ECLI:NL:GHDHA:2026:2765

ECLI:NL:GHDHA:2026:2765

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 22-000223-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2025:1724

Samenvatting

Poging tot doodslag na burenruzie door met een machete een zwaaiende beweging te maken in de richting van het slachtoffer alsmede voorhanden hebben van een taser. Bij strafoplegging onder meer rekening gehouden met reclasseringsadvies waarin kans op recidive als laag is ingeschat, nu slachtoffer inmiddels is verhuisd. Gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk en taakstraf voor de duur van 240 uur.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-000223-25

Parketnummer: 10-119436-22

Datum uitspraak: 2 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [het slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [het slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Rotterdam, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een machete, althans scherp en/of puntig voorwerp, aan die [het slachtoffer] te tonen en/of boven het hoofd te heffen en/of met die machete, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, (van dichtbij) een of meer zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken naar en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [het slachtoffer] ;

2.hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht te weten een taser en/of stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (van dichtbij) een zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [het slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht te weten een taser en/of stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld op welke wijze de verdachte met de machete heeft gezwaaid en hoe ver hij op dat moment van de aangever verwijderd was. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, welke kans de verdachte bewust heeft aanvaard.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de dood van het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat noch uit de verklaringen van de verdachte, noch anderszins is gebleken dat de verdachte het volle opzet had om de aangever om het leven te brengen. De te beantwoorden vraag is daarmee of de verdachte daartoe voorwaardelijk opzet heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het moet daarbij gaan om de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Het hof stelt vast dat op de camerabeelden die gemaakt zijn van het incident op 11 mei 2022 te zien is dat de verdachte met een versnelde pas uit de richting van het portiek van zijn woning op de aangever af komt lopen. Hij heeft daarbij een machete in zijn hand. De machete heeft, zo blijkt uit het dossier, een totale lengte van 65 centimeter en een lemmet van ongeveer 43 centimeter. Op het moment dat de verdachte dichtbij de aangever staat, haalt hij met kracht bovenhands de machete uit in de richting van het hoofd van de aangever.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever dodelijk zou worden getroffen. Dat niet exact is vast te stellen op hoeveel centimeter de verdachte en de aangever op dat moment van elkaar verwijderd waren, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Het hof acht hierbij in het bijzonder redengevend dat de machete waarmee de verdachte heeft geslagen 65 centimeter lang was, waardoor het gecontroleerd beheersen van die machete bemoeilijkt wordt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De aanleiding voor de tenlastegelegde feiten is gelegen in een langlopende burenruzie tussen de verdachte en de aangever. Op de bewuste dag heeft de aangever, onder invloed van alcohol, de confrontatie opgezocht door meerdere malen met zodanige kracht op de voordeur van de woning van de verdachte te slaan dat een gat in die voordeur ontstond. Daarnaast bedreigde hij de vrouw van verdachte, die samen met de kinderen van de verdachte thuis was. Verdachte zelf deed op dat moment boodschappen, maar hoorde het slaan op zijn deur en het geschreeuw van de aangever, alsmede de reacties van zijn vrouw en kinderen via zijn mobiele telefoon die een verbinding had met zijn deurbelcamera. Hij spoedde zich daarop naar huis, nam een taser die hij in zijn auto had liggen mee en probeerde daarmee de aangever, die inmiddels op de parkeerplaats voor de woning stond en hem verbaal bedreigde, te laten stoppen. Toen dit niet het gewenste effect had, is de verdachte zijn woning binnen gegaan, heeft daar de machete gehaald, is daarmee weer naar buiten gegaan, is met versnelde pas op aangever afgelopen en heeft bovenhands uitgehaald in de richting van het hoofd van aangever.

Het incident heeft plaatsgevonden op een parkeerplaats tussen meerdere appartementencomplexen, wat maakt dat er veel omstanders aanwezig waren en zicht hadden op het gebeuren. Het feit heeft veel impact gehad op de aangever en zijn familie. Het hof acht het eveneens invoelbaar dat het feit ook veel indruk heeft gemaakt op de andere aanwezigen uit de buurt. Daarnaast heeft de verdachte een taser voorhanden gehad. Het bezit van een dergelijk wapen brengt gevoelens van onveiligheid mee voor burgers.

Het hof acht het begrijpelijk dat de verdachte zich naar aanleiding van de intimiderende en bedreigende handelingen en uitingen van aangever, zorgen maakte om zijn vrouw en kinderen, maar dit rechtvaardigt op geen enkele wijze het pakken van de machete, laat staan het van dichtbij dreigend zwaaien met die machete in de richting van het hoofd van aangever. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte er blijk van gegeven dat hij dit ook inziet.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor vergelijkbare strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. De verdachte is de kostwinner thuis en draagt samen met zijn partner de zorg voor vier van zijn kinderen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal daardoor naar verwachting zwaarwegende gevolgen hebben voor de verdachte, nu hij daardoor zijn baan en inkomsten, en daarmee mogelijk zijn woning, kan verliezen.

De kans op recidive wordt door de reclassering blijkens het reclasseringsadvies d.d. 3 augustus 2026 als laag ingeschat, nu het delictgedrag sterk verbonden is geweest met het langdurige conflict tussen de aangever en zijn bovenbuurman en deze buren inmiddels zijn verhuisd, waardoor de directe bron van de spanningen en frustraties die een rol speelden bij het ontstaan van het delict weg zijn gevallen.

Tot slot houdt het hof rekening met het tijdsverloop sinds de tenlastegelegde feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.500,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.

Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen. De benadeelde partij is immers slachtoffer geworden van een poging tot doodslag. Het hof is derhalve van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.

Het hof stelt vast dat het onder 1 primair bewezenverklaarde plaats heeft gevonden binnen de context van een langlopend conflict tussen twee buren. Het hof heeft - gelet op de beperkte omvang van het strafdossier – de context van het conflict slechts in beperkte mate in beeld kunnen krijgen. Het hof stelt wel vast dat de benadeelde partij zich in dit conflict ook niet onbetuigd heeft gelaten, zowel op de dag van het strafbare feit als in die periode daaraan voorafgaand. Derhalve brengt naar het oordeel van het hof de context van het geval mee dat de vordering zich - naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot een bedrag van € 100,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 100,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 178 (honderdachtenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 mei 2022.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. R. van der Hoeven, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. Chr.A. Baardman
  • mr. R. van der Hoeven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand