ECLI:NL:GHARL:2026:5604

ECLI:NL:GHARL:2026:5604

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 200.362.523/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Samenloop onderhoudsverplichtingen. Hof bepaalt behoefte alle kinderen op hetzelfde bedrag, omdat draagkracht man niet toereikend is om al zijn verplichtingen te voldoen en er in nieuwe gezin man minder te besteden is dan wanneer man en vrouw nog samen waren geweest. Hof gaat bij draagkrachtvergelijking uit van zuivere draagkracht in plaats van afgeleide draagkracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.362.523/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 198516)

beschikking van 1 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de vrouw),

die woont in [woonplaats1] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. K.J. Bazuin te Groningen,

en

[verweerder] (de man),

die woont in [woonplaats2] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. van den Eshof te Dronten.

1. De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. De procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 10 december 2025;

- een journaalbericht namens de vrouw van 21 januari 2026 met bijlage(n);

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht namens de vrouw van 4 mei 2026 met bijlage(n);

- een brief namens de vrouw van 7 mei 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de man van 7 mei 2026 met bijlagen);

- een brief namens de man van 11 mei 2026 met bijlage(n);

- een e-mailbericht namens de vrouw van 12 mei 2026 met bijlagen(n);

- een journaalbericht namens de vrouw van 18 mei 2026 met bijlage(n).

De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen.

Partijen zijn ter zitting door het hof in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te laten weten of zij afspraken hebben kunnen maken. De advocaat van de man heeft het hof bij e-mailbericht van 4 juni 2026, in welk e-mailbericht ook de advocaat van de vrouw is meegenomen, bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

3. De feiten en de procedure bij de rechtbank

Het huwelijk van partijen is op 15 november 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 oktober 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2011;

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2012.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Bij de bestreden beschikking is – conform de overeenstemming tussen partijen – een zorgregeling bepaald op grond waarvan als reguliere regeling geldt dat [de minderjarige1] één keer per zes weken een weekend bij de vader verblijft en [de minderjarige2] om de week een weekend bij de vader verblijft, en waarbij de vakanties bij helfte worden verdeeld.

De man heeft met zijn nieuwe partner nog twee kinderen gekregen:

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2021; en

- [de minderjarige4] , geboren [in] 2022.

Partijen zijn in hun ouderschapsplan van 20 september 2019 over de kinderalimentatie, voor zover in deze procedure van belang, het volgende overeengekomen: “ Artikel 7 Kinderalimentatie

De ouders zijn overeengekomen dat de vader vanaf 1 oktober 2019 voor de kinderen een bedrag ad € 262,50 per kind per maand ten titel van kinderalimentatie aan de moeder voldoet, zolang de vader geen partneralimentatie betaalt. Voormeld bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.

De ouders zullen aanvullend zoveel mogelijk de verblijfsoverstijgende kosten bij helfte voldoen. De ouders verstaan hier onder de kosten van school/studie (school- en/of boekengeld of bijles, tablet e.d.), onverzekerde ziektekosten (bril, beugel e.d.), overige onverzekerde medische kosten, overige kosten, zoals fiets e.d.

Tevens betaalt de vader de helft van de oppaskosten, de bootkosten naar [waddeneiland] , alsmede de helft van de kosten van de lease-auto (tot 11 februari 2021), zodat de moeder voor het vervoer van de kinderen kan zorgdragen.

Ouders zijn vrij om eventuele andere aanvullende c.q. onverwachte kosten met elkaar te delen. Ouders zullen hierover met elkaar in overleg blijven en de gemaakte kosten middels overzichten, al dan niet vergezeld van facturen en/of bonnetjes, aan elkaar verstrekken en zo mogelijk tot verrekening overgaan.”

Bij de beschikking van 30 oktober 2019 is bepaald dat het ouderschapsplan, dat aan die beschikking is gehecht, deel uitmaakt van die beschikking en zijn partijen, de een tegenover de ander, veroordeeld tot naleving van de door hen getroffen regeling.

De man heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift op 28 januari 2025 verzocht om de door hem op grond van de beschikking van 30 oktober 2019 en het daaraan gehechte ouderschapsplan verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te wijzigen en te bepalen dat hij met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift dient bij te dragen met een bedrag van € 147,- per kind per maand, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag.

De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft verzocht om het wijzigingsverzoek van de man af te wijzen. Zij heeft zelfstandig verzocht om te bepalen dat de man voortaan dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met een bedrag van € 274,- per kind per maand met aftrek van de zorgkorting, alsmede de helft van de verblijfsoverstijgende kosten.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking (17 september 2025) dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] met een bedrag van € 201,- per maand en in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] met een bedrag van € 144,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw.

4. De omvang van het geschil in hoger beroep

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven I en II gaan over de draagkracht van de man, grief III over de draagkracht van de partner van de man, grief IV over de behoefte van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] , grief V over de zorgkorting voor [de minderjarige1] , grief VI over de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en grief VII over de verblijfsoverstijgende kosten. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft, en opnieuw beschikkende het verzoek van de man tot het wijzigen van de kinderalimentatie af te wijzen en te bepalen dat de man met datum ingang beschikking van de rechtbank een bedrag van € 175,- per maand moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] en een bedrag van € 289,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , dan wel dat hij bijdraagt met een zodanig bedrag en vanaf een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht, alsmede te bepalen dat de man de helft van de verblijfsoverstijgende kosten zoals vermeld in artikel 7 van het tussen partijen geldende ouderschapsplan moet voldoen, althans te bepalen dat deze tussen partijen gemaakte afspraak in stand is gebleven.

De man is op zijn beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief gaat over de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , de tweede en derde grief gaan over de draagkracht van de man, meer in het bijzonder over het inkomen en de hoogte van de in aanmerking te nemen woonlasten, en de vierde grief gaat over de wijze waarop bij de berekening van de draagkracht van de man voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] rekening moet worden gehouden met de onderhoudsverplichting van de man voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] . De man verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het principaal hoger beroep, dan wel haar grieven te verwerpen, en in het incidenteel hoger beroep verzoekt hij de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft, en opnieuw beschikkende te bepalen dat de man met ingang van 28 januari 2025, dan wel met ingang van 17 september 2025, dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht, primair een bedrag van € 57,- per maand, dan wel subsidiair een bedrag van € 174,- per maand, dan wel enig bedrag dat het hof juist acht, moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de grieven van de man in het incidenteel hoger beroep te verwerpen.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5. De motivering van de beslissingWijziging van omstandigheden

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die een herbeoordeling van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] rechtvaardigt.De ingangsdatum

De rechtbank heeft als ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie de datum van de beschikking, 17 september 2025, gehanteerd. Partijen hebben geen uitdrukkelijke grief gericht tegen deze ingangsdatum. De man verzoekt in het petitum van zijn verweerschrift wel primair om de gewijzigde onderhoudsbijdrage met ingang van 28 januari 2025 te bepalen, de datum van indiening van het inleidend verzoek. De vrouw heeft ter zitting voor het eerst betoogd dat een gewijzigde kinderalimentatie niet eerder kan ingaan dan per 7 mei 2026, omdat de man pas toen zijn relevante financiële gegevens heeft verstrekt, of subsidiair per 10 februari 2026, zijnde de dag dat de man zijn inkomensgegevens bij het verweerschrift heeft aangeleverd.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels:

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van wat in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van wat in overeenstemming met de behoefte van de kinderen reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van wat in de procedure is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is daarom bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

In het kader van de invulling van de op dit punt van de rechter verlangde behoedzaamheid, zal het hof hierna eerst de hoogte van een eventueel door de man verschuldigde onderhoudsbijdrage vaststellen en pas daarna een beslissing nemen over de ingangsdatum. De behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] opnieuw berekend op basis van het huidige inkomen van de man, omdat naar het oordeel van de rechtbank dat inkomen het gezinsinkomen van partijen tijdens hun huwelijk overstijgt.

De Expertgroep Alimentatie adviseert in 3.2.8 van het Rapport Alimentatienormen om wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het gezinsinkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw te bepalen en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven.

De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man aan de hand van een brutowinst uit onderneming over 2024 van € 68.329,- berekend op € 4.136,- per maand en heeft daarbij opgeteld een kindgebonden budget van € 408,- per maand. De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aldus aan de hand van een netto besteedbaar inkomen van € 4.544,- berekend op € 1.142,- per maand, oftewel € 571,- per kind per maand.

Bij de bepaling van het inkomen van een zelfstandig ondernemer is het gebruikelijk om uit te gaan van het gemiddelde van de winsten uit de onderneming van de drie laatste jaren. De man stelt naar het oordeel van het hof daarom terecht dat voor de berekening van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uitgegaan moet worden van de gemiddelde winst uit onderneming over drie jaren, in dit geval 2023 (€ 53.868,-), 2024 (€ 72.533,-) en 2025 (€ 62.222,-), zoals die bedragen blijken uit de overgelegde fiscale rapporten. Niet gebleken is van omstandigheden die maken dat in dit geval anders moet worden geoordeeld.

Naar het oordeel van het hof moet, anders dan waar beide partijen en de rechtbank van uitgaan, bij een berekening aan de hand van het huidige inkomen van de man geen rekening worden gehouden met een bedrag aan kindgebonden budget. De man heeft daar voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nu immers geen recht op. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt op basis van een gemiddelde winst uit onderneming van € 62.874,-, rekening houdend met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling en na toepassing van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 3.901,- per maand en dat zou leiden tot een behoefte van de kinderen in 2025 van € 884,- per maand (€ 442,- per kind per maand).

Het hof stelt echter vast dat de aldus aan de hand van het huidige inkomen van de man berekende behoefte van de kinderen in 2025 uitkomt op een lager bedrag dan het bedrag van hun behoefte in 2019 geïndexeerd naar 2025. Partijen hebben immers (in eerste aanleg) naar voren gebracht dat hun netto gezinsinkomen in 2019 ongeveer € 3.725,- per maand bedroeg en zij hebben de behoefte van de kinderen in 2019 berekend op respectievelijk € 796,- per maand (€ 398,- per kind per maand) en € 797,- per maand (€ 399,- per kind per maand). Een behoefte van € 797,- per maand in 2019 bedraagt geïndexeerd naar 2025 € 1.003,- per maand en is daarmee hoger dan de aan de hand van het huidige inkomen van de man berekende behoefte van € 884,- per maand. Het hof gaat daarom in de berekening uit van de van 2019 naar 2025 geïndexeerde behoefte voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van € 1.003,- per maand (€ 502,- per kind per maand). De achterliggende gedachte is immers dat de kinderen moeten kunnen profiteren van een gestegen inkomen van één van de ouders dat het voormalige gezinsinkomen overstijgt, maar dat is hier feitelijk, rekening houdend met de indexering, niet aan de orde en dan blijft de oorspronkelijke behoefte gelden. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.049,- per maand (525,- per kind per maand).

De behoefte van [de minderjarige3] en [de minderjarige4]

Het hof zal bij het berekenen van de behoefte van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] evenals bij de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de zijde van de man uitgaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025 van € 62.874,- en het daarbij behorende netto besteedbaar inkomen van € 3.901,- per maand. Er is geen aanleiding om ten aanzien van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] andere uitgangspunten te hanteren en, zoals de vrouw stelt, uit te gaan van alleen de winst uit onderneming van de man over 2025.

Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de partner van de man aan de hand van het bruto jaarinkomen van € 27.725,- zoals dat blijkt uit de overgelegde jaaropgaven over 2025. De vrouw stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van het (lagere) inkomen ten tijde van de indiening van het verzoek, maar het hof ziet daarvoor gelet op de hierna te bespreken ingangsdatum geen aanleiding. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de partner van de man € 2.310,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en zijn partner bedraagt aldus (€ 3.901,- + € 2.310,- =) € 6.211,- per maand, nog te vermeerderen met het kindgebonden budget exclusief alleenstaande ouderkop dat zij voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ontvangen van € 165,- per maand, oftewel € 6.376,- per maand.

Het hof is van oordeel dat daarop nog in mindering moet worden gebracht een bedrag van € 661,- per maand. Dat is het bedrag dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw betaalde. In het ouderschapsplan is immers in 2019 een bijdrage overeengekomen van € 525,- per maand, die, geïndexeerd naar 2025, afgerond € 661,- per maand bedraagt. Die bijdrage heeft niet tot het gezinsinkomen van partijen behoord. Deze kosten hebben het bestedingspatroon van het gezin van de man en zijn partner beïnvloed.

Het hof berekent de behoefte van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] aldus aan de hand van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.715,- op een bedrag van € 1.314,- per maand (€ 657,- per kind per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] € 1.374,- per maand (€ 687,- per kind per maand).

Behoefte alle kinderen

Wanneer iemand onderhoudsplichtig is voor kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan al die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. De hiervoor gemaakte berekeningen leiden ertoe dat [de minderjarige3] en [de minderjarige4] een hogere behoefte zouden hebben dan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof acht dat in dit geval niet redelijk. Omdat de draagkracht van de man, uitgaande van de hiervoor vermelde behoeftebedragen, niet toereikend is om aan al zijn verplichtingen te voldoen, en er in het nieuwe gezin van de man waar [de minderjarige3] en [de minderjarige4] deel van uitmaken juist minder te besteden is dan wanneer de man en de vrouw nog samen waren geweest, acht het hof het in dit geval redelijk om de behoefte van alle kinderen van de man op hetzelfde bedrag te bepalen. Het hof zal uitgaan van een behoefte van alle kinderen van € 502,- (2025) respectievelijk € 525,- (2026) per kind per maand. De draagkracht van de vrouw

Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van het bruto jaarinkomen dat blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgave over 2025 van € 31.496,-. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, en met het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 9.597,- op jaarbasis, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 € 3.169,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2025 € 636,- per maand (€ 318,- per kind per maand).

Het hof sluit voor de berekening van de draagkracht van de vrouw in de periode vanaf 1 januari 2026 aan bij de berekening die zij bij journaalbericht van 18 mei 2026 in het geding heeft gebracht, waarin zij haar belastbaar loon heeft berekend op een bedrag van € 32.504,- en haar netto besteedbaar inkomen op € 3.255,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2026 € 640,- per maand (€ 320,- per kind per maand).De draagkracht van de man Het inkomen

De man heeft tot 1 januari 2026 een eenmanszaak gedreven, genaamd [naam] , waarmee hij werkzaamheden als lasser verrichtte. De man stelt dat hij als zzp’er feitelijk maar één opdrachtgever had en daarom gelet op de gewijzigde wetgeving voor zzp’ers per 1 januari 2026 in loondienst is getreden bij deze opdrachtgever.* De winst uit onderneming

Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de man in de periode tot 1 januari 2026 uit van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025 van € 62.874,-. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt op basis van een gemiddelde winst uit onderneming van € 62.874,-, rekening houdend met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling en na toepassing van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 3.901,- per maand.

* Het inkomen van de man uit loondienst

Het hof sluit voor de berekening van de draagkracht van de man in de periode vanaf 1 januari 2026 aan bij de door de man ter zitting overgelegde berekening, omdat die berekening niet door de vrouw is betwist. De vrouw vindt wel dat sprake is van verwijtbaar, voor herstel vatbaar inkomensverlies, omdat de man in loondienst een lager inkomen geniet dan het inkomen dat hij uit zijn onderneming genoot. Het hof is echter van oordeel dat dit inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. De wetgeving is gewijzigd en de man heeft voldoende aangetoond dat hij inderdaad maar één opdrachtgever had. De keuze om onder die omstandigheden tegen een iets lager loon in dienst te treden bij deze opdrachtgever acht het hof gerechtvaardigd. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt bij het belastbaar jaarloon van € 60.529,-, zoals opgenomen in de berekening van de man, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 3.696,- per maand. * Kindgebonden budget

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het netto besteedbaar inkomen van de man moet worden verhoogd met een bedrag aan kindgebonden budget dat hij ten behoeve van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ontvangt. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. De systematiek op grond waarvan kinderalimentatie wordt berekend brengt met zich dat het kindgebonden budget dat de man ten behoeve van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ontvangt, niet leidt tot een hogere draagkracht van de man ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof is van oordeel dat het kindgebonden budget dat de man en zijn partner ten behoeve van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ontvangen moet worden meegenomen bij het berekenen van de draagkracht van de partner van de man. Dat leidt tot een hogere draagkracht van de partner, en daarmee tot een lager aandeel van de man in hun kosten. Het woonbudget

Op basis van het netto besteedbaar inkomen van de man in de periode tot 1 januari 2026 van € 3.901,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 van € 3.696,- per maand zou in beginsel bij het bepalen van zijn draagkracht volgens de draagkrachtformule rekening moeten worden gehouden met een woonbudget van 30% daarvan. In de periode tot 1 januari 2026 is dat woonbudget € 1.170,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 € 1.109,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan volgens de toepasselijke formule in de periode tot 1 januari 2026 € 995,- per maand (€ 497,50 per kind per maand) en met ingang van 1 januari 2026 € 855,- per maand (€ 427,50 per kind per maand).

De vrouw stelt zich op het standpunt dat slechts met de helft van het woonbudget rekening kan worden gehouden, omdat de man zijn woonlasten kan delen met zijn partner.

De man woont samen met zijn partner en heeft gesteld en onderbouwd dat zij een huur betalen van € 1.226,- per maand en dat zij daarnaast nog € 57,- per maand betalen voor afvalstoffenheffing, rioolheffing en waterschapsbelasting en € 146,- per maand voor gas, water en licht. Er is volgens de man geen reden om uit te gaan van een lager woonbudget dan de hiervoor genoemde bedragen. Als uitgegaan wordt van een lager bedrag, dan moet volgens de man de helft van zijn werkelijke woonlast in aanmerking worden genomen.

In 4.2.2.4 van het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep is het volgende opgenomen:

“Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

• voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen; (…)

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen. (…)Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen. Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen. (…)”

Het hof stelt vast dat de werkelijke woonlasten van de man en zijn partner die vanuit het woonbudget zouden moeten worden voldaan € 1.283,- per maand bedragen (de huur van € 1.226,- per maand en € 57,- per maand voor lokale belastingen) en dat ervan uit moet worden gegaan dat zij ieder de helft van deze lasten dragen, oftewel een bedrag van € 642,- per maand. Ten aanzien van de kosten van gas, water en licht heeft de man niet gesteld dat de kosten die hij daarvoor maakt hoger zijn dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen, zodat het hof die kosten niet meeneemt. De werkelijke woonlast van de man is daarmee aanmerkelijk lager dan het woonbudget van € 1.170,- in de periode tot 1 januari 2026 en van € 1.109,- in de periode vanaf 1 januari 2026.

Het hof ziet aanleiding om uit te gaan van de werkelijke woonlast van € 642,- per maand, omdat er een tekort is in de draagkracht om in de behoefte van alle kinderen te voorzien. Het hof past dat bedrag toe bij de berekening van de draagkracht van de man en ook bij de berekening van de draagkracht van zijn partner. Voor zover de man heeft aangevoerd dat het gelet op de forse schulden die hij heeft niet redelijk is om uit te gaan van de werkelijke woonlast, gaat het hof daar niet in mee en verwijst naar wat hierna wordt overwogen.

Na toepassing van de werkelijke woonlast bedraagt de draagkracht van de man in de periode tot 1 januari 2026 € 1.364,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 € 1.182,- per maand.De schulden

De man heeft in zijn brief van 7 mei 2026 voor het eerst gesteld dat hij een aantal forse schulden heeft tot een totaalbedrag van € 48.208,-. Het gaat daarbij om:- een debetsaldo (roodstand) op zijn zakelijke rekening van € 20.521,88;

- een drietal voorlopige aanslagen van de Belastingdienst (een voorlopige aanslag 2024 van € 11.243,-, een voorlopige aanslag 2024 van € 15.058,- en een aanslag 2023 van € 1.386,-). Bij het journaalbericht van 11 mei 2026 heeft de man een aanvraag voor schuldhulpverlening, gedateerd 24 april 2026, overgelegd. Het is volgens de man nog niet bekend welk bedrag op de schulden zal moeten worden afgelost, maar duidelijk is wel dat dit forse gevolgen zal hebben voor zijn draagkracht. Er is in de optiek van de man sprake van schulden die als niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn te beschouwen en daarom moet er rekening gehouden worden met deze schulden door het draagkrachtloos inkomen te verhogen.

Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie kan met extra lasten zoals schulden rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen te verhogen. Voorwaarde is dat de schulden niet als vermijdbaar en verwijtbaar zijn te beschouwen.

Ten aanzien van de belastingschulden 2023 en 2024 overweegt het hof dat met deze belastingverplichtingen reeds in de berekening van het netto besteedbaar inkomen rekening is gehouden door uit te gaan van de gemiddelde winst over de jaren 2023, 2024 en 2025 en daar de belasting over te berekenen, en dat om die reden niet afzonderlijk met de aflossing op een eventueel ontstane betalingsachterstand rekening wordt gehouden. Op die manier zou de belasting namelijk tweemaal worden meegenomen. Het ontstaan van die schulden is naar het oordeel van het hof bovendien vermijdbaar en verwijtbaar. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er voldoende inkomen was om de belastingschulden te kunnen voldoen.

Ten aanzien van het debetsaldo op de zakelijke rekening van de man overweegt het hof dat de man niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat het ontstaan hiervan niet vermijdbaar en niet verwijtbaar was. De man heeft niet toegelicht hoe het debetsaldo is ontstaan. De man heeft geen inzicht gegeven in de afwikkeling van zijn eenmanszaak, bijvoorbeeld door het overleggen van een stakingsbalans. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de verplichtingen van de man ten aanzien van het debetsaldo op zijn zakelijke rekening te laten prevaleren boven zijn verplichting om in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen te voorzien.

De door de man opgevoerde schulden leiden niet tot een ander oordeel ten aanzien van zijn draagkracht.

De zorgkorting

De kosten van de zorgregeling worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. De zorgkorting is:

- 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;

- 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;

- 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;

- 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

* De zorgkorting voor [de minderjarige1]

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het hof gebleken dat partijen ten aanzien van [de minderjarige1] een zorgregeling hanteren, op grond waarvan zij één keer in de zes weekenden een weekend bij de man is, alsook de helft van de vakanties.

De rechtbank heeft ten aanzien van [de minderjarige1] een zorgkorting van 15% gehanteerd. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij stelt dat de man op grond van de huidige zorgregeling minder dan 1 dag per week de zorg voor [de minderjarige1] heeft en dat het daarom passender is om uit te gaan van een zorgkorting van 5%.

De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige1] voortaan om de twee weken bij hem wil komen, omdat zij inmiddels een bijbaantje heeft op [waddeneiland] . De vrouw heeft betwist dat [de minderjarige1] dat wil en het is volgens haar nog maar één keer voorgekomen dat [de minderjarige1] een extra weekend naar haar vader is geweest.

Naar het oordeel van het hof hoort bij zorgregeling op grond waarvan [de minderjarige1] eens in de zes weken een weekend bij de man verblijft en ook de helft van de vakanties een zorgkorting van 15%, omdat zij gemiddeld dan meer dan één dag per week bij de man verblijft. De man heeft niet een hogere zorgkorting dan 15% verzocht, en daarvoor bestaat op dit moment ook geen aanleiding omdat niet gebleken is dat [de minderjarige1] bestendig zo veel meer bij de man is dat dit gemiddeld 2 dagen per week zou zijn. Voor een lagere zorgkorting van 5%, zoals door de vrouw verzocht, bestaat naar het oordeel van het hof hoe dan ook geen aanleiding, omdat zelfs de zorgregeling van eens in de zes weken een weekend en de helft van de vakanties leidt tot een zorgkorting van 15%.

De zorgkorting voor [de minderjarige1] bedraagt dan in de periode tot 1 januari 2026 € 75,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 € 79,- per maand.

* De zorgkorting voor [de minderjarige2]

De rechtbank heeft ten aanzien [de minderjarige2] een zorgkorting van 25% gehanteerd. Tegen die beslissing is niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan uitgaat. De zorgkorting voor [de minderjarige2] bedraagt dan in de periode tot 1 januari 2026 € 125,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 € 131,- per maand.De draagkracht van de partner van de man

Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de partner van de man voor de periode tot 1 januari 2026 uit van het bruto jaarinkomen van € 27.725,- dat blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgaven over 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en met een kindgebonden budget exclusief alleenstaande ouderkop van € 1.980,- op jaarbasis, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de partner van de man € 2.475,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2025, rekening houdend met de werkelijke woonlast van € 642,- per maand zoals hiervoor overwogen, € 366,- per maand (€ 183,- per kind per maand).

Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de partner van de man voor de periode vanaf 1 januari 2026 aan de hand van het inkomen van € 26.123,- bruto per jaar, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 2.720,- bruto per jaar, en rekening houdend met een ingehouden pensioenpremie van € 2.195,- per jaar, een WGA-hiaatpremie en een premie aanvulling WW van in totaal € 113,- per jaar. Het jaarinkomen voor inkomensheffing bedraagt aldus € 28.625,- en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en met een kindgebonden budget exclusief alleenstaande ouderkop van € 1.356,- op jaarbasis, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de partner van de man € 2.498,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2026, rekening houdend met de werkelijke woonlast van € 642,- per maand zoals hiervoor overwogen, € 344,- per maand (€ 172,- per kind per maand). Draagkrachtvergelijking

Zoals hiervoor is overwogen, heeft het hof de behoefte van alle kinderen bepaald op een bedrag van € 502,- per kind per maand in 2025 en € 525,- per kind per maand in 2026. Het hof zal het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking, en in dit geval uitgaan van de zuivere draagkracht, in plaats van de afgeleide draagkracht. Dat betekent dat het hof eerst berekent welk aandeel de man in de onderlinge verhouding met de vrouw zou moeten bijdragen in de kosten van hun kinderen. Daarna berekent het hof welk aandeel hij in de onderlinge verhouding met zijn nieuwe partner moet bijdragen in de kosten van hun kinderen. De formule daarbij is: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Indien de man onvoldoende draagkracht heeft om de berekende aandelen te betalen zal het hof het voor onderhoud beschikbare bedrag (zijn draagkracht) gelijk verdelen over de kinderen.

In de periode tot 1 januari 2026 geldt dat het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] 1.364 / 2.000 = 68% van € 502,- is afgerond € 341,- per kind per maand bedraagt. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bedraagt tot 1 januari 2026 1.364 / 1.730 = 79 % van € 502,- is afgerond € 397,- per kind per maand. De man komt dan een bedrag van € 1.476,- minus € 1.364,- is € 112,- tekort. Het tekort wordt afgewenteld op alle kinderen. Dat betekent dat de man voor [de minderjarige1] en Bente € 315,- per kind per maand kan betalen en voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] € 367,- per kind per maand beschikbaar heeft. De alimentatie kan dan, rekening houdend met de zorgkorting, worden gesteld op € 240,- per maand voor [de minderjarige1] (€ 315,- minus € 75,-) en € 190,- per maand voor [de minderjarige2] (€ 315,- minus € 125,-). De voor [de minderjarige2] op te leggen bijdrage wordt echter begrensd door de bijdrage die de vrouw heeft verzocht van € 175,- per maand.

In de periode vanaf 1 januari 2026 geldt dat het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] 1.182 / 1.822 = 65% van € 525,- is afgerond € 341,- per kind per maand bedraagt. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bedraagt vanaf 1 januari 2026 1.182 / 1.526 = 77% van € 525,- is afgerond € 404,- per kind per maand. De man komt dan een bedrag van € 1.490,- minus € 1.182,- = € 308,- tekort. Het tekort wordt afgewenteld op alle kinderen. Dat betekent dat de man voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 271,- per kind per maand kan betalen en voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] € 320,- per kind per maand beschikbaar heeft. De alimentatie kan dan, rekening houdend met de zorgkorting, worden gesteld op € 192,- per maand voor [de minderjarige1] (€ 271,- minus € 79,-) en € 140,- per maand voor [de minderjarige2] (€ 271,- minus € 131,-).Conclusie

De man dient in de periode tot 1 januari 2026 bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] met een bedrag van € 240,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 met een bedrag van € 192,- per maand.

Voor [de minderjarige2] dient de man in de periode tot 1 januari 2026 bij te dragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding met een bedrag van € 175,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2026 met een bedrag van € 140,- per maand.

Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen voor zover het de daarbij vastgestelde kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] betreft, en opnieuw beschikkende bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met de hiervoor genoemde bedragen. De afspraken in het ouderschapsplan over de verblijfsoverstijgende kosten

Voor zover de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat de afspraken die partijen in het ouderschapsplan over de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen hebben gemaakt ook na de wijziging van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en Bente in stand blijven, gaat het hof daar niet in mee. Het hof stelt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast en met die bijdrage wordt de vrouw geacht ook de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen te doen. Een ander oordeel past niet binnen het stelsel van de wet, en zou bovendien maken dat voor de berekening van de draagkracht van de man het bedrag dat hij voor verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betaalt, weer zou moeten worden verdisconteerd. Voor zover de vrouw een beroep doet op artikel 1:401 lid 5 BW, heeft zij dat beroep naar het oordeel van het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd door niet voor te rekenen dat partijen bij het maken van de afspraken in hun ouderschapsplan over de verblijfsoverstijgende kosten welbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

Ingangsdatum en terugbetalingsverplichting

De man heeft ter zitting onbetwist gesteld dat hij bij is met de betaling van de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw, conform de bestreden beschikking. Het hof stelt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de periode tot 1 januari 2026 vast op een hoger bedrag dan de rechtbank heeft gedaan, namelijk € 415,- per maand in plaats van € 345,- per maand en dat betekent dat de man over deze periode een bedrag van € 242,67 moet bijbetalen aan de vrouw. Voor de periode vanaf 1 januari 2026 stelt het hof deze bijdrage vast op een lager bedrag dan de rechtbank heeft gedaan, namelijk € 332,- per maand in plaats van (het geïndexeerde bedrag van) € 361,- per maand. Dat betekent dat de vrouw vanaf 1 januari 2026 tot 1 september 2026 een bedrag van € 232,- moet terugbetalen aan de man. Per saldo betekent dit dat de man over de periode vanaf de ingangsdatum tot 1 september 2026 een bedrag van € 10,67 moet bijbetalen aan de vrouw. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is niet gebleken dat dit niet van hem kan worden gevergd.

Het hof acht het gelet op het vorenstaande redelijk om voor de gewijzigde kinderalimentatie dezelfde ingangsdatum te hanteren als de rechtbank, namelijk 17 september 2025.

6. Aanhechten berekeningen

Het hof heeft diverse berekeningen gemaakt. Deze berekeningen zijn aan het eind van deze beschikking ingevoegd en maken daarvan deel uit.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 september 2025, voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de volledige afspraken die partijen in artikel 7 van hun ouderschapsplan hebben gemaakt en die deel uitmaken van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 oktober 2019 in die zin dat het hof nu beslist dat:

- de man met ingang van 17 september 2025 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] met een bedrag van € 240,- per maand en van [de minderjarige2] met een bedrag van € 175,- per maand;

- de man met ingang van 1 januari 2026 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] met een bedrag van € 192,- per maand en van [de minderjarige2] met een bedrag van € 140,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E. Leentjes, C. Koopman en A.P. de Jong-de Goede, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 1 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.S. Veldmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand