ECLI:NL:GHSHE:2026:2357

ECLI:NL:GHSHE:2026:2357

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 200.362.679_02
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Wraking
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek - zoals voorgeschreven in een zaak met verplichte procesvertegenwoordiging - niet is ondertekend door een advocaat. De wrakingskamer is voorts van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er reeds op de terechtzitting een mondeling wrakingsverzoek is gedaan. Tot slot is de wrakingskamer van oordeel dat het schriftelijke verzoek tot wraking van de betrokken raadsheren niet tijdig is ingediend en aldus niet in gediend zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Gelet op al het vorengaande is de wrakingskamer van oordeel dat de verzoekers niet kunnen worden ontvangen in hun verzoek. De wrakingskamer zal verzoekers derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het wrakingsverzoek.

Uitspraak

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gegeven op het schriftelijke wrakingsverzoek van 9 juli 2026 als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in de civiele zaak met nummer 200.362.679/01, van:

[verzoeker],

hierna te noemen: de verzoeker,

en

[verzoekster],

hierna te noemen: de verzoekster,

verweerders in hoger beroep

hierna gezamenlijk te noemen: de verzoekers

tegen:

[de moeder],

en

[de vader],

verzoekers in hoger beroep

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. R.S. Gerritsen,

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te [vestigingsplaats],

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke

Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

strekkende tot wraking van, zo begrijpt de wrakingskamer, mr. E.P. de Beij en mr. E.M.D.M. van der Linden, respectievelijk voorzitter en lid van de meervoudige kamer voor de behandeling van familie- en jeugdrechtzaken van dit gerechtshof, hierna ook wel gezamenlijk genoemd: de raadsheren.

1. Procesverloop

Bij het team familie- en jeugdrecht van het hof is onder zaaknummer 200.362.679/01 een procedure aanhangig, waarbij verzoekers als partij betrokken zijn.

De ouders hebben hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg van 11 september 2025 aangaande een omgangsregeling tussen verzoekers en hun zoon [zoon].

De mondelinge behandeling met gesloten deuren van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 2 juli 2026, waarbij onder meer verzoekers en de advocaat van de ouders zijn verschenen.

Bij e-mailbericht van 9 juli 2026 aan het secretariaat van de wrakingskamer hebben verzoekers te kennen gegeven mr. [mr.] en rechter mr. …. te willen wraken wegens schending van de bindende uitspraak van 2019.

Na berichtenwisseling tussen verzoekers en het secretariaat van de wrakingskamer hebben verzoekers bij e-mailbericht van 10 juli 2026 laten weten dat het wrakingsverzoek gericht is tegen mr. E.P. de Beij, zittende als voorzitter, en mr. E.M.D.M. van der Linden.

Bij e-mailbericht van 13 juli 2026 heeft het secretariaat van de wrakingskamer aan de verzoekers laten weten dat de geplande mondelinge behandeling van 22 juli 2026 om 14.00 uur niet doorgaat en dat de nieuwe datum van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek – onder voorbehoud – is gepland op 19 augustus 2026 om 14.00 uur. Voorts is aan verzoekers bericht dat in de procedure van de verzoekers sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging, wat betekent dat ook het wrakingsverzoek door een advocaat dient te worden ondertekend. Aan de verzoekers is een termijn tot 24 juli 2026 verleend om dit verzuim te herstellen.

Bij e-mailbericht van 20 juli 2026 hebben verzoekers bericht het wrakingsverzoek van 9 juli 2026 te handhaven en betwisten verzoekers dat voor wrakingsverzoeken ex artikel 37 Rv verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Daarnaast hebben verzoekers een beroep gedaan op de artikelen 6 en 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De verzoekers hebben tevens te kennen gegeven op 22 juli 2026 om 14.00 uur aanwezig te zijn om het wrakingsverzoek mondeling toe te lichten.

Diezelfde dag is door het secretariaat van de wrakingskamer bericht dat verzoekers eerder al zijn geïnformeerd over het feit dat de mondelinge behandeling van 22 juli 2026 geen doorgang vindt. Voorts zijn verzoekers herinnerd aan de termijn van 24 juli 2026 om het oorspronkelijk ingediende wrakingsverzoek bij de wrakingskamer opnieuw in te dienen, maar dan met tussenkomst van een advocaat.

Bij e-mailbericht van 21 juli 2026 hebben verzoekers uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de gestelde eis om het reeds gedane wrakingsverzoek uiterlijk 24 juli 2026 door een advocaat te laten medeondertekenen op straffe van niet-ontvankelijkheid. Daarnaast hebben verzoekers te kennen gegeven reeds een rechtsgeldige wraking ter terechtzitting van 2 juli 2026 te hebben gedaan. Tot slot hebben verzoekers verzocht om een versnelde behandeling van het wrakingsverzoek.

Diezelfde dag is door het secretariaat van de wrakingskamer bericht dat de wrakingskamer geen aanleiding ziet om de zaak versneld op zitting te plannen en zijn verzoekers nogmaals herinnerd aan de termijn van 24 juli 2026.

Bij e-mailbericht van 24 juli 2026 hebben verzoekers verzocht om toe te staan dat zij in deze wrakingsprocedure in persoon mogen optreden. Verzoekers zouden zes advocaten hebben benaderd om het wrakingsverzoek uitsluitend formeel in te dienen, waartoe zij echter niet bereid waren.

De gewraakte raadsheren hebben de wrakingskamer laten weten niet in het verzoek tot wraking te berusten. Zij hebben een schriftelijke reactie op het verzoek aan de wrakingskamer toegezonden. Deze reactie is op voorhand aan verzoekers toegezonden.

De wrakingskamer heeft het verzoek ter zitting van 19 augustus 2026 mondeling behandeld, zoals verzoekers eerder door de coördinator van de wrakingskamer was medegedeeld. Verzoekers zijn ter zitting verschenen en hebben het verzoek toegelicht. Mr. De Beij is eveneens ter zitting verschenen en heeft haar standpunt toegelicht. Mr. Van der Linden had laten weten dat zij verhinderd was om ter zitting te verschijnen. Voorts is ter zitting verschenen mr. Gerritsen de advocate van de ouders.

De voorzitter heeft de mondelinge behandeling gesloten en uitspraak bepaald op 2 september 2026.

2. Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer stelt vast dat het door verzoekers op 9 juli 2026 ingediende verzoek tot wraking niet is ondertekend door een advocaat, terwijl dit voor een schriftelijk wrakingsverzoek in een zaak met verplichte procesvertegenwoordiging zoals de onderhavige, wel is voorgeschreven.

In dat kader verwijst de wrakingskamer naar het wrakingsprotocol van het hof. In artikel 1.2. van dit protocol is opgenomen dat in zaken waarin de partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, het verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingediend door een advocaat.

De verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld om het verzuim – verzoek is niet ondertekend door een advocaat – te herstellen. De verzoekers hebben te kennen gegeven hiertegen bezwaar te hebben en zijn er uiteindelijk niet in geslaagd om het wrakingsverzoek door een advocaat te laten ondertekenen.

De verzoekers hebben voorts in het e-mailbericht van 21 juli 2026 vermeld dat er reeds op de terechtzitting van 2 juli 2026 een wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden. Dat een dergelijk wrakingsverzoek ter terechtzitting van 2 juli 2026 heeft plaatsgevonden is de wrakingskamer uit het proces-verbaal van deze terechtzitting niet gebleken. In het wrakingsverzoek van 9 juli 2026 wordt niet verwezen naar een reeds ter terechtzitting gedaan wrakingsverzoek. Evenmin is dit gebleken uit het transcript van het telefoongesprek van 10 juli 2026 dat verzoekster heeft overgelegd van het gesprek dat zij heeft gehad met de coördinator van de wrakings- en verschoningskamer. Tot slot heeft verzoekster bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 19 augustus 2026 naar voren gebracht dat zij op de terechtzitting van 2 juli 2026 niet de woorden wraken of wraking heeft geuit, maar wel heeft gewezen op het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 6 EVRM. De wrakingskamer is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er een wrakingsverzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026 is gedaan.

Verzoekers hebben nog betoogd dat de verplichte procesvertegenwoordiging in strijd is met artikel 6 en artikel 8 EVRM. De wrakingskamer verwerpt dit standpunt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977, NJ 1999, 271 geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet noopt tot het maken van een uitzondering op de eis van verplichte procesvertegenwoordiging. De wrakingskamer ziet ook niet in op welke wijze deze eis een inbreuk zou vormen op het recht op familie- en gezinsleven.

Nu er geen wrakingsverzoek is ingediend ter terechtzitting van 2 juli 2026 overweegt de wrakingskamer voorts dat een wrakingsverzoek conform artikel 37 Rv dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het wrakingsverzoek van verzoekers ziet volgens de inhoud van het verzoek, alsmede de mondelinge toelichting van de verzoekers bij de behandeling van het verzoek, op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 2 juli 2026, te weten op de intonatie van de vragen en opmerkingen van de behandelend voorzitter, mr. De Beij, en de oudste raadsheer, mr. Van der Linden. Deze gronden voor de wraking waren dan ook reeds op 2 juli 2026 bij de verzoekers bekend. Het schriftelijk wrakingsverzoek is pas na een week ná de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 9 juli 2026 ter griffie van het hof ingediend. Desgevraagd heeft de verzoekster tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 19 augustus 2026 erkend dat het schriftelijk verzoek later is ingediend, maar dat zij, verzoekers, de zaak even hebben laten bezinken en daarna wegens het ontbreken van een advocaat in de hoofdzaak zelf onderzoek hebben gedaan naar de mogelijkheden tot wraking.

De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend. Hoewel een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding in de hoofdzaak, mits vóór de einduitspraak, laat dit onverlet dat een wrakingsverzoek ingevolge artikel 37 lid 1 Rv ingediend moet worden zodra (kort samengevat) de wrakingsgronden aan verzoeker bekend zijn. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede ‘zodra de feiten of omstandigheden (...) bekend zijn’ uit artikel 37 lid 1 Rv betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Deze tijd was evenwel op 9 juli 2026 ruimschoots verstreken. Naar het oordeel van de wrakingskamer is uit hetgeen ter zitting van de wrakingskamer daaromtrent naar voren is gebracht niet gebleken van een rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen het moment dat verzoeker bekend is geworden met de wrakingsgronden op 2 juli 2026 en het indienen van het wrakingsverzoek op 9 juli 2026. Gelet hierop is de wrakingskamer van oordeel dat het op 9 juli 2026 gedane wrakingsverzoek niet tijdig heeft plaatsgevonden.

Gelet op al het vorengaande is de wrakingskamer van oordeel dat de verzoekers niet kunnen worden ontvangen in hun verzoek. De wrakingskamer zal verzoekers derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek komt de wrakingskamer om die reden niet toe.

3. De beslissing

Het hof:

verklaart de verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek tegen van mr. E.P. de Beij en mr. E.M.D.M. van der Linden;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekers, de (advocaat van de) ouders, de raadsheren van wie wraking was verzocht, de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. T.A. Gladpootjes, mr. A.M.G. Smit en mr. F.M.T. Quaadvliet, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffiers.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand