ECLI:NL:GHARL:2026:5713

ECLI:NL:GHARL:2026:5713

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 21-002689-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Het hof heeft verdachte partieel niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Verder heeft het hof verdachte veroordeeld ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het in beslag genomen voorwerp heeft het hof verbeurd verklaard. De benadeelde partij heeft het hof niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002689-21

Uitspraakdatum: 3 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 31 mei 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-024672-20 en 16-201292-19, tegen

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

1. Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld voornoemd vonnis van de rechtbank.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 maart 2026 en 20 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.W.M. Soekhai, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. E. Sandrk, hebben aangevoerd.

3. Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de rechtbank de teruggave bevolen van de in beslag genomen laptop aan de rechthebbende, te weten de gemeente [gemeente 1] . Ook heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Het hof komt tot een (deels) andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof zal het vonnis van de rechtbank dan ook – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen en opnieuw rechtdoen.

4. Ontvankelijkheid van verdachte en omvang van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde (partieel) vrijgesproken voor zover het feit betrekking heeft op factuur R58. Door de wijze van ten laste leggen en de keuze voor het gebruik van de “en/of-constructie’ in de tenlastelegging, gaat het hof uit van een impliciet cumulatieve wijze van ten laste leggen. Het hof is daarmee, nu er geen hoger beroep is ingesteld door het openbaar ministerie, van oordeel dat sprake is van een onherroepelijke vrijspraak ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde, voor zover dit ziet op factuur R58.

Door de verdachte is het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep van verdachte is dan ook mede gericht tegen voornoemde (deel)vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte echter geen hoger beroep open tegen deze beslissing. Het hof zal verdachte daarom nietontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen voornoemde (deel)vrijspraak.

5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging omdat de mogelijkheid tot controle van de door de politie in het dossier opgenomen administratie van de onderaannemers verloren is gegaan nu het openbaar ministerie de desbetreffende administratie heeft vernietigd.

Het hof stelt in dit kader voorop dat het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt als een mogelijk rechtsgevolg. Daarvoor is alleen plaats ingeval een vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Hiervan is in onderhavige zaak geen sprake. De politie heeft de administratie gedurende enige tijd bewaard, ingezien en daaruit een selectie gemaakt van de relevante stukken die, indien nodig geacht, als zodanig in het dossier zijn opgenomen. Over haar bevindingen heeft de politie in het dossier geverbaliseerd. Het dossier biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan aan deze selectie of de wijze waarop deze is gemaakt, dan wel aan de inhoud van het dossier, getwijfeld zou moeten worden. Daarbij komt dat de desbetreffende administratie ook voor verdachte beschikbaar is geweest. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is voor een mogelijke schending van het recht op een eerlijk proces en van de beginstelen van een behoorlijke procesorde. Het openbaar-ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

6. Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 16-024672-20:

Onder 1

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen op of omstreeks 24 maart 2019 te [plaats 1] en/of elders in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerde werk, te weten de server voor het beheer van de rioolwatervoorziening van de gemeente [gemeente 1] en/of het programma Aquaview om die server voor het beheer van de rioolwatervoorziening van de gemeente [gemeente 1] op afstand te kunnen benaderen

binnen te dringen

met voornoemd opzet

- om 21:22:36 met een laptop verbinding gemaakt met het wifi-netwerk (McDonald's free Wifi) van de vestiging van de McDonalds in [plaats 1] en/of (vervolgens)

- om 21:28:59 de website watismijnip.nl bezocht en/of (vervolgens)

- om 21:29:42 een USB-stick in de laptop geplaatst en/of (vervolgens)

- om 21:31:03 bestanden van deze USB-stick gekopieerd naar de laptop voor het starten van het programma Aquaview en/of (vervolgens)

- om 21:32:36 de USB-stick verwijderd en/of (vervolgens)

- om 21:33:03 het programma displaypp.exe (Aquaview) gestart en/of (vervolgens)

- om 21:34:04 een inlogpoging gedaan op Aquaview met account [naam 1] en/of (vervolgens)

- om 21:36:18 een inlogpoging gedaan op Aquaview met account [naam 2]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Onder 2

hij op of omstreeks 24 maart 2019 te [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] , althans in Nederland aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, terzake van diefstal van een laptop, wetende dat dat strafbare feit niet was gepleegd;

In de zaak met parketnummer 16-201292-19 (gevoegd):

Onder 1

primair

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2017, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [gemeente 1] , en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 3] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706-1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772-1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente 1] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken en/of vervalst en/of laten vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

en/of

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) inhoudende uitgevoerde werkzaamheden met opgave van het aantal uren en/of het aantal materialen en/of het uur tarief, te weten

een of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 3] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706-1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772-1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente 1] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) de voornoemde facturen hebben ingestuurd en/of laten insturen naar de gemeente [gemeente 1] ten behoeve van de betaling van deze facturen

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening isgebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening is gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] ;

subsidiair

[bedrijf 3] op een ofmeerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2017, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [gemeente 1] en/of(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 3] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706-1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772- 1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente 1] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken en/of vervalst en/of laten vervalsen,

immers hebben die [bedrijf 3] en/ofde mededader(s) van die [bedrijf 3] valselijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een vals(e) en/of vervalst(e) een of meerdere facturen inhoudende uitgevoerde werkzaamheden met opgave van het aantal uren en/of het aantal materialen en/of het uur tarief, te weten

een of meerdere factu(u)r(en) van [bedrijf 3] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706- 1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772-1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente 1] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat [bedrijf 3] en/of de mededader(s) van die [bedrijf 3] de voornoemde facturen hebben ingestuurd en/of laten insturen naar de gemeente [gemeente 1] ten behoeve van de betaling van deze facturen

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] aannemingsmij B.V, en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening is gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening is gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] ,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan die verboden gedraging(en)feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Onder 2

hij in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 1 mei 2018 te [plaats 2] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland, opzettelijk een tablet (computer), te weten een tablet van het merk Ubiqonn, type Ruggon pm-511-w, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan de Gemeente [gemeente 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker bij de Gemeente [gemeente 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij van het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair (en subsidiair) en onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. Meer in het bijzonder heeft zij – voor zover van belang voor dit arrest – het navolgende aangevoerd.

Het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw allereerst gesteld dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat de aangetroffen laptop (Dell Latitude E6410) daadwerkelijk de laptop is waarmee de inlogpogingen op 24 maart 2019 zijn verricht. Verder geldt dat ook niet vastgesteld kan worden dat verdachte degene is geweest die deze laptop op dat moment bediende. Verdachte heeft verklaard dat hij op 24 maart 2019 thuis was en niet in [plaats 1] . Verder blijkt uit het dossier dat de voor de inlogpogingen gebruikte laptop is aangetroffen bij een gemaal van de gemeente [gemeente 1] . De laptop was in plastic verpakt en daarbij zijn tevens latex handschoenen aangetroffen. Opvallend is echter dat deze latex handschoenen niet nader zijn onderzocht op eventuele aanwezigheid van DNA-materiaal. In ieder geval is geen fysiek spoor aangetroffen dat zou wijzen op verdachte als gebruiker van de laptop. Daarbij komt dat het toestel dat verbalisant [verbalisant 1] tijdens het verhoor van verdachte op 30 januari 2020 in beslag zou hebben genomen niet overeenkomt met één van de toestellen die verdachte van de gemeente in gebruik heeft gekregen. Dit maakt dat onduidelijkheid bestaat over de identiteit van het toestel dat door verbalisant [verbalisant 1] is onderzocht. De onduidelijkheid wordt nog groter doordat de verbalisant in een ander proces-verbaal spreekt over een Samsung J7 met hetzelfde IMEI-nummer [nummer 1] , niet een Samsung J5. Daarbij komt dat de fabrikant (Samsung) de technische koppeling tussen het betreffende IMEI-nummer en het betreffende MAC-adres niet heeft bevestigd. Ook lopen de IMEI-nummers uiteen. Zo is in het eerdere 03Clean-onderzoek voor het telefoonnummer + [telefoonnummer] ook een ander IMEI-nummer geregistreerd, te weten: [nummer 2] . Bovendien heeft de verdediging stukken overgelegd waaruit blijkt dat verdachte in de ter zake doende periode gebruikmaakte van een Samsung Galaxy S4 mini, type GT-I9192. Daarmee kan het door verbalisant [verbalisant 1] op de Samsung J5 aangetroffen MAC-adres [nummer 3] , via welk adres verbinding zou zijn gelegd met de laptop (Dell Latitude E6410) op 24 maart 2019, niet zonder meer worden gebruikt om vast te stellen dat deze verbinding tot stand is gebracht vanaf een mobiele telefoon van verdachte. In dit verband zijn ook de door verdachte overgelegde SYSLOG-registraties van zijn thuisnetwerk in [plaats 2] relevant. Daarin komt hetzelfde MAC-adres [nummer 3] veelvuldig voor, gekoppeld aan een apparaat aangeduid als ‘Galaxy-J5’. Die registraties vinden ook plaats in een periode waarin verdachte en zijn gezin niet thuis zijn geweest. Uit de Easy Rit-registratie volgt dat hij op 20 april 2019 om 19:37 uur vanuit [plaats 2] naar [plaats 4] vertrok en op 1 mei 2019 om 12:10 uur vanuit [plaats 4] naar [plaats 2] terugreed. Dit terwijl SYSLOG vanaf de avond van 20 april 2019 herhaaldelijk netwerkactiviteit van de Galaxy-J5 registreert. Uit de overgelegde SYLOG-registraties blijkt verder dat er op 24 maart 2019 activiteit op zijn thuisnetwerk en een beëindiging van een remote-desktopverbinding door een externe gebruiker zijn geregistreerd. Volgens verdachte ondersteunt dit zijn verklaring dat niet hij, maar een ander de laptop in [plaats 1] heeft gebruikt.

Het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 2 ten laste gelegde

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte op het moment waarop hij aangifte deed, wist dat het door hem aangegeven strafbare feit niet was gepleegd. Wanneer niet wettig en overtuigend kan worden vastgesteld dat cliënt op 24 maart 2019 over de Dell Latitude E6410 beschikte en deze zelf gebruikte (gezien hetgeen de raadsvrouw ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde heeft aangevoerd), kan uit de gebeurtenissen van die avond evenmin worden afgeleid dat hij wist dat zijn eerdere laptop niet was gestolen.

Het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw gesteld dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die de desbetreffende facturen valselijk heeft opgemaakt of heeft gebruikt. Ook kan niet bewezen worden dat hij hierbij als medepleger betrokken is geweest. Medeverdachte was bestuurder van [bedrijf 4] en enig aandeelhouder. [bedrijf 4] was weer de bestuurder van [bedrijf 3] Medeverdachte was verantwoordelijk, zo heeft hij zelf verklaard. Hij was dan ook verantwoordelijk voor het opmaken van de facturen en het indienen van deze facturen bij de gemeente. Dat verdachte, met toestemming van de gemeente, enige betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 3] , maakt dit niet anders. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat hij de persoon is geweest die bewust betrokken was bij het valselijk opmaken van de facturen en het indienen van die facturen. Een en ander wordt ook niet door medeverdachte bevestigd. Bovendien heeft de raadsvrouw gesteld dat hetgeen zij met betrekking tot het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging naar voren heeft gebracht er, voorzover het hof dat verweer niet volgt, toe moet leiden dat de financiële bevindingen in het dossier niet zonder meer ten nadele van verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt (voor zover de juistheid van het onderliggende bronmateriaal niet meer kan worden gecontroleerd doordat het openbaar ministerie de onderliggende administratie heeft vernietigd). Voor zover van deze financiële bevindingen wel uit kan worden gegaan, geldt volgens de raadsvrouw dat de verschillen tussen de bij de gemeente ingediende facturen en de facturen die de aannemers bij [bedrijf 3] indiende, niet vanzelfsprekend strafrechtelijke valsheid opleveren. Op basis van de facturen kan bijvoorbeeld niet worden vastgesteld dat [bedrijf 3] niet de ogenschijnlijk als te veel gefactureerd aangegeven uren of als te veel aangegeven gebruikte materialen, toch (aanvullend) heeft gemaakt/gebruikt door deze werkzaamheden/materialen zelf uit te voeren/gebruiken of door deze door andere onderaannemers uit te laten voeren/gebruiken. Daarbij komt dat uit nader onderzoek is gebleken dat tegenover de als te veel gefactureerd aangegeven uren per factuur doorgaans niet doorberekende uren of kilometers staan. Verder blijkt uit de door de verdediging overgelegde notulen dat aanvullende afspraken zijn gemaakt over de facturering van het rioolcontract. Volgens de notulen kreeg [bedrijf 3] toestemming om te mogen factureren op basis van geschatte ureninzet van de onderaannemers (dus niet op basis van feitelijk uitgevoerde uren) en daarbij de eigen inzet (in uitgevoerde projecturen) te mogen parkeren indien compensatie van achteraf gebleken onjuiste facturatie nodig was. Daarbij komt dat de redenering die de rechtbank in het vonnis heeft toegepast ten aanzien van het hoger doorberekend uurtarief ook geldt voor de hoger doorberekende prijzen van de hoeveelheden materialen die zouden zijn gebruikt. Bovendien geldt dat uit de verklaring van verdachte dat hij zich wel eens heeft uitgegeven voor [naam 10] niet gelijk de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat iedere e-mail of document die onder die naam is opgesteld, door verdachte is gemaakt. Ook de betalingen die vanuit [bedrijf 3] aan verdachte en aan [bedrijf 5] (het bedrijf op naam van de vrouw van verdachte) zijn gedaan kunnen niet bewijzen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de gestelde valsheid van de facturen. Daarbij geldt namelijk dat de betalingen hun oorsprong vinden in de samenwerking tussen [bedrijf 3] en verdachte. Verder betekent het gegeven dat verdachte de desbetreffende facturen van [bedrijf 3] bij de gemeente goedkeurde, voor zover daarvan al uit kan worden gegaan nu dit door de verdediging wordt betwist, ook niet noodzakelijkerwijs dat verdachte wist dat die facturen vals waren. Aanvullend heeft de raadsvrouw zich meer specifiek ten aanzien van factuur R47, R49 en R53 op het standpunt gesteld dat bij deze facturen geen sprake is geweest van het rekenen van meer uren dan door de onderaannemers is besteed. Derhalve dient verdachte in ieder geval van deze facturen vrijgesproken te worden.

Het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 2 ten laste gelegde

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 2 ten laste gelegde heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij de tablet rechtmatig onder zich had nu de ontslagregeling tussen hem en de gemeente [gemeente 1] is afgehandeld tegen finale kwijting, dan wel omdat hem een retentierecht toekomt. Aanvullend heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat uit de ontslagregeling tegen finale kwijting niet blijkt dat de teruggave van de tablet is overeengekomen, terwijl uit het BING-onderzoek blijkt dat de gemeente voor het beëindigen van de dienstbetrekking van verdachte wist dat de desbetreffende tablet niet kon worden gevonden. Los van de juridische gevolgen van de finale kwijting, geldt dat op basis van deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bedoeling heeft gehad zich de tablet wederrechtelijk toe te eigenen.

Oordeel van het hof

Bewijsmiddelen

Het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 ten laste gelegde

Proces-verbaal van het verhoor van aangever [naam 3]

Namens de gemeente [gemeente 1] doe ik aangifte van computervredebreuk. In mijn functie maak ik gebruik van het programma Aquaview. Dit is een systeem waarmee de rioolpompen beheerd kunnen worden. Eind maart viel mij iets opvallends op in de logfiles van Aquaview. Hierin wordt onder andere bijgehouden wie er allemaal op het systeem inloggen of proberen in te loggen. Ik zag hierop de volgende meldingen:

24 maart 2019 21:34 uur ‘Fout bij inloggen [naam 1] ’

24 maart 2019 21:36 uur ‘Fout bij inloggen [naam 2] ’.

Ik vond dit opvallend omdat het account van [naam 1] (verdachte) verwijderd is.

Een aantal weken later reed ik met mijn collega naar een van de gemalen in onze gemeente. Toen we bij het gemaal waren, dit was op 6 mei 2019 rond 14:30 uur, zagen wij aan de achterkant tegen het gemaal een plastic tas liggen. Ik keek in de tas en zag daarin een laptop met plastic handschoenen.

Proces-verbaal van bevindingen

Ik, verbalisant, inspecteur werkzaam als digitaal specialist bij de Eenheid Midden- Nederland, verklaart het volgende:

Op 6 mei 2019 werd omstreeks 14:30 door medewerkers van de Gemeente [gemeente 1] bij het gemaal aan de [adres 11] [gemeente 1] een laptop aangetroffen, in plastic verpakt, samen met latex handschoenen en een oplader. Deze laptop, een Dell Latitude e6410, werd overgedragen aan de Politie Midden-Nederland. Ik zag dat het programma Aquaview was geïnstalleerd in C:\program files\Xylem\Aquaview. Ik zag dat op 24 maart 2019 om 21:37:55 uur, dus vermoedelijk tijdens de verbinding met ‘McDonalds Freewifi’, verbinding werd gemaakt met ‘ [website] ’. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gebruikersnaam ‘domein\ [naam 4] ’.

‘ [website] ’ heeft het IP-adres [nummer 11] . Bij een eerdere CIOT-bevraging bleek dit IP-adres te naam gesteld op [adres 2] te [plaats 2] , bekend als het woonadres van [verdachte 2] (verdachte).

Samengevat in een tijdlijn zien de bovenstaande gebeurtenissen er als volgt uit:

Tijd

Gebeurtenis

24 maart 2019 20:55:46___

Draadloze verbinding met [naam 11] -gast

24 maart 2019 21:22:36

Draadloze verbinding met “Mcdonald Free Wifi” te [plaats 1] __

24 maart 2019 21:28:59

Bezoeken watismijnip.nl

24 maart 2019 21:29:42

Plaatsen USB Stick

24 maart 2019 21:31:03

Kopiëren bestanden naar bureaublad_

24 maart 2019 21:32:36

Verwijderen USB Stick

24 maart 2019 21:33:03

Starten displaypp.exe op laptop

24 maart 2019 21:34:04

Inlogpoging Aquaview “ [naam 1] ” op server [gemeente 1]

24 maart 2019 21:36:18

Inlogpoging Aquaview “ [naam 2] ” op server [gemeente 1]__

Proces-verbaal van bevindingen

Ik, verbalisant, inspecteur werkzaam als digitaal specialist bij de Eenheid Midden-Nederland, verklaar het volgende:

Op 6 mei 2019 werd omstreeks 14:30 door medewerkers van de Gemeente [gemeente 1] bij het gemaal aan de [adres 11] [gemeente 1] een laptop aangetroffen, in plastic verpakt, samen met latex handschoenen en een oplader. Deze laptop, een Dell Latitude e6410, werd overgedragen aan de Politie Midden-Nederland. Van deze laptop werd een forensische kopie gemaakt, hiervan is een apart proces-verbaal opgemaakt met nummer 20190812101002602.digi. In aanvulling hierop is tevens te zien dat de laptop heeft aangestraald op het volgende netwerk:

Naam

Datum/Tijd

MAC-adres

AndroidAP

23-3-2019 20:57:35

[nummer 4]

Proces-verbaal van bevindingen

Tijdens het verhoor van verdachte [naam 1] op 30 januari 2020 werd de telefoon van verdachte korte tijd in beslag genomen. Het ging hier om een goudkleurige Samsung J5 met het IMEI-nummer [nummer 1] . Dit IMEI-nummer kwam overeen met het nummer bekend uit het onderzoek en is in 2019 gebruikt in combinatie met het telefoonnummer + [telefoonnummer] , waarvan verdachte de te naam gestelde is. Verdachte ontgrendelde voor mij zijn toestel. Hierop ben ik naar de instellingen van het toestel gaan en zag dat het MAC-adres [nummer 3] was. Ik zag dat het MAC-adres dus overeenkwam met het MAC- adres wat werd aangetroffen op de laptop, zie hiervoor voorts proces-verbaal nummer 217 “PV bevinding tweede onderzoek aangetroffen laptop Dell” (te weten het vorige bewijsmiddel dat door het hof in dit arrest is uitgewerkt). Dit betekent dat op 24 maart 2019 om 20:57 de telefoon van verdachte een verbinding heeft gehad met de aangetroffen laptop.

Aangifte van de diefstal van de laptop door verdachte

Gegevens aangever

Naam [verdachte 2]

Slachtoffers

[bedrijf 6]

[adres 3]

2861VG [plaats 2]

Tijdstip geconstateerd: 06-03-2019 17:05 uur.

‘Tijdens bezoek in de supermarkt te [plaats 5] is mijn laptop ontvreemd. Merk: Dell, Type: Latitude E6410.

Proces-verbaal van bevindingen

Ik heb haar gevraagd of achterhaald kon worden wanneer verdachte zijn internetaangifte met nummer PL1500-2019079111 had verzonden. Zij heeft dit voor mij uitgezocht en kwam op de volgende datum en tijdstip uit: 24 maart 2019 om 14:10 uur.

Verklaring van verdachte op de zitting van het hof

De bij het gemaal aangetroffen laptop betreft mijn laptop. Ik heb deze laptop (Dell Latitude E6410) zelf aangeschaft. Ik heb geen twee laptops van dit model gehad.

Het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1]

Ik was afdelingshoofd ruimtelijke ontwikkeling en beheer. [naam 1] zat in mijn team.

P: Wie keurde de facturen van [bedrijf 3] goed voor betaling?

G: In dit geval was dat [naam 1] . Facturen werden gescand en daarmee dus digitaal aangeleverd aan de budgethouder. Die beoordeelt en codeert de factuur, waarna de factuur bij mij terechtkwam of bij mijn naaste collega. Dit betreft de interne controle zoals het bij de gemeente weg was gezet. Inhoudelijk bekeek ik de factuur niet. Ik heb 18 budgethouders onder mij gehad, dat was voor mij geen doen geweest. Ik gaf alleen toestemming voor de daadwerkelijke uitbetaling.

Proces-verbaal van bevindingen: vergelijking gefactureerde uren [bedrijf 1] - [bedrijf 3] - Gemeente [gemeente 1]

Naar aanleiding van de aangifte welke door de Gemeente [gemeente 1] werd gedaan, zijn alle facturen ter beschikking gesteld die door de Gemeente [gemeente 1] van [bedrijf 3] zijn ontvangen. Door de eigenaar van [bedrijf 1] , [naam 5] , zijn alle facturen ter beschikking gesteld die door [bedrijf 1] zijn verzonden aan [bedrijf 3] . De facturen betreffen uren die door [bedrijf 1] zijn besteed in verband met rioleringswerkzaamheden. Door mij zijn de facturen die door [bedrijf 3] zijn verstuurd aan de Gemeente [gemeente 1] vergeleken met de facturen die door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] zijn verstuurd. Hieruit valt op te maken dat, met name vanaf 2015 tot en met september 2016, meer uren zijn gefactureerd aan de Gemeente [gemeente 1] dan op de facturen van [bedrijf 11] worden vermeld.

Proces-verbaal van bevindingen: vergelijking facturen [bedrijf 2] - [bedrijf 3] - Gemeente [gemeente 1]

Op maandag 12 februari 2018 werden de woningen van verdachte [verdachte 2] en zijn ouders, in respectievelijk [plaats 2] en [plaats 6] , doorzocht. Op de locatie [plaats 6] werd een server in beslag genomen. Naar aanleiding van de op de server aangetroffen facturen van onderaannemer VOF Loonbedrijf [bedrijf 2] (verder [bedrijf 2] genoemd), is nader onderzoek gedaan. Uit de vergelijking blijkt onder meer onderstaande:

op facturen tussen 15-02-2016 en 01 -10-2016 werd door [bedrijf 3] in totaal 86,9 uren meer gefactureerd aan [gemeente 1] dan [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] factureerde;

het tarief dat [bedrijf 3] aan [gemeente 1] factureerde voor het gebruik van materialen, zoals zand en grind, was hoger dan Zijderlaan aan [bedrijf 3] factureerde.

- datum 15-02-2016 factuurnr R20 ophogen uren met 7,75.

- datum 10-06-2016 factuurnr R28 ophogen uren met 11.

- datum 30-08-2016 factuurnr R42 ophogen uren met 17,50.

- datum 01-10-2016 factuurnr R47 ophogen uren met 2.

- In onderstaande gevallen werden gebruikte materialen, zoals zand en grind, in facturen van [bedrijf 3] aan [gemeente 1] opgehoogd:

Bijlagenr. [bedrijf 2]

Aantal materiaal

Bijlagenr. [bedrijf 3]

Aantal materiaal

Verschil

S94

0.25 m³

R36

2,25 m³

2 m³

S95

3 m³

R36

5,5 m³

2,5 m³

S99

4 stuks

R45

7 stuks

3 stuks

- Op 02-05-2016, in factuur 20160696 met bijlage nummer R36, werd door [bedrijf 3] € 421,88 gefactureerd aan [gemeente 1] voor een storing in [plaats 7] . Deze werkzaamheden werden niet aangetroffen in de facturen van Zijderlaan aan [bedrijf 3] .

Facturen afkomstig van [bedrijf 3] . aan de gemeente [gemeente 1]

R20, R28, R36, R42, R45, R47,

Factuur R5A met bijbehorende specificatie: 26-06-15 ‘ [adres 4] , totaal/hoeveelheid 8,00’.

Werkbon [bedrijf 1] (documentcode V1B): Datum 26-06-15. Aantal/stuks 2,50 ‘Lekdijkwest 17, 19 en 19a verhelpen looptijdstoring’.

Factuur R18 met bijbehorende specificatie: 16-01-16 ‘Opsporen vac storing gemaal 6 klep vervangen [adres 5] ’, totaal/hoeveelheid 8,50.

Werkbon [bedrijf 11] (documentcode VI8B) Datum 16-01-16. Aantal/stuks 5

Opsporen vac storing gemaal 6 klep vervangen [adres 5] .

Factuur R41 met bijbehorende specificatie: 24-06-16 ‘Dorp 113 Vetkluiten onder de bal waardoor klep open bleef, totaal/hoeveelheid 5 uur’;

25-06-16 ‘Diverse gemalen nalopen en BBB geblokkeerd, totaal/hoeveelheid 4 uur’; Werkbon [bedrijf 11] (documentcode V16B)

Datum 24-06-16 . Aantal/stuks 4 Dorp 113 Vetkluiten onder de bal waardoor de klep open bleef.

Datum 25-06-16 Aantal/stuks 1 ‘Diverse gemalen nalopen en BBB geblokkeerd’.

Factuur R48 met bijbehorende specificatie: 23-11-16 ‘storing div gemalen lekdijk en 113 totaal/hoeveelheid 4 uur en 7,25 uur’.

Werkbon [bedrijf 1] (documentcode V28B) Datum 01-03-2017.

Aantal/stuks 1 [adres 6] a Put vol.

Aantal/stuks 2 [adres 7] Thermisch uit vuil verwijdert.

Uittreksels Handelsregister Kamer van Koophandel van 17 maart 2015

Uittreksel van 17 maart 2015

Statutaire naam: [bedrijf 3]

Datum akte van oprichting: 11 maart 2015

Bestuurder: [naam 6] , [naam 7]

Bevoegdheid: alleen/zelfstandig bevoegd

Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel van 12 maart 2015

Statutaire naam: [bedrijf 3]

Datum akte van oprichting: 11 maart 2015

Werkzame personen: 1

Bestuurder: [bedrijf 3]

Bevoegdheid: alleen/zelfstandig bevoegd

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2]

[naam 1] belde mij rond 18 februari 2015 om te vragen of ik wilde helpen met een doorstart van [bedrijf 7] . Er is toen een aandelenstructuur opgezet waarbij de moeder en de zoon Martin de aandelen zouden krijgen. [naam 6] zou aantreden als directeur. [naam 1] heeft mij hiervoor benaderd. Zijn naam mocht hier niet bij betrokken worden, omdat veel opdrachtgevers hem kenden vanuit het bedrijf [bedrijf 7] dat failliet is gegaan. Dus om onrust te voorkomen mocht de naam niet aan [bedrijf 3] worden verbonden.

Met wie van dit bedrijf ( [bedrijf 3] ) had u contact?

Met [naam 8] . Met [naam 6] heb ik een aantal keer overleg gehad. Hij was een bedrijfsleider/uitvoerder. Ik verwacht dat hij goed op de werkvloer was. [naam 8] denkt organisatorisch en juridisch, Willem denkt meer vanuit een praktisch oogpunt.

In welke hoedanigheid is [naam 1] volgens u verbonden aan [bedrijf 3] ?

Van oudsher was hij verbonden omdat hij zijn ouders wilde helpen om het bedrijf [bedrijf 7] op de been te houden. Op papier was hij niet verbonden aan [bedrijf 3] . Hij was de spreekbuis voor zijn familie en [naam 6] .

Is het dan zo dat de mails van ‘medewerker administratie’ volgens u allemaal door dhr. [naam 8] werden verzonden?

Dat vermoedde ik wel altijd.

Proces-verbaal van bevindingen

Naar aanleiding van een vordering verstrekking historische gegevens gedaan conform artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering aan [bedrijf 8] , werden de volgende gegevens verstrekt:

Bijlage 021 t/m 024 is een contract genaamd ‘Koopoptie aandelen en vastleggen overige afspraken’. Deze werd als bijlage verzonden in een mail van [bedrijf 12] aan [bedrijf 3] , gedateerd 24-03-2017 (bijlage 019). Dit is een overeenkomst tussen partij 1: [naam 6] en partij 2: [verdachte 2] . Hierin staan onder andere de volgende zinnen:

Partijen hebben begin van het jaar 2015 de intentie uitgesproken om samen een onderneming te starten middels het oprichten van een besloten vennootschap genaamd ‘ [bedrijf 4] BV’. Partijen hebben de wens geuit, om de onderneming zo spoedig mogelijk ten name van partij 2 te laten zetten. Dit kan echter (nog) niet op korte termijn in verband met mogelijke onvoorziene en onbedoelde consequenties.

Alle voorkomende werkzaamheden zullen worden voorbereid en uitgevoerd in overleg met partijen, conform de algemene geldende regels en normen, waarbij uitgangspunt is, dat partij 2 de uiteindelijke beslissing neemt.

Proces-verbaal van bevindingen

Naar aanleiding van een vordering verstrekking historische gegevens over de periode 01-03- 2015 tot en met 05-03-2018, bij de [bedrijf 9] , betreffende verdachte [verdachte 2] , werden mij de volgende gegevens verstrekt:

Het betreft de kopie bankafschriften van rekeningnummers [nummer 5] en [nummer 6] op naam van [verdachte 2] . In totaal werd er in 2 bijschrijvingen € 31.698,79 bijgeschreven vanaf rekeningnummer [nummer 7] , ten name van [bedrijf 3] , dit gebeurde in onderstaande bijschrijvingen:

Op 05-10-2015 werd er € 11.698,79 bijgeschreven door [bedrijf 3] , in de omschrijving stond [nummer 8] .

Op 22-11-2017 werd er € 20.000,00 bijgeschreven door [bedrijf 3] , in de omschrijving stond [nummer 9] .

Proces-verbaal van bevindingen

Naar aanleiding van een vordering verstrekking historische gegevens over de periode 01-03- 2015 tot en met 05-03-2018, bij de KNAB Bank, betreffende [bedrijf 10] . (verder [bedrijf 10] genoemd), werden mij de volgende gegevens verstrekt:

Op betaalrekening [nummer 10] ten name van [bedrijf 10] is de bestuurder en tevens gemachtigde Mevrouw [naam 9] , (het hof begrijpt: de echtgenote van verdachte), geboren op [geboortedatum] , gevestigd aan [adres 8] [plaats 2] . De onderneming heeft een rekening bij Knab sinds 21-01-2016.

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat er totaal € 127.771,00 werd bijgeschreven vanaf rekeningnummer [nummer 7] ten name van [bedrijf 3] .

Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte bij de politie van 8 mei 2019

Wie maakten er gebruik van deze server?

V: Ik weet niet precies, maar ik denk de ouders, de [bedrijf 7] . Ik weet dat [bedrijf 3] erop zat en misschien dat [naam 1] er ook gebruik van maakte.

Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte van 25 juli 2019

Ik ben de enige bestuurder en verantwoordelijk.

Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de politie

P: Je hebt in een eerder verhoor verteld dat je je uitgaf voor [naam 10] . Wat kan je daarover verklaren?

V: Dat vertelde ik net al, dat deed ik in overleg met [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte).

P: Wie was verantwoordelijk voor [bedrijf 10] .

V: Ik met mijn vrouw. Mijn vrouw wil er niks mee te maken hebben met het bedrijf.

Het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 2 ten laste gelegde

Proces-verbaal van aangifte Gemeente [gemeente 1]

Ik doe aangifte van verduistering in dienstbetrekking van een tablet (computer) zoals genoemd in de goederenbijlage. Bij deze doe ik ook een klacht hierover. Dat de tablet was aangeschaft met geld van de gemeente [gemeente 1] en dat de tablet is afgeleverd op het adres [adres 9] te [gemeente 1] is wel duidelijk. Ik werd na 12 februari 2018 gebeld door een politieman met de mededeling dat deze tablet was aangetroffen tijdens een huiszoeking in een woning die in gebruik was bij verdachte. Ik heb deze politieman toen meteen gezegd dat verdachte de laptop niet rechtmatig in zijn bezit had.

Proces-verbaal van verhoor van verdachte

P: Waar woon je nu?

V: Nog in [plaats 2] .

P: Volgens de aangever had je de tablet moeten inleveren toen je dienstverband in 2017 beëindigd werd, hoe zit dit?

V: Ja, ik had hem in moeten leveren.

Proces-verbaal van relaas

[verdachte 2] werd driemaal gehoord. Zakelijk weergegeven verklaarde hij onder andere dat hij vanaf maart 2010 tot 1 juli 2017 bij de Gemeente [gemeente 1] heeft gewerkt.

Bewijsoverweging

Het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde

Anders dan door de raadsvrouw betoogd, volgt uit de hierboven door het hof uitgewerkte bewijsmiddelen dat de aangetroffen laptop (Dell Latitude E6410) daadwerkelijk de laptop is geweest waarmee op 24 maart 2019 vanuit [plaats 1] de inlogpogingen op de server van de gemeente (via het programma Aquaview) zijn verricht en dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die achter deze inlogpogingen heeft gezeten. De verklaring van verdachte dat hij op die dag niet in [plaats 1] , maar thuis was, acht het hof in het licht van deze bewijsmiddelen niet geloofwaardig en niet aannemelijk geworden. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat via de aangetroffen en onderzochte laptop op 24 maart 2019 om 21:37:55 uur, enkele minuten na de twee mislukte inlogpogingen, verbinding werd gemaakt met ‘ [website] ’. Hierbij werd gebruikgemaakt van de gebruikersnaam ‘domein\ [naam 4] ’. ‘ [website] ’ heeft het IP-adres [nummer 11] , te naam gesteld op [adres 10] te [plaats 2] , het woonadres van verdachte. Daarbij komt dat voor één van de twee inlogpogingen gebruik is gemaakt van het oude Aquaview-account van verdachte. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte een telefoon met daaraan verbonden het MAC-adres [nummer 3] in gebruik heeft gehad en dat die telefoon (met datzelfde MAC-adres) één dag voor het voorval (op 23 maart 2019) verbonden is geweest met de desbetreffende laptop. Anders dan door de raadvrouw betoogt, ziet het hof in het dossier, en in hetgeen door haar is aangevoerd, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat de desbetreffende Samsung J5 een ander toestel is geweest dan de toestellen die verdachte van de gemeente heeft gekregen (en ook heeft gebruikt), laat de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene namelijk onverlet. Dit geeft er immers enkel blijk van dat verdachte meerdere toestellen tot zijn beschikking heeft gehad in (of rondom) de ten laste gelegde datum. Hieruit volgt niet dat hij de betreffende Samsung J5 niet heeft gebruikt of heeft kunnen gebruiken. Een en ander geldt ook voor de omstandigheden dat Samsung (als fabrikant) de technische koppeling tussen het IMEI-nummer en het MAC-adres niet heeft bevestigd, dat de bij de laptop aangetroffen latex handschoenen niet zijn onderzocht en dat verbalisant [verbalisant 1] in het proces-verbaal van 8 januari 2020 een kennelijke schrijffout heeft gemaakt. Ook het gegeven dat verdachtes telefoonnummer (+ [telefoonnummer] ) in het dossier niet enkel aan het IMEI-nummer [nummer 1] , maar tevens aan een ander IMEI-nummer wordt gekoppeld, maakt het oordeel van het hof niet anders. Zo is het goed mogelijk dat een simkaart met daaraan gekoppeld een telefoonnummer voor verschillende toestellen, met verschillende IMEI-nummers, is gebruikt. Zeker nu uit het voorgaande blijkt dat verdachte over verschillende toestellen heeft beschikt. Tot slot geldt dat ook de door de verdediging overgelegde rittenregistratie (in combinatie met de SYLOG-registraties van verdachtes thuisnetwerk waarin het MAC-adres [nummer 3] voorkomt) het oordeel van het hof niet anders maken. Het hof kan hieraan namelijk geen bewijskracht ontlenen nu niet vast te stellen is of deze registratie authentiek is, en zo ja, van welk voertuig deze afkomstig is en of verdachte in dat betreffende voertuig heeft gezeten op het door de verdediging gestelde moment.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 2 ten laste gelegde

De laptop die bij het gemaal van de gemeente is aangetroffen en waarmee de poging computervredebreuk is gepleegd (het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde) is eenzelfde type laptop van het merk Dell als de laptop waarvan verdachte aangifte heeft gedaan op dezelfde dag als de dag waarop de desbetreffende poging tot computervredebreuk is gepleegd, namelijk op 24 maart 2019. Sterker nog, verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat de bij het gemaal aangetroffen laptop de door hem aangeschafte Dell-laptop betrof en dat hij niet twee laptops van datzelfde type heeft gehad. Een en ander maakt, in combinatie met de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen en dat wat het hof ten aanzien van in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, dat het hof van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ten tijde van het doen van aangifte op 24 maart 2019 wist dat de diefstal van de desbetreffende laptop niet had plaatsgevonden.

Derhalve acht het hof het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 2 ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde

7.4.3.1. Bewijsuitsluitingsverweer

Het hof heeft hierboven ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie overwogen dat de politie een selectie heeft gemaakt van de relevante stukken uit de desbetreffende administratie, deze heeft onderzocht, hierover heeft geverbaliseerd en dat het dossier geen aanknopingspunten biedt op grond waarvan aan deze selectie of de wijze waarop deze is gemaakt, dan wel aan de inhoud van het dossier, getwijfeld zou moeten worden. Het hof is dan ook van oordeel dat de administratie die in het dossier zit, ook zonder de onderliggende stukken, voor het bewijs kan worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw slaagt niet.

7.4.3.2. Medeplegen valsheid in geschift en gebruikmaken van valse geschriften

Het hof is, in tegenstelling tot het standpunt van de raadsvrouw, van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde op basis van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiervoor acht het hof niet van belang dat op basis van de bewijsmiddelen of de overige inhoud van het dossier niet vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die zelf de desbetreffende facturen valselijk heeft opgemaakt en heeft gebruikt. Het feit is immers ten laste gelegd in de vorm van ‘medeplegen’. Medeplegen vereist een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het accent ligt op de samenwerking en niet zo zeer op wie welke feitelijke handelingen precies heeft verricht. Zo is niet vereist dat de medeplegers, ieder voor zich, alle bestanddelen van de tenlastelegging vervullen, zolang sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is van belang dat de bijdrage van verdachte voldoende substantieel is geweest. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

In dit kader geldt dat uit de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte weliswaar op papier eigenaar was van [bedrijf 3] en blijkens zijn eigen verklaring verantwoordelijk was, maar dat verdachte feitelijk ook nauw betrokken is geweest bij [bedrijf 3] . Dat blijkt, naast verdachtes eigen verklaring, uit de volgende feiten en omstandigheden. Zo ontving verdachte grote geldbedragen op zijn privérekening en op de rekening van het bedrijf [bedrijf 5] (waarover verdachte heeft verklaard hij verantwoordelijk was en zijn vrouw er niets mee te maken wilde hebben) vanaf het rekeningnummer van [bedrijf 3] . Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich ook feitelijk bezig hield met de bedrijfsvoering van [bedrijf 3] . Uit de verklaring van getuige Van den Oever blijkt dat, als hij contact had met [bedrijf 3] , dit vooral via verdachte ging. Dat wordt bevestigd door de, niet getekende, maar wel in opdracht van verdachte opgestelde, overeenkomst tussen verdachte en de medeverdachte. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich enige tijd heeft uitgegeven voor twee fictieve medewerkers van [bedrijf 3] . Dat er in de ten laste gelegde periode naast verdachte en de medeverdachte nog andere mensen (administratieve) werkzaamheden voor [bedrijf 3] hebben verricht, blijkt nergens uit. In de administratie zijn geen loonbetalingen gevonden, [bedrijf 3] had volgens de gegevens van de belastingdienst en het UWV geen werknemers in dienst. Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte fungeerde als bestuurder en uitvoerende man, waar verdachte feitelijk (mee)besliste over de bedrijfsvoering en administratief betrokken was.

Een en ander brengt met zich mee dat het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde feit niet zou kunnen zijn gepleegd zonder de medewerking van verdachte. Verdachte had vrij spel vanwege zijn dubbelrol binnen [bedrijf 3] (als aannemer) en bij de gemeente (als opdrachtgever). Hoewel verdachte formeel gezien niet de definitieve budgetverantwoordelijke was bij de gemeente [gemeente 1] , blijkt uit bovenvermelde bewijsmiddelen dat hij in feite wel als zodanig fungeerde. Hij was degene die de eerste controle van de ingediende facturen deed. In de praktijk keek er vervolgens niemand meer naar. Na zijn goedkeuring ontving [bedrijf 3] , dus de geldbedragen die op de facturen werden vermeld.

Verrichte werkzaamheden en hoeveelheden gebruikte materialen

Uit de vergelijking van de ten laste gelegde facturen van [bedrijf 3] met die van de onderaannemers blijkt dat in bijna alle gevallen meer uren worden gefactureerd door [bedrijf 3] aan de gemeente [gemeente 1] dan de onderaannemers aan [bedrijf 3] hebben gefactureerd. Ten aanzien van factuur R47 blijkt uit vergelijking met de daaraan onderliggende factuur van de onderaannemer, anders dan door de raadsvrouw betoogd, dat er twee uren meer gefactureerd zijn dan de onderaannemer bij [bedrijf 3] in rekening heeft gebracht. Ten aanzien van factuur R48 geldt dat voor het grootste gedeelte van de gefactureerde posten in het geheel geen onderliggend factuur kan worden gevonden. Ditzelfde geldt voor de hoeveelheden aan materialen in een aantal facturen; [bedrijf 3] heeft aan de gemeente meer eenheden aan materialen in rekening gebracht dan daadwerkelijk door de onderaannemers zijn gebruikt. De mogelijkheid die de raadsvrouw ter terechtzitting heeft geopperd, namelijk dat het ook zo kan zijn dat [bedrijf 3] de te veel gefactureerd uren of hoeveelheden aan materialen, naast de door de onderaannemers bij [bedrijf 3] in rekening gebrachte uren/hoeveelheden, toch (aanvullend) heeft gemaakt/gebruikt door deze werkzaamheden/materialen zelf uit te voeren/gebruiken of door andere onderaannemers uit te laten voeren/gebruiken, is speculatief, niet nader door verdachte onderbouwd en wordt bovendien niet door de inhoud van het dossier ondersteund. Ook de stelling dat [bedrijf 3] soms ook uren en kilometers niet heeft doorberekend aan de gemeente, voor zover dit al zou kunnen worden aangenomen, ontneemt niet de valsheid van de betreffende facturen. Hetzelfde geldt voor hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de afspraak die het voor [bedrijf 3] mogelijk maakte om te factureren op basis van geschatte ureninzet van de onderaannemers. Deze afspraak gold immers slechts voor zover compensatie volgde van achteraf gebleken onjuiste facturatie. Nergens uit het dossier blijkt dat deze compensatie plaats heeft gevonden. Bovendien volgt hieruit niet dat er ook ten aanzien van de eenheden aan gebruikte materialen meer gefactureerd mocht worden.

Partiële vrijspraak

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende is gebleken dat verdachte of medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het in de facturen valselijk in rekening brengen van een te hoog uurtarief aan loon. Het hof stelt vast dat [bedrijf 3] weliswaar een (veel) hoger tarief aan loon heeft doorberekend aan de gemeente [gemeente 1] dan de onderaannemers aan [bedrijf 3] hebben gefactureerd, maar dit tarief is in overeenstemming met het tarief dat is opgenomen in de offerte van 25 maart 2015 en door de gemeente is geaccepteerd bij brief van 8 april 2015 en is aangepast in het Startoverleg Rioolbeheer [gemeente 1] van 11 mei 2015. Dat de gehanteerde marges extreem veel hoger zijn dan in deze bedrijfstak gebruikelijk is, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de facturen op dit onderdeel valselijk zijn opgemaakt. Hetzelfde geldt, in lijn met het standpunt van de raadsvrouw, voor de hogere tarieven die per eenheden materia(a)l(en) werden doorberekend. Dat [bedrijf 3] per eenheid ten aanzien van de materialen (die zij als het ware inkochten) een hoger tarief aan de gemeente doorberekende in de desbetreffende facturen, dan de onderaannemers bij [bedrijf 3] in rekening bracht, levert niet zonder meer valsheid op. Verder geldt dat uit het dossier niet is gebleken dat er (buiten een hoger uurtarief ook) meer uren of hoeveelheden materialen in rekening zijn gebracht door middel van facturen R49 en R53. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde.

Het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 2 ten laste gelegde

Anders dan door de raadsvrouw betoogd, is het hof van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de bedoeling heeft gehad zich de tablet wederrechtelijk toe te eigenen. Dat uit de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de finale kwijting niet blijkt dat iets over de tablet is overeengekomen en uit het dossier blijkt dat de gemeente, op het moment van het maken van die afspraken, wist dat zij de tablet miste, maken dit niet anders. Sterker nog, ook verdachte wist op dat moment dat de gemeente de desbetreffende tablet nog miste en heeft dit, wetende dat hij de tablet nog in zijn bezit had, moedwillig verzwegen. Nu de gemeente niet wist dat verdachte de tablet nog altijd onder zich had, maakt bovendien dat de finale kwijting ook geen betrekking kan hebben gehad op de tablet. Datzelfde geldt eveneens voor zover verdachte heeft beoogd te stellen dat hij het tablet rechtmatig onder zich had vanwege een hem toekomend retentierecht.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof ook het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat het hof verdachte partieel zal vrijspreken van de periode tot en met 1 juli 2017. Dat verdachte zich in die periode schuldig zou hebben gemaakt aan verduistering acht het hof niet bewezen nu verdachte op 1 juli 2017 uit dienst is getreden bij de gemeente [gemeente 1] en uit het dossier niet blijkt dat hij in de periode daarvoor niet over de tablet mocht beschikken.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

In de zaak met parketnummer 16-024672-20:

onder 1

hij op tijdstippen gelegen op 24 maart 2019 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om telkens opzettelijk en wederrechtelijk in (een gedeelte van) een geautomatiseerde werk, te weten de server voor het beheer van de rioolwatervoorziening van de gemeente [gemeente 1] , binnen te dringen met voornoemd opzet

- om 21:22:36 met een laptop verbinding gemaakt met het wifi-netwerk (McDonald's free Wifi) van de vestiging van de McDonalds in [plaats 1] en vervolgens

- om 21:28:59 de website watismijnip.nl bezocht en vervolgens

- om 21:29:42 een USB-stick in de laptop geplaatst en vervolgens

- om 21:31:03 bestanden van deze USB-stick gekopieerd naar de laptop voor het starten van

het programma Aquaview en vervolgens

- om 21:32:36 de USB-stick verwijderd en vervolgens

- om 21:33:03 het programma displaypp.exe (Aquaview) gestart en vervolgens

- om 21:34:04 een inlogpoging gedaan op Aquaview met account [naam 1] en vervolgens

- om 21:36:18 een inlogpoging gedaan op Aquaview met account [naam 2] terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

onder 2

hij op 24 maart 2019 te [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, ter zake van diefstal van een laptop, wetende dat dat strafbare feit niet was gepleegd;

In de zaak met parketnummer 16-201292-19 (gevoegd):

onder 1

primair hij op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2017, te [plaats 2] , [plaats 3] , [gemeente 1] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een rechtspersoon en een natuurlijke persoon, meermalen,

meerdere facturen afkomstig van [bedrijf 3] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en R18 (p. 1683-1684) en R20 (p. 1687-1688) en R28 (p. 1706-1707) en R36 (p. 1722-1724) en R41 (p. 1769-1771) en R42 (p. 1772-1776) en R45 (p. 1787-1789) en R47 (p. 1795-1800) en R48 (p. 1801-1805) gericht aan de gemeente [gemeente 1] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken,

immers hebben verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid telkens

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en

meer kosten aan materialen in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

en

meermalen, opzettelijk gebruik hebben gemaakt van een valse factuur inhoudende uitgevoerde werkzaamheden met opgave van het aantal uren en het aantal materialen, te weten

een of meerdere facturen afkomstig van [bedrijf 3] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en R18 (p. 1683-1684) en R20 (p. 1687-1688) en R28 (p. 1706-1707) en R36 (p. 1722-1724) en R41 (p. 1769-1771) en R42 (p. 1772-1776) en R45 (p. 1787-1789) en R47 (p. 1795-1800) en R48 (p. 1801-1805) gericht aan de gemeente [gemeente 1] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en zijn mededaders de voornoemde facturen hebben ingestuurd naar de gemeente [gemeente 1] ten behoeve van de betaling van deze facturen

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , en

meer kosten aan materialen in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente 1] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] ;

onder 2

hij in de periode van 2 juli 2017 tot en met 1 mei 2018 te [plaats 2] en [gemeente 1] , opzettelijk een tablet, te weten een tablet van het merk Ubiqonn, type Ruggon pm-511-w, dat geheel toebehoorde aan de Gemeente [gemeente 1] , en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker bij de Gemeente [gemeente 1] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

- in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 2: verduistering.

10. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

11. Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.

Verdachte heeft zich allereerst samen met zijn medeverdachte meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het gebruikmaken van die valse geschriften. Zo hebben zij samen gedurende een periode van een aantal jaren, binnen het bedrijf [bedrijf 3] , facturen valselijk opgemaakt en deze gericht aan de gemeente [gemeente 1] . Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte hierin het grootste aandeel heeft gehad. Niet alleen had hij feitelijk zeggenschap binnen het bedrijf [bedrijf 3] , maar was hij vanuit zijn rol als budgethouder bij de gemeente [gemeente 1] ook degene die rechtstreeks opdrachten gaf aan [bedrijf 3] en vervolgens zelf de facturen goedkeurde die door [bedrijf 3] bij de gemeente werden ingediend. Doordatde medeverdachte, in overleg met verdachte, naar buiten optrad als gezicht achter het bedrijf [bedrijf 3] is deze gang van zaken gedurende langere tijd mogelijk gemaakt. Verdachte heeft zo op listige wijze misbruik gemaakt van de situatie en het vertrouwen dat door de gemeente in hem, als medewerker, was gesteld. Daarbij komt dat hij niet is gestopt met zijn handelingen toen zijn dienstbetrekking bij de gemeente, na een integriteitsonderzoek, was beëindigd. Zo is hij, zich voordoend als niet bestaande werknemers van [bedrijf 3] , ook daarna in contact gebleven met de gemeente namens [bedrijf 3] . Verdachte heeft met zijn handelen enkel oog gehad voor zijn financieel gewin (en dat van medeverdachte) en zich niet bekommerd over de schadelijke gevolgen daarvan voor de gemeente en diens inwoners. Grote sommen gemeenschapsgeld zijn ten onrechte door de gemeente betaald, waardoor de gemeente grote financiële schade heeft geleden. Daarbij komt dat verdachte eveneens het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in facturen moet kunnen worden gesteld, heeft geschaad.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering, een poging tot computervredebreuk en het doen van een valse aangifte. Al deze feiten zijn gepleegd in de constellatie van misbruik maken van de (eerdere) positie van verdachte als gemeenteambtenaar. Hierbij is verdachte steeds zeer geraffineerd te werk gegaan.

Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 21 juli 2026. Daaruit volgt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Ook heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 14 augustus 2018 dat met betrekking tot verdachte door Reclassering Nederland is opgemaakt.

Het hof heeft ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dit kader heeft verdachte op de zitting van het hof naar voren gebracht dat hij al lange tijd lijdt onder deze strafzaak en de daaraan gerelateerde fiscaalrechtelijke- en privaatrechtelijke procedures die lopen. Dit alles heeft een grote impact gehad op zijn gezin. Ook is hij door het voorval veel vrienden kwijtgeraakt. Verder kon hij lange tijd, vanwege onderhavige strafzaak, geen Verklaring Omtrent het Gedrag krijgen. Inmiddels is dat anders en is hij weer werkzaam bij een gemeente. Naar eigen zeggen, is hij bij zijn nieuwe werkgever transparant geweest over onderhavige strafzaak en wat er verder heeft gespeeld bij de gemeente [gemeente 1] . Financieel gezien heeft verdachte het moeilijk. Een groot gedeelte van zijn inkomen besteedt hij aan advocatenkosten voor het voeren van de verschillende procedures die lopen.

Gelet op het hiervoor overwogene, met name gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, acht het hof in beginsel, in lijn met het vonnis van de rechtbank, passend de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden in hoger beroep. Verdachte heeft namelijk blijkens de akte van het instellen van het hoger beroep op 10 juni 2021 hoger beroep ingesteld. Onderhavig arrest is op 3 september 2026 uitgesproken. Tussen deze twee data is een tijd verstreken van 5 jaren en afgerond 2 maanden. De termijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren. De termijn is dus overschreden met 3 jaren en afgerond 2 maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een vermindering van voornoemde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.

Alles in overweging nemend, acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke deel van deze straf zal als stok achter de deur dienen om verdachte ervan te weerhouden wederom (vergelijkbare) strafbare feiten te plegen.

12. Beslag

Blijkens verdachtes eigen verklaring behoort de in beslag genomen laptop (583548) aan hem toe. Het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 bewezenverklaarde is begaan met behulp van deze laptop. Het hof zal de laptop dan ook verbeurdverklaren. Bij deze beslissing heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

13. Vordering van de benadeelde partij Gemeente [gemeente 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 524.239,65 aan materiële schade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de vordering zoals deze aanvankelijk is ingediend.

De benadeelde partij heeft de verschillende schadeposten van deze vordering gemotiveerd. Het betreft echter een complexe vordering, waarbij niet steeds duidelijk is welke posten het gevolg zijn van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zijn medeverdachte, terwijl het dossier onvoldoende informatie biedt om de omvang van de daadwerkelijke schade vast te kunnen stellen. De vordering is bovendien uitgebreid door de verdediging betwist. Ook is de bevoegdheid van de burgemeester tot het instellen van de vordering door de verdediging stellig betwist. Een en ander leidt ertoe dat nader onderzoek is vereist om op de vordering van de benadeelde partij te kunnen beslissen. Hiervoor biedt het strafproces geen ruimte. Daarbij komt dat er al een civielrechtelijke procedure is gestart die zich momenteel in de fase van het hoger beroep bevindt. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de behandeling ervan een onevenredige belasting van de strafprocedure zou opleveren. De benadeelde-partij kan de vordering nog wel indienen bij de burgerlijke rechter (hetgeen al door de benadeelde partij is gedaan).

14. Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 45, 47, 57, 138ab, 188, 225 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.

15. BESLISSING

Het hof:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de partiële vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op factuur R58.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-024672-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-201292-19 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Computer (583548).

Vordering van de benadeelde partij Gemeente [gemeente 1]

Verklaart de benadeelde partij Gemeente [gemeente 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. T.H. Bosma en mr. Z.J. Oosting, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand