[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Het hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 20 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
€ 100.000,00 en de onder hem in beslag genomen auto, een [automerk 1] , zal verbeurdverklaren en zal gelasten dat de onder de verdachte in beslag genomen telefoon, [merk telefoon] , aan hem zal worden teruggeven;
- het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. I.J.M. de Wit, is aangevoerd op de zitting van het gerechtshof van
20 augustus 2026.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis. In dat vonnis heeft de rechtbank:
€ 100.000,00 en de onder hem in beslag genomen auto, een [automerk 1] , verbeurdverklaard en gelast dat de onder de verdachte in beslag genomen telefoon, [merk telefoon] , aan hem zal worden teruggeven;
- het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Het gerechtshof komt in dit arrest op een aantal onderdelen tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Noord-Nederland. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland van 3 april 2022 is de tenlastelegging nader omschreven. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) die cocaïne in een auto vervoerd en/of laten vervoeren met bestemming Duitsland, in elk geval met bestemming het buitenland;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in
Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer
30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, genoemde hoeveelheid cocaïne in een auto heeft/hebben vervoerd en/of laten vervoeren met bestemming Duitsland, in elk geval met bestemming het buitenland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of in/op overige plaatsen in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, van een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, (een) vervoermiddel(en), te weten een [automerk 1] , met kenteken [kenteken 1] , met daarin een verborgen ruimte en/of een [automerk 2] , met kenteken [kenteken 2] , met daarin een verborgen ruimte en/of gelden, te weten 250.000 euro, voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die [automerk 1] en/of die [automerk 2] en/of die 250.000 euro bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
2hij op of omstreeks 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of in/op overige plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of in/op overige plaatsen in Nederland en/of in Duitsland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te vervoeren, althans aanwezig te hebben, genoemde hoeveelheid cocaïne in een auto heeft/hebben vervoerd en/of laten vervoeren met bestemming Duitsland, in elk geval met bestemming het buitenland, en/of ten behoeve van de aankoop van die hoeveelheid cocaïne een geldbedrag, ongeveer 250.000 euro voorhanden heeft/hebben gehad,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of in/op overige plaatsen in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, (een) vervoermiddel(en), te weten een [automerk 1] , met kenteken [kenteken 1] , met daarin een verborgen ruimte en/of een [automerk 2] , met kenteken [kenteken 2] , met daarin een verborgen ruimte en/of gelden, te weten 250.000 euro, voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die [automerk 1] en/of die [automerk 2] en/of die 250.000 euro bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
3
hij op of omstreeks 14 juni 2021, te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in
Nederland, en/of in Duitsland, van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van ongeveer € 250.000, in ieder geval een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp is en/of dat voorwerp heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van de feiten 1 en 2
Het gerechtshof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Daarom spreekt het gerechtshof hem daarvan vrij. Het gerechtshof baseert deze beslissing op het volgende.
Het gerechtshof komt voor een deel tot eenzelfde vaststelling van de feiten en omstandigheden als de rechtbank:
Op 14 juni 2021 hebben leden van de Dienst Speciale Interventies in de vroege ochtend post
gevat met zicht op de parkeerplaats te [plaats] . Zij hebben gezien dat er omstreeks
06:30 uur twee voertuigen de parkeerplaats op zijn komen rijden, te weten een [automerk 3] en een [automerk 2] . Na het parkeren van deze voertuigen zijn twee van de drie verdachten, naar achteraf bleek de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , samen in de [automerk 3] gaan zitten. Om 06:35 uur is een [automerk 1] de parkeerplaats op komen rijden, welke direct naast de [automerk 2] werd geparkeerd. Kort hierna is [medeverdachte 2] - terwijl hij handschoenen aandeed - richting de [automerk 2] en de [automerk 1] gelopen en is de bestuurder van de [automerk 1] , naar achteraf bleek de verdachte [verdachte] , tussen de twee geparkeerde voertuigen in gaan staan. [medeverdachte 2] heeft zich hier bij gevoegd. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn met elkaar in gesprek gegaan en er werd een schuifdeur geopend. Kort hierna zijn de verdachte en [medeverdachte 2] in de richting van één van de agenten gelopen en hebben ze zijn kant op gewezen. Vanwege de mogelijke ontdekking van de verdekt opgestelde agenten en het gevaar voor vlucht heeft deze agent zich kenbaar gemaakt als politie.
Voornoemde voertuigen zijn onderzocht en in een verborgen ruimte in de [automerk 2] is ongeveer 30 kilo cocaïne aangetroffen en in een verborgen ruimte in de [automerk 1] is een geldbedrag aangetroffen van € 250.000,-.
Bij de politie heeft de verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Ruim drie
maanden na zijn aanhouding heeft hij een verklaring afgelegd. De verdachte heeft het volgende verklaard. Hij heeft een autoverhuurbedrijf en heeft de [automerk 1] in de maanden voorafgaand aan 14 juni 2021 verhuurd. De huurder heeft in mei 2021 aangegeven dat hij een verborgen ruimte in het voertuig had gebouwd. Op een dag heeft deze huurder aan de verdachte gevraagd of hij ergens geld wilde ophalen, om dit vervolgens naar Nederland te brengen. De verdachte zou hier € 1.500,- voor krijgen. De verdachte heeft gevraagd of het iets met drugs te maken zou hebben, want als dat het geval was, zou hij het niet doen. Op 13 juni 2021 is de verdachte naar Bremen gereden, waar hij twee tassen heeft gekregen. Hij is met deze tassen naar huis zijn gereden en heeft daar het geld geteld. Op 14 juni 2021 is de verdachte met het geld in de verborgen ruimte naar de parkeerplaats in [plaats] gereden om het geld af te geven. De verdachte heeft verder verklaard niets te hebben geweten van de cocaïne in de [automerk 2] en dus ook niets van een overdracht.
Anders dan de rechtbank acht het gerechtshof in het politieonderzoek onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor enige variant van de in de feiten 1 en 2 omschreven betrokkenheid van de verdachte bij de in de auto van de medeverdachte
[medeverdachte 2] aangetroffen hoeveelheid cocaïne.
Gezien de in de [automerk 2] aangetroffen hoeveelheid cocaïne bestaan er sterke aanwijzingen dat het bij de ontmoeting van medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] enerzijds en verdachte anderzijds, ging om een overdracht van cocaïne, zoals het openbaar ministerie dat verdachte heeft tenlastegelegd en zoals de rechtbank heeft bewezenverklaard.
Maar sterke aanwijzingen volstaan niet.
Wettig en overtuigend bewijs dat verdachte wist en/of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachten met de [automerk 2] cocaïne vervoerden, bevat het dossier niet. Daarom dient verdachte ook te worden vrijgesproken van opzet op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, in de varianten zoals die onder 1 onder zijn tenlastegelegd.
Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld niet van communicatie tussen verdachte en medeverdachten die duiden op wetenschap van verdachte van een cocaïnetransport. De communicatie tussen de medeverdachten onderling en van medeverdachte [medeverdachte 2] met ene ‘ [bijnaam] ’ is bewijs dat de medeverdachten wisten dat ze cocaïne vervoerden, maar uit het dossier blijkt niet dat verdachte aan die communicatie deelnam of daarvan op de hoogte was.
Daarnaast duidt de ontmoeting tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte op de parkeerplaats in [plaats] op mondelinge communicatie tussen beiden, maar omdat de aanwezige politieagenten zich genoodzaakt zagen om na hun ‘ontdekking’ door verdachte en [medeverdachte 2] in te grijpen, is geen bewijs aanwezig dat verdachte handelingen verrichtte met betrekking tot de in de [automerk 2] verborgen cocaïne of op een andere manier iets deed in die richting of dat hij iets zei over de cocaïne.
Het bovenstaande dient daarom te leiden tot vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Verdachte heeft hetgeen onder 3 is tenlastegelegd bekend en de verdediging heeft daartegen dan ook geen bewijsverweer gevoerd.
Bewezenverklaring
Het gerechtshof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
3.hij op 14 juni 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van € 250.000,00, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het gerechtshof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit
Het onder 3 bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
24 juli 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter onherroepelijk is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit;
de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en overweegt dat bij gedragingen als die hier bewezen zijn verklaard in beginsel slechts volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De LOVS-oriëntatiepunten kennen als richtsnoer bij door fraude verkregen geldbedragen, waaronder witwassen in frauduleuze context, in de orde van grootte van € 125.000,00 tot
€ 250.000,00 de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden. De verdachte heeft een bedrag van € 250.000,00 witgewassen en zit daarmee aan de bovengrens van voormeld oriëntatiepunt voor straftoemeting.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak - inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - worden opgelegd.
Op grond van de ernst van het delict en de door het gerechtshof gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting acht het gerechtshof de door de raadsvrouw bepleite oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest dat de verdachte heeft ondergaan niet op haar plaats. Het gerechtshof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden in beginsel passend.
Het gerechtshof stelt echter vast dat de strafzaak in hoger beroep in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 25 april 2025 behoorde te zijn afgerond door het gerechtshof. Nu dit laatste niet het geval is geweest, is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn, ziet het gerechtshof aanleiding de onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht te verminderen zoals hieronder aangegeven.
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding is passend en geboden de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Gelet hierop zal het gerechtshof het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte niet toewijzen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
In beslag genomen voorwerpen
Verbeurdverklaring
Het onder 3 bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 150.000,00 en € 100.000,00. Deze geldbedragen behoren de verdachte toe. Deze geldbedragen worden daarom verbeurdverklaard.
Het onder 3 bewezen verklaarde feit is verder begaan met behulp van de onder de verdachte in beslag genomen auto. Deze auto, een [automerk 1] , behoort de verdachte toe. Deze auto wordt daarom verbeurdverklaard.
Bij de verbeurdverklaring is rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte.
Teruggave
Ter zake van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon, [merk telefoon] , gelast het gerechtshof de teruggave daarvan aan de verdachte.
Wetsartikelen
De straf en de bijkomende straf zijn gebaseerd op de artikelen 24, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 150.000,00 en een geldbedrag van € 100.000,00.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een auto, [automerk 1] .
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een telefoon, [merk telefoon] .
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. J. Hielkema en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 september 2026.
Mr. L. Pieters is niet in staat dit arrest te ondertekenen.