RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
de besloten vennootschap Rappange Administratie B.V.
[gedaagde]
Verloop van de procedure
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12322872 CV EXPL 26-9484
vonnis van: 25 augustus 2026
fno.: 506
I n z a k e
gevestigd te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: mr. M. van der Heijde (TienG Gerechtsdeurwaarders)
t e g e n
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
1. Eisende partij vordert betaling van de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
4. Eisende partij stelt zich in de dagvaarding op het standpunt dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13.
5. Het huurprijsbeding (artikel 4.5) in de huurovereenkomst is een kernbeding. Dit beding is transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.2 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en artikel 16 (Huurprijswijziging) van de algemene voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst.
Dit artikel luidt als volgt:
In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.
8. Het hiervoor geciteerde beding over buitengerechtelijke incassokosten (artikel 25.2 van de algemene voorwaarden) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan.
9. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
10. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 7 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
De vordering
11. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.
12. Gedaagde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
€ 1.202,42 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 juli 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf de dag der dagvaarding (14 juli 2026) tot de voldoening;
€ 8,24 ter zake van meegevorderde wettelijke rente;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,77 aan explootkosten, € 144,00 aan salaris gemachtigde, € 350,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.