GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
registratienummer: 200.373.233/01datum beslissing: 2 september 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
in de zaak met klaagschriftnummer [nummer] van
[verzoekster] ,
woonplaats hebbende aan [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot wraking van de raadsheren/de kamer belast met de behandeling van het op 24 juli 2026 ingediende klaagschrift op de voet van artikel 12 Sv.
1. Het procesverloop
Het wrakingsverzoek met bijlagen is bij e-mail van 11 augustus 2026 via het bestuurssecretariaat ter griffie van dit hof ontvangen.
Verder heeft verzoekster op 15, 19 en 24 augustus 2026 aan de wrakingskamer gerichte e-mails verstuurd.
De coördinator van de wrakingskamer heeft verzoekster bij e-mail van 19 augustus 2026 bericht dat het verzoek in behandeling is genomen.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 31 augustus 2026 behandeld in raadkamer. De wrakingskamer heeft bepaald dat als volgt wordt beslist op het verzoek.
2. Het standpunt van verzoekster
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij haar wrakingsverzoek heeft gegrond op feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid zware schade lijdt, althans waardoor de schijn van vooringenomenheid onmiskenbaar is gewekt door toedoen van de kamer belast met de behandeling van de artikel 12 Sv-procedure en de leiding van het hof.
Verzoekster voert daartoe aan dat zij op 24 juli 2026 bij het hof een klaagschrift op de voet van artikel 12 Sv ter zake een datatrail en computervredebreuk binnen een medisch project heeft ingediend en heeft verzocht dit klaagschrift met voorrang te behandelen. Tot op heden is er echter geen beoordelaar (raadsheer) aangewezen en is er geen enkele statusupdate gegeven. Het hof traineert derhalve de rechtsgang en weigert verzoekster rechtsbescherming te bieden, aldus verzoekster.
3. De beoordeling
De wrakingskamer stelt voorop dat op grond van artikel 512 Sv elk van de rechters of raadsheren die een zaak behandelen (cursivering wrakingskamer), kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Gelet op artikel 515 lid 3 Sv kan de wrakingskamer het verzoek zonder behandeling ter zitting afdoen indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
De wrakingskamer stelt vast dat in de artikel 12 Sv-procedure waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft, nog geen raadsheren zijn aangewezen die die zaak zullen behandelen. Dat blijkt uit het wrakingsverzoek en uit informatie die de wrakingskamer van de strafgriffie heeft ontvangen.
Nu het wrakingsverzoek geen betrekking heeft op met de behandeling van de zaak belaste raadsheren, is verzoekster naar het oordeel van de wrakingskamer kennelijk niet-ontvankelijk in haar verzoek. Dat is in vergelijkbare gevallen al eerder beslist, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de wrakingskamer van 5 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3388.
Voor zover er in deze zaak sprake is geweest van enige handelingen, betreffen dat geen rechterlijke beslissingen. In haar e-mail van 19 augustus 2026 heeft verzoekster vermeld dat haar wrakingsverzoek institutioneel is. Een rechterlijk college als geheel, of het bestuur van het gerechtshof, kan evenwel niet worden gewraakt. Het hof verwijst hiervoor ook naar de bovengenoemde uitspraak van de wrakingskamer.
Het verzoek van verzoekster om de behandeling van het wrakingsverzoek (zo nodig) aan te houden totdat de raadsheren die de zaak zullen behandelen wel zijn aangewezen, wordt geweigerd. Op een wrakingsverzoek moet immers zo spoedig mogelijk worden beslist (artikel 515 lid 4 Sv).
Gelet op het voorgaande kan de wrakingskamer zonder behandeling ter zitting en zonder verzoekster te horen beslissen als hierna volgt. Aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek wordt niet toegekomen.
4. De beslissing
Het hof (de wrakingskamer):
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.P. de Haan (voorzitter), A.C. Bosch en W.W. Monteiro (leden) en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.