ECLI:NL:GHDHA:2026:2800

ECLI:NL:GHDHA:2026:2800

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 22-003803-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:23947

Samenvatting

Winkeldiefstal. Oplegging onvoorwaardelijke isd-maatregel. Voorwaardelijk kader of zorgmachtiging niet passend geacht

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003803-25

Parketnummer: 09-231236-25

Datum uitspraak: 4 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 december 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te Sovjet-Unie op [geboortedatum] 1991,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld en is aan hem de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: isd-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 2 september 2025 te Rijswijk diverse goederen, waaronder flessen drank, meloen, sushi en/of tomaten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [naam supermarkt] (locatie: [locatie] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de isd-maatregel voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde maatregel en de motivering daarvan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

De op te leggen maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte de isd-maatregel wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke isd-maatregel wordt opgelegd. In plaats daarvan heeft de raadsvrouw verzocht om een zorgmachtiging af te geven. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht om de isd-maatregel voorwaardelijk op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor misdrijven, waaronder voornamelijk diefstallen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport d.d. 13 oktober 2025, waarin – samengevat – het volgende staat. Er is bij de verdachte sprake van een patroon in het plegen van vermogensdelicten. Er zijn in het verleden meerdere reclasseringsadviezen uitgebracht over de verdachte, maar de reclassering is nooit tot een reclasseringsaanbod gekomen vanwege de lage responsiviteit van de verdachte en het hoge risico op onttrekken aan voorwaarden. De verdachte is bekend met het plegen van geweld tegen beroepsbeoefenaren en heeft zich eerder agressief opgesteld jegens de reclassering. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Deze inschatting houdt verband met de vele recidive, de middelenproblematiek van de verdachte, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding. Door zijn zorgmijdende en afwijzende houding schat de reclassering het risico op onttrekken aan voorwaarden in als hoog. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheid om door het stellen van bijzondere voorwaarden tot gedragsverandering te komen bij de verdachte. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke isd-maatregel op te leggen.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een isd-maatregel stelt. De verdachte wordt thans veroordeeld voor diefstal, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit eerdergenoemd strafblad van de verdachte blijkt dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit arrest bewezenverklaarde feit is begaan nadat die straffen geheel ten uitvoer zijn gelegd. De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren meer dan tien processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten zijn opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf. Verder dient er, gezien het strafblad en het reclasseringsrapport waarin het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, waarbij de veiligheid van personen en/of goederen in het geding is.

Oplegging van de isd-maatregel is dus mogelijk. De vraag is of dat in dit geval noodzakelijk is. Voorop staat dat de isd-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van een verdachte. Het is – zeker in onvoorwaardelijke vorm – evenwel een uiterst middel, waartoe in beginsel slechts wordt besloten indien alle reële mogelijkheden voor hulpverlening zijn uitgeput. Het hof constateert dat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt door het plegen van strafbare feiten. De herhaaldelijke oplegging van straffen heeft niet geleid tot gedragsverandering bij de verdachte. Een voorwaardelijk kader – zoals door de raadsvrouw is verzocht – is weliswaar niet eerder geprobeerd, maar acht het hof ontoereikend om het recidiverisico in te dammen, omdat de verdachte zich blijkens het reclasseringsrapport herhaaldelijk zorgmijdend heeft opgesteld en de reclassering het risico op onttrekking aan voorwaarden inschat als hoog. Mede gelet op het psychosociaal functioneren van de verdachte, heeft het hof er geen vertrouwen in dat de verdachte zich duurzaam aan eventueel te stellen voorwaarden zou kunnen committeren.

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, biedt ook een zorgmachtiging geen passend kader om het recidiverisico terug te dringen. Het hof heeft kennisgenomen van een vijftal stukken omtrent een eventueel af te geven zorgmachtiging, die naar aanleiding van een verzoek van de verdediging zijn opgemaakt. Het gaat om een zorgkaart van Fivoor, d.d. 4 augustus 2026, de bevindingen van de geneesheer-directeur van Fivoor, d.d. 17 augustus 2026, een zorgplan van Fivoor, d.d. 14 augustus 2026, een medische verklaring t.b.v. de voorbereiding van een Zorgmachtiging van Fivoor, d.d. 25 juli 2026, en een brief van de geneesheer-directeur van de Parnassia Groep, d.d. 10 juli 2026. Hieruit komt onder meer naar voren dat niet is voldaan aan de criteria voor het afgeven van een zorgmachtiging op grond van de Wvggz. Bij de verdachte zijn een persoonlijkheidsstoornis en een verslavingsstoornis geconstateerd. Beide kunnen niet met verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging worden behandeld. Een zorgmachtiging biedt bovendien niet het vereiste juridische kader, niet het noodzakelijke beveiligingsniveau en evenmin een passend behandelinhoudelijk instrumentarium waar het gaat om algemene gedragsbeheersing en structurele delictpreventie.

Omdat de verdachte misdrijven blijft plegen en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte dat opnieuw zal doen, terwijl een voorwaardelijk kader en een zorgmachtiging niet passend zijn, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke isd-maatregel noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en om de recidive van de verdachte te beëindigen. De isd-maatregel heeft immers mede tot doel om de maatschappij te beschermen. Met de isd-maatregel wordt bewerkstelligd dat door de verdachte tijdens zijn vrijheidsbeneming geen soortgelijke of andersoortige strafbare feiten kunnen worden gepleegd. Binnen het isd-kader kan ingezet worden op een aanpak op maat, waaronder diagnostiek en behandeling, en kan gezocht worden naar mogelijkheden om de (middelen)problematiek van de verdachte te behandelen, zodat het recidiverisico wordt verminderd.

Gelet op de kennelijk hardnekkige problematiek van de verdachte zal het hof ter optimale bescherming van de maatschappij en om de oplossing van de problematiek van de verdachte alle kansen te geven, de isd-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. Een isd-maatregel van kortere duur acht het hof ontoereikend. Het hof zal de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de ten uitvoer te leggen maatregel nu een dergelijke aftrek zich naar het oordeel van het hof niet verdraagt met het karakter van de in het geval van deze verdachte aan de maatregel te geven invulling.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, mr. E.C. van Veen en mr. B.W. Mulder, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand