat de omstandigheden waaronder de zorg werd geboden bijzonder zwaar waren te noemen. Direct na het vonnis heeft de verdachte in oktober 2023 zijn zorgwerkzaamheden weer opgepakt. Zijn opdrachtgevers zijn lovend over hem en er zijn geen incidenten meer geweest. Er is geen sprake van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een gevaar vormt voor de lichamelijke integriteit van anderen. Daarom acht de raadsman oplegging van een beroepsverbod niet opportuun. Ook ziet de raadsman geen reden om de verdachte bij een (deels) voorwaardelijke straf een langere proeftijd dan de gebruikelijke twee jaar op te leggen.

Oordeel hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen, en vindt daarin de reden dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt, dat de verdachte aanmerkelijk onachtzaam en nalatig heeft gehandeld ten gevolge waarvan de zorg voor het slachtoffer [slachtoffer] te kort is geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Dit overlijden heeft diepe sporen nagelaten in de levens van de nabestaanden. Er is hen onherstelbaar leed toegebracht. Ook heeft het overlijden van [slachtoffer] en alle omstandigheden waaronder effect gehad op de medewerkers van [zorginstelling] die bij de zorg van [slachtoffer] betrokken waren.

Daarnaast heeft het hof gelet op het strafblad van de verdachte van 26 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden (voor 2015) eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet eerder voor het plegen van een soortgelijk feit.

Ook heeft het hof bij het bepalen van de hoogte van de straf in aanmerking genomen dat het hier een feit van oudere datum betreft. Over het procesverloop in hoger beroep in deze zaak overweegt het hof het volgende.

Op 21 oktober 2022 is de verdachte aangehouden en op 13 september 2023 is hij door de rechtbank vrijgesproken. Door de officier van justitie is vervolgens op 25 september 2023 hoger beroep ingesteld. De inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep stond gepland op 30 oktober 2025 en het hof doet uitspraak op 13 november 2025. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van hoger beroep in beperkte mate, te weten met ruim een maand, overschreden. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de redelijke termijn van berechting te overschrijden.

Alles overwegende ziet het hof aanleiding om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen waarvan 53 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren. Aangezien verdachte reeds 97 dagen in voorarrest heeft gezeten, en deze tijd van de onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf wordt afgetrokken, hoeft verdachte niet terug naar de gevangenis.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, gelet op alle (persoonlijke) omstandigheden onvoldoende aanleiding om een beroepsverbod op te leggen.

Beslag

Het hof gelast dat de in beslag genomen telefoon wordt teruggegeven aan de verdachte nu het strafvorderlijk belang zich daartegen niet verzet.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 53 (drieënvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven een telefoon van het merk [merk] (in beslag genomen onder het kenmerk PL0900-2022254506-G3063393).

Dit arrest is gewezen door mr. S. Taalman, mr. M. Keppels en mr. N.I.S. Boers, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 november 2025.

mr. Boers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 november 2025.

Tegenwoordig:

mr. S. Taalman, voorzitter,

mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,

mr. M. Klein, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand