ECLI:NL:PHR:2025:780

ECLI:NL:PHR:2025:780, Parket bij de Hoge Raad, 27-05-2025, 23/03272

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/03272
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1118
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft d.m.v. het aannemen van een valse hoedanigheid (art. 311.1.5 Sr). 1. Bewijsklacht. 2. Vordering benadeelde partij, aantasting in persoon ‘op andere wijze’. De conclusie strekt ertoe de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast, te bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast en het beroep voor het overige te verwerpen.

Uitspraak

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50.500,00, bestaande uit € 50.000,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.

De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij hetzelfde te beslissen als de politierechter in eerste aanleg.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering ter zake van geleden materiële schade gesteld dat deze schade voor een gedeelte bestaat uit het weggenomen geld ter waarde van € 20.000,00 en voor het, andere gedeelte uit de waarde van de weggenomen sieraden, begroot op € 30.000,00. Ten aanzien van de gestelde materiële schade die is ontstaan door het wegnemen van het geld oordeelt het hof dat dit bedrag voldoende onderbouwd is. Deze schade vloeit rechtstreeks uit de bewezenverklaring voort. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gestelde materiële schade die is ontstaan door het wegnemen van de sieraden oordeelt het hof dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof beschikt ook niet over voldoende gegevens om een verantwoorde schatting van deze schade te kunnen maken. De benadeelde partij kan daarom ten aanzien van dit gedeelte van de gestelde materiële schade in de vordering niet worden ontvangen.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade stelt het hof vast dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) inhoudt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, maar kan zich ook voordoen indien uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is.

Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Hierbij moet de rechter rekening houden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij de verdachte, die zich voordeed als loodgieter, haar woning heeft binnengelaten omdat er volgens de verdachte een lekkage in de woning was. De verdachte heeft de benadeelde partij geïnstrueerd om de straal water uit de keukenkraan in de gaten te houden, terwijl hij ondertussen op diverse plekken in de woning goederen heeft weggenomen. De benadeelde partij is er op een later moment achter gekomen dat onder meer de kluis met geld, en sieraden zijn weggenomen en dat zij slachtoffer was van een babbeltruc. Als gevolg van het bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij – een, naar de verdachte wist, (hoog)bejaarde vrouw – gevoelens van angst, schuld en wantrouwen bekomen. Zij voelde zich zo onveilig in haar eigen woning dat zij een alarmknop heeft gekregen en zij durft geen onbekenden meer toe te laten in haar woning. Gelet op het voorgaande, met name ook het gegeven dat de benadeelde partij aanwezig was in de woning terwijl de diefstal plaatsvond en de dader heeft gezien, en de stellingen omtrent de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij, die niet door de verdediging zijn betwist, is het hof van oordeel dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 20.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

(…)

BESLISSING

Het hof:

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van hef slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum, tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 juli 2021.’

Bespreking van het tweede middel

13. Het middel betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade. Nu een vermogensdelict bewezen is verklaard en meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen niet voldoende is om te spreken van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 BW en het bestaan van geestelijk letsel ‘naar objectieve maatstaven’ niet dan wel onvoldoende is vastgesteld, zou het oordeel van het hof ter zake tekortschieten.

14. Art. 6:106 BW luidt als volgt:

‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.’

15. Uw Raad heeft in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

‘2.4.5 Van (…) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’

16. In een arrest van 15 oktober 2019 heeft Uw Raad het volgende overwogen:

‘2.4.1 Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de inbraak in de woning van de benadeelde partijen en de diefstal van sieraden uit die woning door de verdachte. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen.

2.4.2 Het oordeel dat telkens sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is onjuist, althans onbegrijpelijk.

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel, in het bijzonder ook wat betreft die gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen, te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens. De door het Hof gegeven motivering dat de immateriële schade van de benadeelde partijen “voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (wordt) vastgesteld op € 275,-” volstaat daartoe niet. In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de (…) gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 2.8.3 van het hiervoor onder 2.3.2 genoemde arrest van 28 mei 2019 zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, weliswaar uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen.Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp – naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt – ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.’

17. In een arrest van 13 juli 2021 was sprake van een zaak waarin de verdachte, in de samenvatting van A-G Aben, ‘dertien slachtoffers, waarbij het veelal ging om hoogbejaarden, telefonisch de pincode afhandig heeft gemaakt door middel van zogeheten ‘babbeltrucs’’. Uw Raad overwoog dat het hof kennelijk had geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij sprake was ‘van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 106, aanhef en onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welke aantasting het gevolg is van de bewezenverklaarde feiten, kort gezegd oplichting en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.’ Dat oordeel was volgens Uw Raad niet begrijpelijk ‘nu het hof niets heeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde. De motivering dat vergoeding van de gestelde immateriële schade “billijk” voorkomt, volstaat daartoe niet.’ Uw Raad oordeelde dat gelet op de eerdere geciteerde overweging in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij en op ‘wat in dit geding ter onderbouwing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 150 is aangevoerd, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van de zaak na vernietiging door de Hoge Raad teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, een onevenredige belasting van het strafgeding, zoals bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, zou opleveren’ en verklaarde de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk in haar vordering.

18. Het hof heeft (ook) in de onderhavige zaak geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Inzake de aard en ernst van de normschending heeft het hof vastgesteld dat sprake is van ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid’. Wat de gevolgen betreft heeft het hof vastgesteld dat een kluis met geld en sieraden zijn weggenomen, dat de benadeelde partij ‘gevoelens van angst, schuld en wantrouwen (heeft) bekomen’, dat zij een alarmknop heeft gekregen en dat zij geen onbekenden meer durft toe te laten in haar woning. Die vaststellingen zijn naar het mij voorkomt niet toereikend om aan te nemen dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. Ik neem daarbij in aanmerking dat Uw Raad in het arrest van 15 oktober 2019 heeft overwogen dat het ‘niet is uitgesloten’ dat een inbraak in een woning ‘dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon’. Deze formulering duidt op een regel waarop in bijzondere omstandigheden een uitzondering mogelijk is. De gevolgen die de diefstal (zonder geweld) in de onderhavige zaak voor de benadeelde partij heeft gehad, zijn – meen ik – niet dermate ingrijpend (en van de gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij een uitzondering op de regel rechtvaardigen.

19. Het middel slaagt.

20. Mede in het licht van de geciteerde overweging uit het overzichtsarrest van de benadeelde partij en op wat ter onderbouwing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500,- is aangevoerd, moet – meen ik – worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van de zaak na vernietiging door Uwe Raad teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat brengt mee dat Uw Raad de zaak naar het mij voorkomt zelf kan afdoen.

Afronding

21. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt ertoe

- de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast;

- te bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast; en

- het beroep voor het overige te verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand