Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002588-25
Parketnummer: 10-124887-24
Datum uitspraak: 4 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat het Openbaar Ministerie geen grieven (meer) heeft tegen het vonnis. Het hof ziet geen reden om het hoger beroep van de officier van justitie ambtshalve te behandelen. Daarom zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 april 2024, te Rotterdam, althans in Nederland, (van) een geldbedrag (20.000 euro en/of 2.700 euro), althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Partiële vrijspraak
Het hof acht – met de advocaat-generaal en de verdediging – het tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van 2.700 euro niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte wordt vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig heeft toegestemd met het afgeven van het tasje aan de betrokken verbalisant. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat die eventuele toestemming niet zag op het onderzoeken van de inhoud van het tasje.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier (processen-verbaal met nummers [proces-verbaalnummer 1] en [proces-verbaalnummer 2] op bladzijdes 40 tot en met 43) blijkt de volgende gang van zaken.
Op 11 april 2024 werden twee verdachten aangehouden met een grote hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen en geld. Er was gezien dat een van hen met een doos in zijn hand kwam uit een portiek aan de [adres] te Rotterdam waar ook nummer [nummer] gevestigd is. In afwachting van doorzoeking van de woning op nummer [nummer] werd die woning geobserveerd, omdat de mogelijkheid bestond dat, indien er nog geld, drugs en/of wapens aanwezig waren in de woning, deze mogelijk opgehaald zouden worden na de aanhouding van voormelde verdachten.
Vervolgens werd gezien dat er een zwarte Audi de straat in kwam gereden en parkeerde, die – naar later zou blijken – werd bestuurd door de verdachte. Verbalisant [naam verbalisant 1] besloot het voertuig te bevragen. Zij zag dat het voertuig op naam stond van een verhuurbedrijf, terwijl haar ambtshalve bekend was dat huurvoertuigen gebruikt worden door onder andere criminelen om hun identiteit verborgen te houden. Vervolgens werd gezien dat de verdachte uitstapte en – met lege handen – het portiek inging waar ook nummer [nummer] is gevestigd. Na tien minuten kwam de verdachte het portiek weer uit en liep richting zijn auto, met een tasje in zijn hand. Verbalisanten kregen het vermoeden dat de verdachte uit de woning op nummer [nummer] kwam en besloten hem daarom aan te spreken en te vragen wat er in zijn tasje zat.
Daarop zijn verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] uit hun dienstvoertuig gestapt. Verbalisant [naam verbalisant 1] sprak de verdachte aan en maakte zich direct kenbaar als politieambtenaar. Zij vroeg de verdachte wat hij in zijn tasje had. Zij zag dat de verdachte zijn tas naar beneden hield zodat zij in de tas kon kijken. Zij zag dat er in de tas een zwart doosje zat met daarop een boxershort. Zij vroeg of er een boxershort in het tasje zat en hoorde dat de verdachte “ja toch” zei. Verbalisant [naam verbalisant 1] vroeg de verdachte het tasje te geven. De verdachte overhandigde haar het tasje en zij voelde aan het gewicht dat het te zwaar was voor een boxershort. Daarop heeft verbalisant [naam verbalisant 1] het tasje in beslag genomen. Zij heeft het doosje uit de tas gehaald en zag dat in het doosje een boxershort zat en dat er in de boxershort een grote hoeveelheid geld zat. Daarop is de verdachte aangehouden op verdenking van witwassen.
Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze – op ambtsbelofte opgemaakte – processen-verbaal. Het hof leidt uit deze processen-verbaal af dat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven voor het afgeven van het tasje aan de verbalisant. Voor de verdachte was ook duidelijk waarvoor hij toestemming gaf, namelijk het afgeven van het tasje, met als logisch gevolg dat de verbalisant door het ter hand nemen ervan zou kunnen ervaren wat het gewicht van het tasje was. Dat de verdachte er niet met zoveel woorden op is gewezen dat hij die toestemming ook kon weigeren leidt niet tot een ander oordeel, mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een geringe inmenging in de persoonlijke levenssfeer (zie HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825).
Toen de verbalisant constateerde dat het gewicht van het tasje niet paste bij de verklaring van de verdachte over de inhoud van het tasje, ontstond er – gezien de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden – een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De verbalisant was gerechtigd het tasje op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag te nemen en onderzoek aan het tasje te doen, omdat het tasje kon dienen om de waarheid aan de dag te brengen.
Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim en verwerpt het verweer.
De raadsman heeft voorts betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist van het geld in het tasje, zodat hij moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte had 20.000 euro aan contant geld bij zich, in coupures van 50, 100 en 200 euro. Dit geld zat in een boxershort in een doosje, dat zich in een papieren tasje bevond dat de verdachte in zijn hand had. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.
Vervolgens is het aan de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de (legale) herkomst van het geldbedrag. Dat heeft de verdachte niet gedaan; hij heeft over de herkomst van het geld in het tasje niet willen verklaren. Dit leidt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat degene die een tas bij zich draagt, bekend is met de inhoud daarvan. Dat geldt te meer als daar een aanzienlijk geldbedrag in zit. Het laat zich moeilijk voorstellen dat een ander het geldbedrag buiten medeweten van de verdachte aan hem zou hebben meegegeven; dat zou immers een groot risico voor die ander met zich brengen. De enkele verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij er niet van uitging dat er “iets ergs” in het tasje zou zitten, doet daarop geen ander licht schijnen. De verdachte heeft dit niet nader toegelicht en ook niet willen verklaren van wie hij het tasje zou hebben gekregen. De verdachte moet dus hebben geweten van het geld in het tasje. Daarmee moet de verdachte – gegeven de hoeveelheid, coupures en wijze van verpakking – ook hebben geweten van de criminele herkomst van het geld.
Het hof verwerpt het verweer.
Bewezenverklaring
Sub b
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 11 april 2024, te Rotterdam, althans in Nederland, (van) een geldbedrag (20.000 euro en/of 2.700 euro), althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
- heeft verworven,voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van 20.000 euro. Door dergelijke feiten worden criminele verdiensten afgedekt en komen van misdrijf afkomstige gelden in de economie terecht, terwijl het plegen van andere strafbare feiten erdoor wordt vergemakkelijkt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Gevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij afstand heeft genomen van bepaalde contacten, dat hij nu betaald werk heeft als schilder en dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag van € 2.700,- zal het hof beslissen tot teruggave aan de verdachte van dit in beslag genomen geldbedrag.
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 20.000,- is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking waartoe het bewezenverklaarde is begaan en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie het toebehoort. Het hof zal daarom dit geldbedrag verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
€ 20.000,-.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
€ 2.700,-.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 september 2026.