ECLI:NL:GHARL:2026:5667

ECLI:NL:GHARL:2026:5667

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 200.333.342/02
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Burenrecht. Openbaar water en bezitsdaden aan de oeverlijn. Art. 5:29 BW en 3:105 jo 306, art 1 EP. Het hof oordeelt dat appellant door verjaring eigenaar is geworden van de strook aan het water en dat het water van geïntimeerde openbaar is. De Heusdenvordering zal het hof afwijzen. Verder belast het hof geïntimeerde bij de kostenveroordeling met een extra procespunt vanwege zijn procesgedrag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.333.342/02

zaaknummer rechtbank 531553

arrest van 25 augustus 2026

in de zaak van

1. [appellant1]

2. [appellant2]

die beiden wonen in [woonplaats1]

hierna samen: [appellant1] (mannelijke enkelvoud)

advocaat: mr. K. Straathof

tegen

1. [geintimeerde1]

2. [geïntimeerde2]

die beiden wonen in [woonplaats1]

advocaat: mr. R.H.U. Keizer

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

In de zaak 200.333.342/01

[appellant1] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 31 mei 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in dit hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

het tussenarrest van 12 december 2023

de plaatsopneming/bezichtiging en mondelinge behandeling ter plaatse van 19 maart 2024

de ambtshalve doorhaling van de zaak.

In de zaak 200.333.342/02

Het verloop van de procedure in dit hoger beroep blijkt uit:

de hervatting bij rolbericht van 13 mei 2025

de memorie van grieven

de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep

de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 juni 2026 is gehouden.

Daarna hebben partijen geprobeerd tot overeenstemming te komen, maar dat is niet gelukt. Zij hebben op 30 juni 2026 om arrest gevraagd.

2. De kern van de zaak

[geintimeerde1] is eigenaar van een waterperceel met schiereiland en [appellant1] is eigenaar van een grondperceel dat grenst aan het waterperceel van [geintimeerde1] . In het verleden is er beschoeiing en een steiger aangebracht aan het perceel van [appellant1] waardoor de kadastrale grens is overschreden (dit stuk wordt hierna aangeduid als: de strook). Partijen twisten over de vraag of [appellant1] door verjaring eigenaar is geworden van de strook en over de vraag of het water van [geintimeerde1] een openbaar water is waarin [appellant1] mag recreëren.

[geintimeerde1] heeft bij de rechtbank (samengevat weergegeven) een verklaring voor recht gevorderd dat de kadastrale grens de eigendomsgrens is en de veroordeling van [appellant1] om de strook te ontruimen en zich niet te begeven op het waterperceel. [appellant1] heeft een tegenvordering ingesteld en wil (samengevat weergegeven) een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de strook en hij vordert de medewerking van [geintimeerde1] aan inschrijving daarvan. Daarnaast vordert hij een verklaring voor recht dat het water van [geintimeerde1] openbaar is dan wel dat [appellant1] door verjaring een erfdienstbaarheid voor recreatief gebruik heeft verkregen.

De rechtbank heeft de vorderingen van [geintimeerde1] voor een belangrijk deel toegewezen en die van [appellant1] afgewezen. De rechtbank heeft de vordering van [geintimeerde1] tot verwijdering van alles wat op de strook staat niet toegewezen en partijen verzocht daarvoor een passende oplossing te bereiken.

[appellant1] wil met zijn hoger beroep bereiken dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. [geintimeerde1] heeft ook hoger beroep ingesteld voor het geval de vordering van [appellant1] wordt toegewezen en een zogenaamde Heusdenvordering ingesteld. Verder wil hij dat de vordering tot verwijdering van alles wat op de strook staat alsnog wordt toegewezen.

Het hof zal beslissen dat [appellant1] door verjaring eigenaar is geworden van de strook en dat het water van [geintimeerde1] openbaar is. De Heusdenvordering zal het hof afwijzen. De schadevordering van [appellant1] wijst het hof ook af. Wel zal het hof [geintimeerde1] bij de kostenveroordeling belasten met een extra procespunt vanwege zijn procesgedrag. Het hof licht zijn beslissingen hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten waarvan het hof uitgaat

[geintimeerde1] is vanaf 2016 eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres1] in [woonplaats1]. Dat perceel bestaat grotendeels uit water met in het midden een schiereiland waarop [geintimeerde1] een nieuwe woning heeft opgericht. Hij is daar in 2018 gaan wonen. [appellant1] is vanaf 2001 respectievelijk 2012 eigenaar van [adres2] en [adres3] en woont aan het water tegenover [geintimeerde1] . Aan het water van [geintimeerde1] wonen nog meer particulieren. Verder staat dat water in verbinding met een sloot die via het perceel van [naam1] ( [adres4] ) uitkomt op het openbaar vaarwater de [vaarwater1] . De [vaarwater1] staat in verbinding met het dorp [woonplaats1] .

De rechtsvoorgangers van [appellant1] , de eigenaren van [adres3] ( [naam2] ) en [adres2] ( [naam3] ), hebben in 1999/2000 beschoeiing aangelegd aan de zuidkant en de oostkant van [adres3] en [adres2] . Aan de zuidkant hebben zij een steiger gezet. Om een en ander recht te trekken is er grond gestort. Na het vonnis van de rechtbank heeft [appellant1] de steiger die hij zelf had uitgebreid, teruggebracht tot de in 1999/2000 aangelegde ‘oude’ situatie. Daarmee is de overschrijding van de kadastrale grens in overeenstemming gebracht met situatie van het perceel zoals [naam2] en [naam3] dat hebben ingericht en [appellant1] het heeft gekocht.

Bezitsdaden

Het hof moet de vraag beantwoorden of het plaatsen van de beschoeiing, het storten van grond en het oprichten van een steiger door de rechtsvoorgangers van [appellant1] gelden als bezitsdaden. Als dat zo is, dan staat vast dat [appellant1] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook.

De eigendomsgrens wordt in beginsel bepaald door de kadastrale grens die destijds is bepaald, naar mag worden aangenomen, op de oeverlijn. Daarna zijn door rechtsvoorgangers van [appellant1] handelingen verricht waardoor een deel van het waterperceel bij de percelen [adres3] en [adres2] is getrokken. Voor natuurlijke aanwas en afslag van land bepaalt de wet (artikel 5:29 BW) dat deze de eigendomsgrens wijzigen: “de grens van een langs een water liggend erf verplaatst zich met de oeverlijn (…)” Dat wil zeggen: als de oeverlijn wijzigt door natuurlijke aanwas of afslag, dan wijzigt ook de eigendomsgrens. Dat geldt volgens dat artikel en de parlementaire geschiedenis daarbij niet voor “opzettelijke drooglegging” omdat de eigenaar dan nog wegruiming van werken kan vorderen die de oevereigenaar zonder zijn toestemming in het water heeft aangebracht. Hieruit leidt het hof af dat het opzettelijk droogleggen in beginsel geldt als bezitshandeling waardoor de oeverlijn is verplaatst. De werken die de rechtsvoorgangers van [appellant1] hebben aangebracht (opvulgrond, beschoeiing en steiger) zijn dan ook aan te merken als bezitsdaden. Omdat de kern is dat de oeverlijn (de erfgrens) daardoor is verplaatst, is het niet relevant dat de steiger via land benaderd zou kunnen worden. Het feit dat het [geintimeerde1] - zoals hij betoogt - op enig moment is gelukt om al dan niet via het grondperceel van een derde en langs een hoge scheidingsheg op de steiger te komen, is dus niet van belang voor de vraag of bezitsdaden zijn verricht. De stelling van [geintimeerde1] dat er sprake is van verticale natrekking slaagt op grond van het bovenstaande evenmin.

In eerste aanleg heeft [geintimeerde1] nog betoogd dat de werken met toestemming van zijn rechtsvoorganger ( [naam4] ) zijn geplaatst waardoor een gebruiksrecht is ontstaan en dat er daarom geen sprake is van bezit. In hoger beroep heeft [geintimeerde1] dat standpunt verlaten. Het hof komt op deze kwestie terug bij de bespreking van de proceskosten, maar voor nu geldt dat [geintimeerde1] erkent dat de toenmalige eigenaren van Breudijk [adres3] en [adres2] zonder toestemming de oeverlijn hebben verplaatst. De vordering tot wegruiming moet de eigenaar van het waterperceel binnen twintig jaar na de opzettelijke drooglegging (de bezitsdaad) instellen, anders verjaart de vordering daartoe. Vast staat dat deze verjaringstermijn van artikel 3:105 BW in samenhang met artikel 3:306 BW is voltooid. Dat maakt dat [appellant1] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook. De omvang van de strook heeft [appellant1] op productie 41 met groen omkaderd en zijn vordering verwijst naar deze productie. Met uitzondering van de steiger die naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg is verkleind tot het oorspronkelijke oppervlak, is niet weersproken dat de groene lijn voor het overige de verkregen strook juist weergeeft. [appellant1] heeft overigens later nog de beschoeiing aan de oostkant verlengd, richting buurman [naam5] . Dat hij daarbij buiten de kadastrale grens is gegaan, heeft [geintimeerde1] wel gesteld maar onvoldoende onderbouwd. Daarom gaat het hof er vanuit dat van [appellant1] die beschoeiing op eigen grond heeft geplaatst.

Openbaar water

Nu [appellant1] eigenaar is van de strook, is zijn belang bij de openbaarheid van het water van [geintimeerde1] gegeven. Of de gemeente publiekrechtelijk kan optreden tegen recreatief gebruik of bouwwerken als steigers is niet relevant voor de vraag of het water openbaar is (en recreatief gebruikt kan worden). Bovendien heeft de gemeente tot op heden blijkbaar geen reden gezien om op te treden. Daarom gaat het hof voorbij aan de verweren van [geintimeerde1] op dit punt.

[appellant1] voert aan dat hij, gasten van hem en de buren aan het water recreatief gebruik hebben gemaakt van het water van [geintimeerde1] . Dat gebruik bestond uit vissen, zwemmen, schaatsen, kanoën en met andere niet gemotoriseerde bootjes op het water recreëren. Verder heeft [appellant1] aangevoerd dat regelmatig personen vanaf de [vaarwater1] naar het water van [geintimeerde1] zijn gegaan (en andersom) via het perceel van [naam1] ( [adres4] ). Daarom is volgens [appellant1] het water openbaar. [geintimeerde1] betwist dat gemotiveerd.

Geen strijd met artikel 1 Eerste Protocol (EP)

[geintimeerde1] voert bovendien aan dat dat de rechtspraak over de openbaarheid van water wel eens in strijd zou kunnen zijn met het fundamentele recht op bescherming van eigendom (artikel 1 EP). Naar vaste jurisprudentie van het EHRM kan een inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd zijn indien dit voorzien is bij wet, een gerechtvaardigd algemeen belang dient en proportioneel is, dat wil zeggen dat een ‘fair balance’ bestaat tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van de betrokkene. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de betrokken staat een ruime afwegingsbevoegdheid heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is en verder een ruime vrijheid heeft (‘margin of appreciation’) om beperkingen te stellen aan de uit art. 1 EP voortvloeiende eigendomsbescherming. Dat er sprake is van schending van artikel 1 EP is door [geintimeerde1] onvoldoende onderbouwd. Hij heeft niet onderbouwd op grond waarvan de inperking van zijn eigendomsrecht geen gerechtvaardigd algemeen belang dient en hij heeft in het geheel niet onderbouwd op grond waarvan de door hem gestelde inbreuk op zijn eigendomsrecht disproportioneel is. [geintimeerde1] betoogt dat de inbreuk niet bij wet is voorzien omdat de Nederlandse wet geen algemene regels kent aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een waterperceel openbaar is. Het hof ziet dat niet in. De openbaarheid van water is slechts een regulering van het eigendomsrecht en zoals hierna zal blijken, is de openbaarheid als zodanig voldoende juridisch ingekaderd. [geintimeerde1] heeft bovendien niet onderbouwd op welke wijze hij artikel 1 EP, dat immers geen directe horizontale werking heeft, aan [appellant1] , als particulier kan tegenwerpen.

Openbaarheid van water – juridisch kader

Anders dan voor wegen bevat de wet geen algemene regels aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een water openbaar is. In de parlementaire geschiedenis is daarover niet meer te vinden dan dat water openbaar is als de zaak feitelijk openbaar is en dat wil zeggen dat in beginsel een ieder van die zaak gebruik kan maken. De Hoge Raad heeft in twee arresten naar deze parlementaire geschiedenis verwezen. In de kern is daarin bepaald dat voor de vraag of een water openbaar is, het feitelijk gebruik van het water bepalend is. Indien daaruit blijkt dat een ieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar. Alleen als de eigenaar op een duidelijke wijze, bijvoorbeeld door middel van daartoe bestemde ter plaatse aangebrachte borden, aan publiek kenbaar maakt dat het niet is toegestaan om zich zonder toestemming op het perceel te bevinden, kan voorkomen worden dat het waterperceel openbaar wordt. Maar als het water al openbaar is, kan dat niet meer door het later plaatsen van dergelijke borden ongedaan gemaakt worden en blijft het water openbaar. Verder geldt dat frequentie en duur niet relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of een water openbaar is. Dat is alleen relevant als het gaat om openbaar vaarwater, maar vast staat dat het water van [geintimeerde1] (en [naam1] ) dat niet is.

Op de afbeelding hieronder staan de huisnummers van de aanwonenden en in rood de (gestelde) vaarwegen. Perceel [adres4] is van [naam1] . Op haar perceel bevindt zich een sloot die het waterperceel van [geintimeerde1] verbindt met het openbaar vaarwater de [vaarwater1] (zie hiervoor 3.1).

Getuigenverklaringen over feitelijk gebruik

De vraag of het water van [geintimeerde1] in het verleden door een ieder kon worden gebruikt, hangt volgens het hof af van het feitelijk gebruik door omwonenden die toegang tot het water hebben vanaf hun perceel en derden die al dan niet vanaf openbaar vaarwater toegang hebben tot het water van [geintimeerde1] . Voor zover de toegang van derden via openbaar water een vereiste zou zijn, is relevant of men vanaf of naar de [vaarwater1] via het perceel van [naam1] toegang hadden tot het water. In dat kader heeft [geintimeerde1] in hoger beroep opgeworpen dat [naam1] niet in deze procedure is betrokken en dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Indien het water van [naam1] niet openbaar is, dan is volgens [geintimeerde1] het zijne dat ook niet. Omdat [naam1] niet in deze procedure is betrokken en de door [appellant1] gevorderde verklaring voor recht meebrengt dat ook haar water openbaar is, kan volgens [geintimeerde1] die verklaring voor recht niet worden gegeven, althans niet zonder haar in de procedure te betrekken. Aan dat standpunt gaat het hof voorbij. De enkele omstandigheid dat het hof de openbaarheid beoordeelt waarbij mogelijk andere percelen betrokken zijn dan die van partijen, brengt niet mee dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk dat de vaststelling dat er sprake is van een openbaar water (van [geintimeerde1] ) voor anderen ( [naam1] ) dezelfde uitkomst heeft. De gevorderde verklaring voor recht gaat niet verder dan het perceel van [geintimeerde1] .

[naam1] is vanaf 1978 eigenaar van [adres4] en via de sloot op haar perceel is er in beginsel toegang vanaf de [vaarwater1] (openbaar water) naar het waterperceel van [geintimeerde1] . Zij heeft verklaard dat er in het verleden (bij aankoop in 1978) twee balken lagen, die in het water waren gelegd door de vorige eigenaren en dat zij in de negentiger jaren verbodsbordjes heeft geplaatst om de toegang te belemmeren. Zij heeft echter ook verklaard dat zij de stam/balk weghaalde om zelf op onderzoek uit te gaan. [naam1] heeft verder verklaard dat zij in de negentiger jaren overlast begon te krijgen van kinderen die aan land kwamen en dat zij derden aansprak en verzocht om te keren. In 2022 heeft zij een balk en verbodsbord geplaatst om de toegang te belemmeren. De tijdelijke afsluitingen die daarmee zijn bewerkstelligd, brengen naar het oordeel van het hof niet mee dat een al openbaar water niet meer openbaar is. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat het water in 1978 nog niet openbaar was, kan de openbaarheid zijn ingetreden door het feitelijk gebruik door een ieder in de perioden dat er geen belemmering was. [appellant1] heeft verklaringen in het geding gebracht van onder meer [naam2] , de zoon van [naam4] en [naam5] die zijn stelling onderbouwen dat een ieder (omwonenden en derden) feitelijk gebruik maakte van het water van [geintimeerde1] . Ook uit de verklaring van [naam1] leidt het hof af dat er van haar water gebruik werd gemaakt door derden en dat zij om die reden de balk en het verbodsbord heeft geplaatst.

[naam2] heeft 75 jaar aan de [adres3] gewoond en is een van de rechtsvoorgangers van [appellant1] . Zij heeft in 2012 haar perceel aan [appellant1] verkocht die toen al op nummer [adres2] woonde. Zij heeft verklaard dat zij en de buren zwommen in het water, dat er in de winter schaatsers waren die in slierten uit het dorp kwamen en dat zij door de jaren heen met een bootje naar het dorp ging, net als andere buurtbewoners. “Het is heus niet zo dat jan en alleman kwamen varen. Het gebeurde gewoon en iedereen was vrij om hier te komen varen, zoals het al 80 jaar gebeurde, niet elke dag, maar vaak genoeg als het er weer voor was.”.

[naam4] is de rechtsvoorganger van [geintimeerde1] en is vanaf de jaren ‘60 eigenaar geweest van het perceel van [geintimeerde1] . Hij is overleden. [naam6] , zijn oudste zoon, heeft onder meer verklaard dat hij van 1968-1980 heeft gewoond in “ [perceelsnaam1] ”, zoals het perceel bekend stond, op het schiereiland in het waterperceel, op de plaats waar [geintimeerde1] nu woont. Daarna is een vriend van zijn vader, [naam7] , daar komen wonen tot 2015. Hij had veel contact met zijn vader en met [naam7] . Over de toegang tot het water verklaart hij: “Verder werd regelmatig met bootjes vanuit het dorp gevaren, er werd gezwommen en er werd gevist in de plas van mijn vader. Mijn vader vond dat prima. In de winter, als er ijs lag, hing mijn vader een luidspreker op met muziek. Dat was gewoon heel gebruikelijk. Toen ik zelf tussen 1968 en 1980 woonde in [perceelsnaam1] heb ik ook veel bootjes en zwemmers gezien vanuit het dorp. Dat was prima.U houdt mij een deel van de verklaring van mevrouw [naam2] voor: “Het gedoe over het

water daar snap ik helemaal niets van. Als sinds ik klein meisje was weet ik dat wij en

anderen in de zandgaten achter onze huizen zwommen, vaarden, schaatsten, visten. (...) Er is

hier door de jaren heen veel door ons gevaren. Door onszelf maar ook vaak genoeg door

anderen uit het dorp die hier kwamen varen. " Ik ken mevrouw [naam2] wel. Mijn vader

kende haar ook. Ik kan niet anders zeggen dan dat haar verklaring klopt. Zo herinner ik mij

dat ook. Vanaf dat ik een kind was, maar ook toen ik later zelf in [perceelsnaam1] woonde.”

[naam5] is sinds 1975 eigenaar van [adres5] en daarmee de buurman van [appellant1] . Hij heeft verklaard: “Wij wonen hier nu 47 jaar en al die jaren wordt er al gevaren en gezwommen in het water achter de huizen. Dus in het water wat grenst aan [adres1] , [adres3] , [adres2] , [adres5] , [adres6] en [adres7] . Ik heb zelf hier ook altijd gevaren. Dan vaarde ik langs buurvrouw [naam1] en rechtsaf, 1e links en dan kon je doorvaren langs de [straatnaam1] in het dorp.(…) Mijn dochter ging ook vaak zwemmen of varen met (…) het buurmeisje en ook met schoolvriendinnen. Dan maakte ze tochten in het bootje naar het dorp of naar het [straatnaam2] . Er kwam ook wel eens een klasgenootje uit het dorp of anderen in een bootje of kano hier heen varen.(…) Ik ben zelf ook wat keren gevaren naar het dorp, meestal in de zomer en ook wel met [naam8] [zijn dochter, toevoeging hof]. Dan moesten we langs [adres1] en [adres4] en ik ben er nooit door iemand weggestuurd. De honden van [naam1] blaften alleen als ze buiten liepen. Dat was gewoon zo maar wij vonden dat geen probleem. Soms zag ik [naam1] buiten als ik langs vaarde maar meestal niet. Ze vond het ook gewoon prima als ze ons zag.(…) Ik zag zeker een keer of 5 per jaar dat er vreemden kwamen. Die kwamen uit het dorp. Zo zie je hier wel eens een- of tweepersoons kano’s.”

Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat het waterperceel van [geintimeerde1] jarenlang onbelemmerd toegankelijk is geweest voor de omwonenden en voor anderen, waaronder mensen uit het dorp. Het water werd recreatief gebruikt om te schaatsen, zwemmen, varen en vissen. Het hof vindt daarom dat uit dit feitelijk gebruik voldoende blijkt dat een ieder van het water gebruik kon maken en daarmee dat het water kwalificeert als openbaar water. Er zijn overigens meer buren die verklaringen hebben afgelegd. [geintimeerde1] en [appellant1] hebben naast vele verklaringen van buurtgenoten en derden ook nog (lucht)foto’s in het geding gebracht om hun standpunten te onderbouwen. Die verklaringen en foto’s dragen niet op cruciale onderdelen bij en doen niet op cruciale onderdelen af aan wat hiervoor al is besproken. Verder merkt het hof op dat de buren vanwege het geëscaleerde geschil tussen partijen in twee kampen lijken te zijn verdeeld. Daarom moeten alle verklaringen met enige behoedzaamheid worden gebruikt. Maar uit geen van de verklaringen vloeit onmiskenbaar voort dat het water niet voor een ieder - waaronder in elk geval de buurtgenoten - kon worden gebruikt. En dat is waar het hier om gaat. Dat de sloot langs het perceel van [naam1] incidenteel lastig toegankelijk was vanwege waterplanten en niet alle buren incidentele kanovaarders/bootjes van derden hebben gezien is in elk geval onvoldoende om de openbaarheid van het water niet aan te nemen. De verboden of belemmeringen die huidige watereigenaren hebben aangebracht, kunnen de openbaarheid niet meer ongedaan maken.

Het hof komt zal dan ook de verklaring voor recht afgeven dat het water openbaar is en gebruikt mag worden voor recreatieve doeleinden zoals hiervoor benoemd. Dit gebruik is beperkt tot niet-gemotoriseerd recreatief gebruik. [geintimeerde1] heeft op de zitting bij het hof verzocht de verklaring te beperken tot de ‘vijvers’ 1, 2 en 4 van productie 127 van [appellant1] . Dat zijn de wateren die vanaf het perceel van [naam1] achtereenvolgens aansluiten op de percelen Breudijk [adres9] tot en met [adres5] . Het hof zal de vordering beperkt toewijzen omdat [appellant1] voor het feitelijk gebruik van de overige vijvers 3 en 5 die vrijwel uitsluitend aansluiten op 22c en vijver 6 die aansluit op [adres1] , [adres8] en [adres9] onvoldoende heeft aangevoerd.

Overige beslissingen op de vorderingen

[geintimeerde1] heeft in hoger beroep een schadevordering ingesteld wegens verlies van de strook en vordert dat [appellant1] deze in natura voldoet door de strook terug te geven. Dit betreft een zogenaamde Heusdenvordering die is gebaseerd op onrechtmatige daad. [geintimeerde1] voert daarvoor aan dat degenen die de strook in bezit hebben genomen te kwader trouw waren en daarmee onrechtmatig jegens de eigenaar hebben gehandeld. Het hof wijst de Heusdenvordering van [geintimeerde1] af. De rechtsvoorgangers van [appellant1] hebben de bezitshandelingen verricht en voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatig handelen van hen, is niet onrechtmatig gehandeld jegens [geintimeerde1] maar jegens [naam4] , zijn rechtsvoorganger. Dat [naam4] zijn eventuele vordering uit hoofde van onrechtmatige daad zou hebben gecedeerd aan [geintimeerde1] is niet gesteld. De Heusdenvordering stuit hierop af.

Omdat [appellant1] eigenaar is van de strook en het water openbaar is, wijst het hof ook de andere vorderingen van [geintimeerde1] alsnog af.

De vorderingen van [appellant1] uit de eerste aanleg zal het hof toewijzen met dien verstande dat de steiger zoals die is gerealiseerd na het vonnis in eerste aanleg moet blijven zoals hij is en de openbaarheid beperkt is tot de ‘vijvers’ 1, 2 en 4 van productie 127 van [appellant1] . Met inachtneming hiervan zal het hof de vorderingen toewijzen. Aan bespreking van de subsidiaire vordering, dat [appellant1] een erfdienstbaarheid heeft verkregen voor het gebruik van het water, komt het hof niet meer toe.

In hoger beroep heeft [appellant1] gevorderd Beumer te veroordelen in zijn werkelijke proceskosten, de facturen van zijn advocaat. De grondslag is schade door onrechtmatige daad omdat [geintimeerde1] [appellant1] op kosten heeft gejaagd om de onwaarheden en manipulaties van [geintimeerde1] aan het licht te brengen. Daardoor heeft de procedure onnodig lang geduurd en was (onder meer) een hoger beroep nodig. Deze vordering wijst het hof af: voor het toewijzen van de werkelijke proceskosten kan plaats zijn als de hele procedure nodeloos is gevoerd of bij misbruik van procesbevoegdheid, maar dat is niet het geval. Wel is het zo dat het hof (onder meer uit de in hoger beroep overgelegde processtukken in een procedure tussen [appellant1] en [naam3] ) aanneemt dat [geintimeerde1] vergaande invloed heeft uitgeoefend op (de tekst van de verklaringen van) mevrouw [naam3] ( [adres2] ) waardoor in eerste aanleg een gebruiksrecht is aangenomen en de vorderingen van [appellant1] zijn afgewezen. Daarnaast voert [appellant1] ook terecht aan dat [geintimeerde1] standpunten heeft ingenomen waarvan hij wist dat die onjuist waren, bijvoorbeeld over de aanwezigheid van de steiger vóór 2011 en (de toestemming voor het plaatsen van) de kabelbaan. Die proceshouding is in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv en leidt ertoe dat het hof [geintimeerde1] zal belasten met een extra procespunt in de kostenveroordeling.

Op de overige stellingen en verweren van partijen hoeft het hof niet meer in te gaan omdat die niet tot andere beslissingen kunnen leiden. Aan de bewijsaanbiedingen die partijen hebben gedaan, komt het hof niet toe.

Tot slot merkt het hof op dat deze zaak een zware wissel heeft getrokken op partijen (en de buurtgenoten). Ook de zitting bij het hof was emotioneel geladen en het hof heeft het belang van beide partijen bij een rustige, mooi gelegen en veilige woonomgeving gehoord en begrepen. Volgens beide partijen kan die woonomgeving alleen verkregen worden als de andere partij ongelijk krijgt. De naar voren gebrachte belangen, waaronder de behoefte aan privacy aan de kant van [geintimeerde1] , spelen in het kader van de zakenrechtelijke vragen die aan het hof zijn voorgelegd, echter geen rol. En hoewel het hof in dit arrest één van partijen zakenrechtelijk gelijk geeft, is het te hopen dat partijen elkaar het belang bij een rustige, mooi gelegen en veilige woonomgeving gaan gunnen en dat de rust in de buurt terugkeert.

Conclusie

Het principaal hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep faalt. Omdat [geintimeerde1] in beide hoger beroepen in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Wat het hoger beroep betreft komt daar nog een procespunt bij (zie onder 3.21.). Onder de kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Tot slot zal het hof [geintimeerde1] veroordelen om aan [appellant1] terug te betalen wat deze aan hem heeft betaald na het vonnis van de rechtbank.

Een gedeelte van de veroordelingen in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 31 mei 2023 en beslist

In conventie

wijst alle vorderingen alsnog af;

veroordeelt [geintimeerde1] in de proceskosten van [appellant1] , tot aan het vonnis van de rechtbank begroot op € 952 aan griffierecht en op € 1.495 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief II);

In reconventie

verklaart voor recht dat [appellant1] eigenaar is van de litigieuze strook grond inclusief de na het vonnis in eerste aanleg aangepaste steiger en de zich daaronder bevindende grond, die op grond van het relaas van bevindingen (prod. 6 schets F) onderdeel uitmaakt van het perceel van [geintimeerde1] , maar in feitelijk opzicht onderdeel uitmaakt van de tuin en steiger van [appellant1] een en ander zoals op productie 41 groen omkaderd;

veroordeelt [geintimeerde1] medewerking te verlenen aan inschrijving van de, door verjaring, onder 1 omschreven, verkregen eigendom in de openbare registers, waarbij de

daarmee gemoeide kosten door partijen gelijkelijk worden gedeeld (ieder der partijen draagt de helft van de kosten);

bepaalt dat bij het langer dan veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis uitblijven van de onder 4.5. bedoelde medewerking dit arrest in de plaats gesteld kan worden van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie;

verklaart voor recht dat het water van de ‘vijvers’ 1, 2 en 4 van productie 127 die onderdeel uitmaken van het perceel van [geintimeerde1] openbaar is en gebiedt [geintimeerde1] recreatief gebruik van dat water te gehengen en gedogen;

veroordeelt [geintimeerde1] in de proceskosten van [appellant1] , tot aan het vonnis van de rechtbank begroot op € 598 aan salaris advocaat (2 punten x 0,5 x tarief II);

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van 4.4. en 4.7.

In het principaal hoger beroep

veroordeelt [geintimeerde1] tot terugbetaling aan [appellant1] van al wat

[appellant1] op grond van het vonnis aan [geintimeerde1] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant1] tot aan de dag van terugbetaling;

veroordeelt [geintimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant1] :

€ 343 aan griffierecht

€ 130,57 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geintimeerde1]

€ 3.870 aan salaris van de advocaat van [appellant1] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)

€ 1.290 extra salaris advocaat overeenkomstig 3.21.

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

In het incidenteel hoger beroep

veroordeelt [geintimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant1] :

€ 1.935 aan salaris van de advocaat van [appellant1] (3 procespunten x 0,5 x hettoepasselijke tarief II)

In beide hoger beroepen

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, L.A. de Vrey en R.J.A. Dil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand