Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
2 x 17 km + 16 km = 50 km x 2 = 100 km per week.
Per jaar:
52 x 100 = 5200 kilometer.
2 x 5 km = l0 km + 16 km = 26 km x 2 =52 km
Per jaar:
52 x 52 = 2704 km
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 25 november 2025 veroordeeld voor het in de periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016 opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om door middel een lottospel mede te dingen naar prijzen en/of premies. Hij heeft de feiten tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gepleegd en heeft hiervan een gewoonte gemaakt.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald. Daarnaast is het hof van oordeel dat betrokkene financieel voordeel heeft behaald uit soortelijke feiten, ten aanzien waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan. Het gaat dan om het samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om door middel een lottospel mede te dingen naar prijzen voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit, te weten in de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013. De verjaring staat niet aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de weg.
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit het hof zich aan bij de berekening zoals die door de rechtbank is gegeven. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de hierna weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat. Aangezien de berekening is gebaseerd op objectieve gegevens en betrokkene zelf geen verklaring heeft afgelegd over het voordeel dat hij heeft genoten, ziet het hof geen reden om van de door de rechtbank uitgegane berekening af te wijken. Het hof neemt de bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank hieronder cursief over. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof zijn niet-cursief weergegeven.
Omvang loterij
Bij [medeverdachte 1] werd tijdens een doorzoeking op 10 april 2016 in een emmer een
omvangrijke partij (te weten 1632) ingevulde lottobriefjes aangetroffen. Op de aangetroffen ingevulde lottobriefjes staat de datum 2 april 2016 vermeld.
De rechtbank is van oordeel dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen
voordeel kan worden uitgegaan van de bij [medeverdachte 1] aangetroffen hoeveelheid loten. Het
dossier bevat voldoende ondersteuning dat de bij [medeverdachte 1] aangetroffen loterijbriefjes
van één trekking representatief zijn voor de door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en veroordeelde
gedurende de bewezenverklaarde periode (87 maanden) georganiseerde illegale lotto. De
rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
[medeverdacht 3] heeft verklaard dat hij gedurende tien jaar (vanaf het jaar 2006) één a twee keer
per jaar lottoboekjes met 50 loten per boekje aan veroordeelde verkocht. In het begin betrof het 100 boekjes, later 300 boekjes en het laatste jaar 500 boekjes. Aan veroordeelde heeft [medeverdacht 3] ongeveer acht jaar lang (ook vanaf het jaar 2006) boekjes verkocht. [medeverdacht 3] drukte twee keer per jaar boekjes voor veroordeelde. Dit ging om 100, 300 en 500 boekjes per keer.
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij al 20 jaar lang boekjes van [medeverdachte 1] kreeg. Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdacht 3] concludeert de rechtbank dat op 1 januari 2009 (begin datum onderzoeksperiode) de aanloopperiode al ruimschoots voorbij was.
Gelet op de verklaring van [medeverdacht 3] gaat de rechtbank er vervolgens van uit dat [medeverdacht 3] vanaf 1 januari 2009 per jaar twee keer 400 boekjes van 50 loten (zijnde het gemiddelde van 300 en 500 boekjes) aan veroordeelde en twee keer 400 boekjes van 50 loten aan [medeverdachte 2] leverde. Twee leveringen van 800 boekjes à 50 loten per boekje betekent 80.000 loten. Per week zijn dat 1538 loten. Het aantal loten dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen komt nagenoeg overeen met dit aantal. Daarnaast wordt de verklaring van [medeverdacht 3] ondersteunt door diverse bewijsmiddelen in het dossier, zoals aantekeningen die wijzen op het bestellen van loten.
Gelet hierop, en mede in aanmerking genomen dat de verdediging op geen enkele wijze haar stelling heeft onderbouwd dat het aantal verkochte loten en het voordeel minder zou zijn of inzicht heeft gegeven in het naar het oordeel van de verdediging daadwerkelijk aantal verkochte loten en de daarmee gemoeid zijnde verdiensten, is de rechtbank van oordeel dat het transactieresultaat van de trekking van 2 april 2016 kan worden geëxtrapoleerd over een periode van 87 maanden.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank zich
gebaseerd op het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict”
(hierna: ontnemingsrapport) van 30 mei 2017 inclusief de daarbij behorende bijlagen. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de
onderzoeksperiode, dit is van 1 januari 2009 tot en met 1 april 2016.
Opbrengst
In totaal is er voor de trekkingen van 2 april 2016 € 9.113,25 ingelegd.
Spel 1, 2 en 3 € 3.862,75
[bedrijf 1] € 648,-
[bedrijf 2] € 4.602,50
Door [medeverdachte 4] en [medeverdacht 3] is verklaard dat een loper 20% mag houden. Dit houdt in dat de
volgende bedragen zijn ingehouden:
Spel 1, 2 en 3 € 772,55
[bedrijf 1] € 129,60
[bedrijf 2] € 920,50
Voor de organisatoren bleef over:
Spel 1, 2 en 3 € 3.090,20 +
[bedrijf 1] € 518,40 +
[bedrijf 2] € 3.682,00 +
------------------------------------------------------
Totaal € 7.290,60
De rechtbank gaat bij het vaststellen van het bedrag dat de organisatie moet uitkeren aan
prijzengeld uit van de door de [toezichthouder] gemaakte kansberekening.
Op basis van die kansberekening dienen de volgende bedragen uitgekeerd te worden:
Spel 1,2 en 3 € 1.675,56
[bedrijf 1] € 326,24 +
[bedrijf 2] € 1.980,41 +
------------------------------------------------------
Totaal € 3.982,21
€ 7.290,60 (opbrengst per week) minus € 3.982,21 (prijzengeld) = € 3.308,39 per week.
Per jaar is dat € 3.308,39 x 52 = € 172.036,28. Voor 87 maanden is dat een voordeel van
€ 1.247.263,- (€ 172.036,28 / 12 x 87)
Drukkosten
Voor de berekening van de kosten gaat de rechtbank uit van een bedrag van
€ 1,75 per boekje gelet op de verklaring van [medeverdacht 3] dat hij tussen de € 1,50 en € 1,75 per boekje ontving.
Uitgaande van 1632 formulieren per trekking zijner in totaal 615.264 lottobriefjes gedrukt
over de periode van 87 maanden (1632 x 52 / 12 x 87).
De totale kosten bedragen € 21.534,- (615.264 / 50 x € 1,75).
Vervoerskosten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Uit de waarneming van het observatieteam en de geregistreerde plaatsbepalingsgegevens is
gebleken dat [medeverdachte 1] nagenoeg elke zaterdag en zondag de woning van veroordeelde aan de [adres] in [plaats] bezocht. Tussen 4 februari 2015 en 27 november 2015 liggen 42 weekenden. In 28 weekenden is het baken op zowel zaterdag als zondag gepeild aan de [adres] . En vier weekenden is het baken niet gepeild bij de woning. In zeven
weekenden is er alleen op zaterdag gepeild en in drie weekenden alleen op zondag.
Bij observaties is ook [medeverdachte 2] regelmatig gezien bij de woning van veroordeelde, op momenten dat [medeverdachte 1] daar ook was. Ook bleek dat [medeverdachte 1] in de weekenden diverse
adressen langsreed om enveloppen/papieren weg te brengen/op te halen.
[medeverdachte 1]
De afstand van de woning van [medeverdachte 1] ( [adres] ) naar de [adres] [plaats] is 17 kilometer. Omdat [medeverdachte 1] meerdere adressen in [plaats] bezocht en deze niet elke week hetzelfde waren is voor de berekening van de vervoerskosten ervan uitgegaan dat [medeverdachte 1] nog 16 kilometer extra aflegt.
Per zaterdag en zondag:
Over 87 maanden:
5200 / 12 x 87 = 37.700 km
Voor de berekening van de kilometerprijs is de door de belastingdienst gehanteerde
maximale reiskosten vergoeding werkgever gebruikt, namelijk € 0,19 per kilometer.
Dit betekent een bedrag aan vervoerskosten van € 7.163,-
[medeverdachte 2]
De afstand van de woning van [medeverdachte 2] ( [adres] ) naar de [adres]
[plaats] is 5 kilometer. Omdat het aannemelijk is dat ook [medeverdachte 2] meerdere adressen
in [plaats] bezocht en deze niet elke week hetzelfde waren is voor de berekening van de
vervoerskosten ervan uitgegaan dat [medeverdachte 2] nog 16 kilometer extra aflegt.
Per zaterdag en zondag:
Over 87 maanden:
2704 / 12 x 87 = 19.604 km x € 0,19 = € 3.725,-
Totaal kosten
€ 21.534 drukwerk + € 7.163,- vervoerskosten [medeverdachte 1] + €3.725,- vervoerskosten
[medeverdachte 2] = € 32.422,-
Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 1.214.814,-
(Opbrengst van € 1.247.263,- minus kosten van € 32.422,-).
Toerekening
Veroordeelde, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bij het arrest van 25 november 2025 veroordeeld voor het tezamen en in vereniging organiseren van een illegale lotto. Het hof is gelet hierop van oordeel dat het bedrag aan hen kan worden toegerekend. Veroordeelden hebben geen inzicht gegeven in de rol- en winstverdeling. Er is niet gebleken van een ondergeschikte rol van één van hen. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom pondspondsgewijs toerekenen, in die zin dat veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling van één derde deel van het verkregen voordeel. Dit betekent dat de rechtbank het ontnemingsbedrag ten aanzien van veroordeelde vaststelt op een bedrag van € 404.938,-.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof constateert dat de betrokkene op 21 februari 2020 hoger beroep heeft ingesteld en dat er op 25 november 2025 arrest wordt gewezen. Dit maakt dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaar. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn acht het hof gronden aanwezig om het door de betrokkene te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Het hof zal 10% van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het te betalen bedrag in mindering brengen. Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 364.444,20.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 404.938,00 (vierhonderdvierduizend negenhonderdachtendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 364.444,20 (driehonderdvierenzestigduizend vierhonderdvierenveertig euro en twintig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. S. Bek en mr. O.F. Essens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,
en op 25 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 25 november 2025.
Tegenwoordig:
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. M. Muurmans, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte en zijn raadsman zijn niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.