ECLI:NL:GHDHA:2026:2766

ECLI:NL:GHDHA:2026:2766

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 22-003001-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Mishandeling van ex-partner, diefstal en voorhanden hebben van vuurwapen. Passeren van beroep op overmacht. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een deels voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden en een proeftijd van vijf jaren. DUT.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003001-23

Parketnummer: 10-120370-23

Datum uitspraak: 2 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 11 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 11 mei 2023 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zoraki, model 906, kaliber 7.65mm met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad

2.hij op of omstreeks 9 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer]

- ( met kracht) vast te pakken en/of vast te houden en/of

- mee te slepen en/of

- in een houdgreep te houden en/of

- ( uit een auto) op / tegen de grond te gooien en/of

- op een been te trappen

3.hij op of omstreeks 9 mei 2023 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [het slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga bij jou thuis op de [adres] alles overhoop halen en alles kapot maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door tegen een zwager / schoonbroer van die [het slachtoffer] te zeggen dat hij, verdachte, een vuurwapen met munitie thuis had en/of dat als hij, verdachte, niet zichzelf dood zou schieten, hij, verdachte, dan die [het slachtoffer] en haar familie dood zou schieten en/of door aan een/die zwager / schoonbroer van die [het slachtoffer] de woorden toe te voegen ?als ik niet met [het slachtoffer] blijf dan zal iedereen zien wie [voornaam verdachte] is. Ik pak een wapen en kogels thuis en die schiet ik dan door jullie voorgevel. Ik schiet de kogels ook door de voorgevel van [het slachtoffer] haar ouders. Ik ga haar broertje vermoorden.?, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

4.hij op of omstreeks 9 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, een telefoon en/of een of meer sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering voor wat betreft de opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 11 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak voor het onder 3 tenlastegelegde

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende steunbewijs voor de verklaring dat de verdachte zich bedreigend uit heeft gelaten jegens de aangeefster [het slachtoffer] , zodat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. De bedreigende uitlatingen van de verdachte waarover de aangeefster verklaart waren immers niet tegen haar, maar tegen haar familieleden gericht. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op of omstreeks 11 mei 2023 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zoraki, model 906, kaliber 7.65mm met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad

2.hij op of omstreeks 9 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer]

- (met kracht) vast te pakken en/of vast te houden en/of

- mee te slepen en/of

- in een houdgreep te houden en/of

- (uit een auto) op / tegen de grond te gooien en/of

- op een been te trappen

4.hij op of omstreeks 9 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, een telefoon en/of een of meer sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Overweging met betrekking tot het gevoerde verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig haar in het dossier gevoegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt. Hiertoe heeft zij – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte de aangeefster uit de auto heeft getrokken om te voorkomen dat zij met die auto weg zou rijden en andere personen in gevaar zou brengen, nu zij niet over een rijbewijs beschikte.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand sprake dient te zijn van een actuele en concrete noodsituatie, met als gevolg een conflict van plichten waarbij de verdachte gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval een gerechtvaardigde keuze heeft gemaakt.

Naar het oordeel van het hof kan het feitelijke handelen van de verdachte, te weten het uit de auto gooien van de aangeefster en haar toen zij naast de auto lag op haar been trappen, niet aangemerkt worden als handelen dat past bij het handelen dat is ingegeven door een noodsituatie. Daar komt bij dat op het moment dat de verdachte de aangeefster uit de auto gooide, er ook geen sprake was van een actuele en concrete noodsituatie die dergelijk handelen van de verdachte rechtvaardigden. Het feit dat aangeefster niet over een rijbewijs beschikte, alleen in de auto zat en dreigde weg te rijden zodat zij aan de verdachte zou kunnen ontsnappen, levert niet zo’n noodsituatie op.

Het hof stelt dan ook vast dat geen sprake is geweest van een overmachtssituatie in de zin van een noodtoestand en verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het hof stelt voorop dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het momenteel niet goed gaat met de verdachte en dat hulpverlening binnen het kader van de bijzondere voorwaarden zeer gewenst is, zoals ook door de verdediging is bepleit. Het hof heeft getracht om vanuit dat uitgangspunt een passende straf te vinden voor de bewezenverklaarde feiten.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-partner, door haar in een houdgreep te houden, uit een auto op de grond te gooien en haar te trappen. Daarnaast heeft hij haar mobiele telefoon en haar haar huissleutels afgenomen. Het handelen van de verdachte was, zo leidt het hof af uit het dossier, bedoeld om te voorkomen dat de aangeefster bij hem wegging en om die reden haar bewegingsvrijheid te beperken. Dit neemt het hof de verdachte in het bijzonder kwalijk. Het handelen van de verdachte heeft veel impact gehad op de aangeefster, zo blijkt ook uit haar aangifte. De verdachte heeft daarnaast een vuurwapen met daarbij horende munitie voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens met bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Vuurwapenbezit leidt meer dan eens tot vuurwapengebruik.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze drie ernstige feiten een hogere straf dan in eerste aanleg door de rechtbank op is gelegd.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof voorts acht geslagen op de verdachte betreffende reclasseringsadviezen d.d. 30 augustus 2023, 9 september 2025 en 17 maart 2026. Uit die adviezen blijkt dat de verdachte is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking, met daaruit voortkomende problemen op het gebied van emotieregulatie, mentaliserend vermogen en copingvaardigheden. De reclassering adviseert telkens bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf, met oplegging van bijzondere voorwaarden, bestaande uit een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in een begeleid wonen instelling en een alcoholverbod met controles daarop.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Ook dient de behandeling ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende. Namens de verdachte is op 6 oktober 2023 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Het dossier is op 9 april 2025 bij het hof binnengekomen. De inzendtermijn van acht maanden na het instellen van het hoger beroep is derhalve met ruim elf maanden overschreden.

Tevens is de redelijke termijn geschonden ten aanzien van de volledige behandeling van de zaak in hoger beroep, nu het hof arrest wijst op 2 september 2026. De redelijke termijn is in dit opzicht derhalve met bijna elf maanden overschreden.

Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de hierna te vermelden op te leggen straffen tot gevolg moet hebben.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 165 dagen, waarvan 11 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 11 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

Het hof zal aan die proeftijd de na te melden bijzondere voorwaarden stellen, waarbij het hof aansluiting zoekt bij het reclasseringsadvies d.d. 17 maart 2026.

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde bevelen, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daartoe neemt het hof in aanmerking de inschatting omtrent het recidiverisico in het reclasseringsadvies dat is opgemaakt in deze zaak d.d. 9 september 2025, alsmede de mededeling van de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep dat het niet goed gaat met de verdachte. Om dezelfde reden zal het hof de proeftijd op vijf jaar stellen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 11 (elf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. De verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

2. De verdachte meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en zich laat behandelen door Mozaïek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

3. De verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Ipse de Bruggen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

4. De verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Betrokkene moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Beveelt dat voormelde voorwaarde en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd waarin de dadelijke uitvoerbaarheid reeds van kracht is geweest,

alsmede dat het aantal dagen gedurende welke de vervangende hechtenis mogelijk reeds

is tenuitvoergelegd, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf(fen) in mindering

zullen worden gebracht.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. Chr.A. Baardman
  • mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand