25. februari 2018: 10:00 uur – 12:00 uur ontmoeting te Rotterdam
[verdachte]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 5] in gebruik bij verdachte [verdachte] blijkt dat op 25 februari 2018 met dit telefoonnummer vanaf 10.49.20 de zendmast op de locatie Stadionweg 37 B te Rotterdam is aangestraald.
De locatie Stadionweg (het hof begrijpt:) 37 B te Rotterdam is in de zeer dichte nabijheid van de McDonalds Rotterdam Stadionweg, gevestigd Stadionweg 44 te Rotterdam bij de Kuip te Rotterdam.
[medeverdachte 2]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] blijkt dat op 25 februari 2018 omstreeks 10.27 uur met dit telefoonnummer een zendmast nabij Rotterdam wordt aangestraald. Omstreeks 11.12 uur wordt een zendmast te Ridderkerk aangestraald en omstreeks 11.54 uur wordt een zendmast te Middelharnis aangestraald.
[betrokkene]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] op naam van [bedrijf 2] , in gebruik bij verdachte [betrokkene] , blijkt dat op 25 februari 2018 omstreeks 10.27 uur met dit telefoonnummer een zendmast nabij Rotterdam wordt aangestraald. Omstreeks 11.33 uur wordt een zendmast te Ooltgensplaat aangestraald en om 11.52 uur wordt een zendmast te Middelharnis aangestraald.
25 februari 2018: 14:00 uur – 15:00 uur tankstation te Oude Tonge en onderweg naar parkeerterrein nabij tankstation te Bergen op Zoom (Wouwse Tol)
[betrokkene]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] in gebruik bij verdachte [betrokkene] , blijkt dat het telefoonverkeer het beeld geeft dat de gebruiker van dit telefoonnummer op 25 februari 2018 omstreeks 12:55 uur zich begeeft van Sommelsdijk, via Middelharnis, Fijnaart naar het parkeerterrein nabij Tankstation A58 te Bergen op Zoom (Wouwse Tol).
Route Sommelsdijk – Oude Tonge – Parkeerplaats Wouwse Tol
Uit onderzoek is gebleken dat op 25 februari 2018 omstreeks 14:08 uur verdachte
[betrokkene] met de Volkswagen Touareg voorzien van kenteken [kenteken 2] heeft getankt bij het Esso tankstation gevestigd aan de Rijksweg N59 1 te Oude-Tonge (zie tevens bewijsmiddel 17).
Dit duidt er mogelijk op dat de door verdachte [betrokkene] gereden route van Sommelsdijk via het Esso tankstation gevestigd aan de Rijksweg N59 1 te Oude-Tonge naar het parkeerterrein bij het Total tankstation A58 de Wouwse Tol te Bergen op Zoom is gegaan.
[verdachte]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 5] in gebruik bij verdachte [verdachte] blijkt dat op 25 februari 2018 met dit telefoonnummer op 14.19.25 uur de zendmast op
de locatie Nieuwstraat 8 te Oude Tonge werd aangestraald.
De locatie Nieuwstraat 8 te Oude Tonge is in de zeer dichte nabijheid van tankstation De Tille, gevestigd te Oude Tonge.
[medeverdachte 2]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] blijkt dat gezien het aanstralen van de zendmasten de gebruiker van dit telefoonnummer op 25 februari 2018 de route Middelharnis (11.55.30 uur) via Sommelsdijk, Steenbergen en Bergen op Zoom naar de parkeerplaats bij het tankstation A58 te Bergen op Zoom (Wouwse Tol) (15:31:46 uur) te zijn gereden.
25 februari 2018: 15:00 uur – 17:15 uur ontmoeting parkeerterrein nabij tankstation A58 te Bergen op Zoom (Wouwse Tol)
[verdachte]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 5] in gebruik bij verdachte [verdachte] blijkt dat op 25 februari 2018 met dit telefoonnummer op 16.48.19 uur de zendmast op de locatie Rijksweg A58 te Heerle werd aangestraald.
De locatie Rijksweg A58, 4623 RG te Heerlen is in de zeer dichte nabijheid van het parkeerterrein nabij Total tankstation A58 “Wouwse Tol” te Bergen op Zoom.
[betrokkene]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] in gebruik bij verdachte [betrokkene] , blijkt dat de gebruiker van dit telefoonnummer op 25 februari 2018 tussen 15.55 uur en 17.16 uur zich ophield in de zeer dichte nabijheid van de parkeerplaats bij het tankstation A58 te Bergen op Zoom (Wouwse Tol).
[medeverdachte 2]
Uit analyse van de verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij verdacht [medeverdachte 2] is gebleken dat de gebruiker van dit telefoonnummer op 25 februari 2018 tussen 14.36 uur en 16.40 uur zich ophield in de zeer dichte nabijheid van de parkeerplaats bij het tankstation A58 te Bergen op Zoom (Wouwse Tol).
17.
Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden d.d. 22 maart 2018, dossierpagina’s 230-231, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 13]:
Op 15 maart 2018 zijn door mij de gevorderde camerabeelden opgehaald op de locatie tankstation De Tille te Oude Tonge. De vordering had betrekking op de beelden van 25 februari 2018 omstreeks 14.08 uur.
Als leidraad is de tijd vermeld op de kassabon van 25 februari 2018 aangehouden waarop staat dat deze bon om 14.08 uur is uitgedraaid. Deze bon is door de politie aangetroffen in de in beslag genomen Volkswagen Touareg.
Ik zag op de beelden het volgende.
Ik zag dat er een donker gekleurde Volkswagen Touareg het pomp eiland op kwam rijden. Ik zag dat er tenminste twee personen in de Volkswagen Touareg aanwezig waren. Ik zag dat de bestuurder zich na het tanken naar de bijbehorende Esso shop begaf. Ik zag dat de bestuurder de mij bekende [betrokkene] betrof. Ik zag en las dat het kenteken van de Volkswagen Touareg [kenteken 2] was.
18.
Het (losse) proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 september 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [medeverdachte 2]:
Op een gegeven moment zat ik best in de shit, met huis verlies. Toen kwam hij ( [verdachte] ) (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte) op een gegeven moment met een voorstel van als je dat een keer doet dan krijg je dat bedrag ervoor.
[verdachte] (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte) wist dat ik in de schulden zat, dat is een keer gevallen. [verdachte] heeft mij € 15.000,00 geboden. [verdachte] deed de afspraken en hij deed de ontmoetingen. Hij was degene die het regelde.
Ik wist de aanmeldprocedures, ik wist wie ik moest bellen, ik wist waar ik moest wezen, hoe het schip werkt en hoe het er uitziet. [verdachte] heeft dat toen doorgegeven. Toen heb ik twee mannen gezien, die gaven tassen en daar moest het in. Je krijgt een poppetje mee. Die weet waar het ligt en die haalt het eruit. Het ‘poppetje’, de Mexicaan, was die gozer die bij mij mee was in de auto. Hij is bij dat tankstation ingestapt bij mij. [verdachte] was daar ook toen die man werd afgeleverd. Hij was toen met [betrokkene] en ze reden met een andere auto dan ik.
Dat telefoontje dat ik bij mij had, had ik gekregen van [verdachte] . Mijn eigen telefoon lag bij de jongens (het hof begrijpt: [verdachte] en [betrokkene]) in de auto. Ze hadden het er toen over dat je dan makkelijk te traceren bent. Dat zei [verdachte] .
Als alles gelukt was, was het de bedoeling dat ik terug zou rijden met die cocaïne naar de plek waar ik de Mexicaan had opgepikt. Zij zouden de rest regelen. De cocaïne zou weggebracht worden door weer een ander naar Rotterdam. Dat was de afspraak. Wat ik toen had begrepen was dat wij allemaal € 15.000,00 zouden krijgen.
19.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 5 juli 2022, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [medeverdachte 2]:
[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) is de aanstichter van het hele verhaal. Hij wist zeker waar het over ging.
U houdt mij voor dat ik onder andere verklaarde: “Ik kreeg via via te horen dat ik iemand mee moest nemen naar een boot in Vlissingen”. U vraagt mij van wie ik dit te horen kreeg. Ik kan u zeggen dat dat [verdachte] was en later [betrokkene] . Ik zat toen behoorlijk slecht, ook financieel. [verdachte] stelde aan mij voor dat ik iemand aan boord van een schip moest krijgen.
20.
Het (losse) proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 april 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene]:
[verdachte] vertelde mij om zoiets te doen.
V: Zoiets? U bedoelt om verdovende middelen binnen te halen.
A: [verdachte] wist daar iemand voor. Ik had kennis natuurlijk, omdat ik in de havens heb gewerkt. Op een gegeven moment heeft hij mij meegenomen en met iemand zitten praten. Dan ga je plannen en [verdachte] wist de contacten wat en hoe en ik had de kennis van de haven en wat voor schip je nodig had. Hij maakte een afspraak met die gasten.
[verdachte] stond bovenaan in de operatie. Ik was degene die het wist van het gebeuren in de havens. [medeverdachte 2] was meer een loopjongen.
Ik ben samen met [verdachte] naar de Wouwse Tol gereden.
V: Kun je vertellen hoe dat is gegaan tot het moment van de aanhouding?
A: Op een gegeven moment duurde het te lang. We kregen geen contact met [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]). Toen hebben we beslist om naar huis te gaan.
21.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 5 juli 2022, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene]:
U vraagt mij wat mijn rol was. Ik moest iemand aan boord van het schip krijgen om de drugs eruit te halen.
U vraagt mij wat de rol van [medeverdachte 2] was. Hij moest naar het schip toe om de spullen eruit te halen, samen met een Columbiaan.
U vraagt mij wat de rol van [verdachte] was. Hij regelde alles. Hij regelde de contacten enzovoort. Hij was echt de aanstuurder.
Ik ging mee naar de contactpersonen en daarna hebben wij met zijn drieën toen wij terugkwamen besproken hoe of wat.
Het was een afspraak wat wij zouden krijgen, dat was € 15.000,00. Afgesproken was 15.000 euro voor ieder, dus ook voor [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
In hoger beroep zijn aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene] d.d. 13 april 2021 en een proces-verbaal van verhoor van de getuige [medeverdachte 2] d.d. 28 september 2021. Voorts zijn deze twee getuigen op verzoek van en in aanwezigheid van de verdediging door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord op 5 juli 2022.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de voornoemde, voor de verdachte belastende, verklaringen van [betrokkene] en [medeverdachte 2] voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd. Maar ook als deze verklaringen niet tot het bewijs zouden worden gebezigd, is de advocaat-generaal van mening dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal vrijspreekt van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman in de eerste plaats betoogd dat voornoemde verklaringen van [betrokkene] en [medeverdachte 2] zijn aan te merken als onbetrouwbaar en dat deze als zodanig moeten worden uitgesloten van het bewijs. Als argument hiervoor heeft de raadsman allereerst opgegeven dat de betreffende getuigen vanwege allerlei zaken die tussen hen en de verdachte spelen motieven en aanmerkelijke belangen hebben om, in strijd met de waarheid, een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen. Als tweede argument heeft de raadsman opgegeven dat de getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd en dat hun verklaringen bovendien 180 graden verschillen met de verklaringen die zij eerder in 2018 als verdachte hebben afgelegd.
Tot slot heeft de raadsman betoogd dat het bewijs van het tenlastegelegde (voorwaardelijk) opzet op het overtreden van de Opiumwet bij de verdachte ontbreekt bij beide tenlastegelegde feiten en dat hetzelfde geldt voor de tenlastegelegde deelnemingsvarianten.
Oordeel van het hof
Het hof stelt allereerst vast dat [medeverdachte 2] in het vooronderzoek in 2018 meerdere verklaringen met betrekking tot de tenlastegelegde feiten heeft afgelegd. Bij deze gelegenheden heeft hij onder meer verklaard over de ontmoetingen die hebben plaatsgevonden bij restaurants van McDonalds, waarbij met name de verdachte en [betrokkene] hebben gesproken met een man die mensen aan boord van een schip probeerde te krijgen, om – zo begrijpt het hof –hier cocaïne vanaf te halen. Vanwege zijn kennis als surveyor is [medeverdachte 2] er door [betrokkene] bij gehaald en was hij eveneens aanwezig bij deze ontmoetingen. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat op 25 februari 2018 de medeverdachte [medeverdachte 1] op het parkeerterrein “de Wouwse Tol” bij hem in de auto is gestapt. Deze auto had hij geleend van de verdachte. Bij deze ontmoeting waren ook de verdachte en [betrokkene] aanwezig. Zij zouden volgens [medeverdachte 2] daar wachten en ze zouden onderling contact blijven houden. Na de klus zouden zij weer samenkomen, omdat ze dan weer een afspraak hadden met de man uit McDonalds en hij voor hen weer een volgende klus zou hebben. Alvorens [medeverdachte 2] naar Vlissingen is weggereden, heeft hij zijn telefoon achter gelaten bij [betrokkene] en de verdachte. Deze verklaringen van [medeverdachte 2] over de ontmoetingen op 25 februari 2018 bij het McDonalds restaurant en het parkeerterrein “de Wouwse Tol” vinden met name in de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers die in gebruik waren bij de verdachte, [betrokkene] en [medeverdachte 2] bevestiging.
Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene] , aanwezig is geweest bij de eerdere ontmoetingen met de man bij McDonalds, waarbij gesproken is over het uithalen van de cocaïne van een schip. Voorts is voor het hof komen vast te staan dat de verdachte, met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene] , op 25 februari 2018 aanwezig is geweest bij de ontmoeting op het parkeerterrein “de Wouwse Tol”, alwaar de medeverdachte [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] in de auto is gestapt. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens met de auto van de verdachte naar het schip [schip 1] gereden en hebben daar de cocaïne uit dat schip gehaald. In de tussentijd is de verdachte met [betrokkene] op het parkeerterrein “de Wouwse Tol” blijven wachten en waren zij in het bezit van de telefoon van [medeverdachte 2] .
Over de reden waarom de verdachte bij deze ontmoetingen/besprekingen aanwezig is geweest en wat daarbij zijn rol was, heeft [medeverdachte 2] noch [betrokkene] bij hun eerdere verklaringen in 2018 een duidelijke uitleg gegeven. Pas in hun verklaringen in 2021 bij de politie en in 2022 bij de raadsheer-commissaris hebben zij hierover een duidelijke, voor de verdachte zeer belastende, verklaring gegeven. De vraag die thans voorligt is of deze verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen bezigen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof onderkent het gegeven dat [medeverdachte 2] en [betrokkene] aanmerkelijke belangen en motieven hebben om een voor de verdachte, in strijd met de waarheid, belastende verklaring af te leggen. Ook heeft het hof de ogen niet gesloten voor het feit dat [medeverdachte 2] en [betrokkene] in voornoemde verklaringen op verschillende punten anders dan wel tegenstrijdig hebben verklaard ten opzichte van de verklaringen die zij als verdachte in 2018 hebben afgelegd. Dit doet echter naar het oordeel van het hof niet per definitie een zodanige afbreuk aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van deze verklaringen dat deze reeds om die reden integraal van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. Omdat het hier tevens gaat om doorslaggevende belastende verklaringen, zal het hof de verklaringen kritisch en met de nodige behoedzaamheid tegemoet treden.
Die behoedzaamheid in acht nemend, is het hof van oordeel dat de voornoemde verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene] op de tot bewijs gebezigde onderdelen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat gevoelens van wrok en/of haat niet per definitie leiden tot het afleggen van een, voor de verdachte belastende, verklaring die in strijd is met de waarheid. Deze gevoelens kunnen er ook voor zorgen dat een persoon die eerder zweeg of er voor koos om niet conform de waarheid te verklaren, over gaat tot het afleggen van een verklaring en het geven van openheid van zaken. Blijkens diens verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 5 juli 2022 is dit ook het geval geweest bij [betrokkene] . Zo heeft hij – zakelijk weergeven – verklaard dat zij elkaar in die tijd niet zo maar zouden verraden, maar vanwege zaken die er zijn gebeurd in de tijd dat hij in detentie zat, heeft besloten om openheid van zaken te geven. Ook [medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat er door de verdachte bepaalde acties zijn uitgevoerd waardoor hij dacht “als je deze acties uitvoert, dan bekijk het maar”.
Zoals hiervoor reeds is opgemerkt onderkent het hof het gegeven dat [medeverdachte 2] in zijn later afgelegde verklaringen als getuige bepaalde handelingen, die hij in zijn verklaringen in 2018 toeschreef aan [betrokkene] , nu aan de verdachte toeschrijft. Anders dan de verdediging is het hof echter niet van oordeel dat [medeverdachte 2] in zijn verklaringen 180 graden is gekeerd. Het is namelijk niet zo, zoals gesteld door de verdediging, dat [medeverdachte 2] consistent heeft verklaard dat de verdachte geen rol had. Op grond van de verklaringen ontstaat eerder het beeld dat [medeverdachte 2] niet heeft willen verklaren over de rol van de verdachte en dat hij hem uit de wind heeft willen houden. Dat hij bij deze eerdere verhoren wel belastend over [betrokkene] heeft verklaard, is mogelijk ingegeven door het feit dat [medeverdachte 2] van de verhorende verbalisanten had gehoord dat [betrokkene] hem, [medeverdachte 2] , in verband had gebracht met een gestolen auto. Op vragen naar de rol van de verdachte heeft [medeverdachte 2] in zijn in 2018 afgelegde verklaringen vooral ontwijkend geantwoord door te zeggen dat hij dit niet wist, omdat de verdachte en [betrokkene] (hof: [betrokkene] ) onderling hadden afgesproken wie wat zou doen en dit ook onderling bespraken. Wel heeft hij toen verklaard dat [betrokkene] en de verdachte vaker dingen samen deden. Tot slot heeft [medeverdachte 2] ook verklaard dat de verdachte wel geweten zou hebben waarvoor hij, [medeverdachte 2] , de auto wilde lenen.
Het hof is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 2] in zijn latere verklaringen meer openheid heeft willen geven over de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Zoals gezegd onderkent het hof, met de verdediging, dat [medeverdachte 2] in zijn latere verklaringen een aantal handelingen die hij eerder aan [betrokkene] toeschreef, thans aan de verdachte toeschrijft, doch gezien het geheel van de verklaringen van [medeverdachte 2] , alsook gezien de rol van [betrokkene] , leidt het hof hieruit af dat de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten min of meer gelijk is geweest aan de rol van [betrokkene] daarbij en dat hun rollen inwisselbaar zijn geweest.
Anders dan de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 2] dat de verdachte er niet bij was toen [betrokkene] en [medeverdachte 2] de (botenvolg-)systemen raadpleegden, en dat de verdachte toen bij de pomp was en binnen iets te eten was gaan halen (p. 566 van het politiedossier), niet ontlastend voor de verdachte meeweegt.
Voorts heeft het hof bij het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene] betrokken dat het feit dat zijn verklaringen afwijken van dan wel tegenstrijdig zijn met de verklaringen die hij in 2018 als verdachte heeft afgelegd, geen verbazing wekt. Immers heeft [betrokkene] in zijn verklaringen als verdachte niet enkel de betrokkenheid van de verdachte, maar ook zijn eigen betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten ontkent. Ten behoeve van deze ontkenning heeft hij in deze eerdere in 2018 afgelegde verklaringen – gezien de overige voorhanden zijnde bewijsmiddelen – aantoonbaar in strijd met de waarheid verklaard. Wel onderkent het hof dat [betrokkene] ook bij zijn latere verklaringen zijn rol bij de tenlastegelegde feiten verkleint, doch dit doet weinig tot niets af aan hetgeen hij heeft verklaard over de rol van de verdachte.
Concluderend is het hof van oordeel dat de later afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene] weliswaar op punten afwijkend dan wel tegenstrijdig zijn met eerder door hen afgelegde verklaringen, maar dat dit verklaarbaar is en niets afdoet aan de juistheid van hetgeen zij thans over het daderschap van de verdachte verklaren. Daarnaast geven deze verklaringen een duidelijke en nadere invulling van de aanwezigheid van de verdachte bij de ontmoetingen bij McDonalds waar de voorbesprekingen hebben plaatsgevonden, zijn aanwezigheid op het parkeerterrein bij de Wouwse Tol, alsook waarom hij al daar, nadat [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] was weggereden richting de haven van Vlissingen, heeft gewacht met [betrokkene] . De verdachte daarentegen heeft ervoor gekozen om geen uitleg te geven over zijn aanwezigheid bij deze ontmoetingen en heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Dit alles bij elkaar maakt dat het hof de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene] , voor zover tot het bewijs gebezigd, betrouwbaar en geloofwaardig acht.
Hetgeen de raadsman overigens en dan met name ten aanzien van het ontbreken van het (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte heeft betoogd ter onderbouwing van de bepleite vrijspraak, vindt weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en behoeft derhalve geen bespreking.
Het hof verwerpt derhalve het verweer in alle onderdelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op of omstreeks 25 februari 2018, in de gemeente Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 18.947,75 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij op tijdstippen in de periode van 19 februari 2018 tot en met 25 februari 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 18.947,75 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- (telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen
immers hebben verdachte en zijn mededaders, tezamen en in vereniging
- mededaders in contact met elkaar gebracht en
- besprekingen en ontmoetingen gehad en inlichtingen ingewonnen met betrekking tot het uithalen van die cocaïne en
- daartoe een auto (Citroën Berlingo) ter beschikking gesteld aan zijn mededader en
- telefonisch contact opgenomen met de bewaking van de haven, alwaar het schip de [schip 1] lag, met de mededeling dat hij surveyor was en aan boord van het schip [schip 1] diende te/wilde zijn, althans een mededeling van gelijke aard en/of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaren met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft het hof primair verzocht te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijk deel. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht een gevangenisstraf van een zo kort mogelijke duur op te leggen. Tot slot heeft de verdediging nog aangevoerd dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafmatiging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, tezamen en in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan de invoer in Nederland van bijna negentien kilo cocaïne en daartoe voorbereidingshandelingen verricht. Door de invoer van een dergelijke hoeveelheid cocaïne heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in verdovende middelen en een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit en een markt voor cocaïne in Europa, in het bijzonder in Nederland. Het is algemeen bekend dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat in het bijzonder bij grensoverschrijdende handel dit in de invoer- en uitvoerlanden veelal gepaard gaat met criminaliteit, waarbij geweld vaak niet wordt geschuwd. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was uitsluitend uit op eigen financieel gewin.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Bij het bepalen van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf neemt het hof in het bijzonder in aanmerking de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd, de rol van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten en het strafrechtelijk justitieel verleden van de verdachte.
Het hof acht de rol die de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten heeft gehad van bovengemiddeld gewicht. Het hof betrekt hierbij dat in ieder geval de verdachte degene is geweest die contacten had met de leverende dan wel afnemende partij en die één van de uithalers, zijnde [medeverdachte 2] , heeft geregeld. Het hof is van oordeel dat in ieder geval de verdachte een belangrijke schakel is geweest bij de (verlengde) invoer van de cocaïne in Nederland.
Het hof weegt verder mee dat de verdachte blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 februari 2023 voorafgaand aan het bewezenverklaarde meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld, doch dat dit met name vermogensdelicten zijn en geen overtredingen van de Opiumwet.
Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest passend is.
Tot slot overweegt het hof nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Voorts heeft als redelijke termijn in hoger beroep te gelden dat het hof binnen twee jaren na het instellen van appel arrest wijst. Nu door de officier van justitie op 6 november 2018 appel is ingesteld en het hof meer dan 2 jaren later, te weten op 17 mei 2023, in deze zaak uitspraak zal doen, is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van meer dan 2,5 jaar.
Nu slechts een beperkt deel van de vertraging in hoger beroep te wijten is aan verzoeken zijdens de verdediging, voortkomend uit in een laat stadium in de procedure door het openbaar ministerie ingebrachte voor de verdachte belastende verklaringen, is het hof van oordeel dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in hoger beroep is geschonden.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,
en op 17 mei 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S. Riemens en mr. A.C. Bosch zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.