RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11366914 \ CV EXPL 24-13481
Vonnis van 3 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OGEN B.V., handelende onder de naam IRIS OPTIEK,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij,
gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 oktober 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Eisende partij stelt dat gedaagde partij twee brillen heeft geleased (een bril van het merk Gucci en een bril van het merk Lindberg Bo). De twee overeenkomsten zijn op 10 september 2022 in de verkoopruimte van eisende partij tot stand gekomen. Ze hebben een looptijd van 24 maanden. Op de overeenkomsten zijn algemene voorwaarden van toepassing. Overeengekomen is dat gedaagde partij na afloop van de overeengekomen termijn van 24 maanden drie opties heeft: (1) een nieuwe bril aanschaffen, in welk geval de geleasde bril mag worden behouden, (2) de bril inleveren, waarna de incasso stopt, of (3) de geleasde bril kan worden aangeschaft voor een afkoopprijs van 20% van de brutoprijs. Aan deze opties is in dit geval niet toegekomen, omdat gedaagde partij bij beide leaseovereenkomsten meerdere maandtermijnen onbetaald liet. Daardoor vervalt het recht om het nettobedrag in maandelijkse termijnen te voldoen en is de afkoopsom met incassokosten ineens verschuldigd, aldus – steeds – eisende partij.
Eisende partij vordert de onbetaald gelaten, resterende termijnen van beide leaseovereenkomsten en de afkoopsommen, in totaal € 1.601,58. Dat bedrag wordt aan hoofdsom gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
In beide leaseovereenkomsten is het volgende bepaald, waarbij uitsluitend genoemde bedragen verschillen.
“De leaseprijs van</em> € 38,14 (Guccibril, ktr) / € 45,06 (Lindberg Bo bril, ktr) wordt omstreeks de 1e van iedere maand geïncasseerd. De eerste automatische afboeking geschiedt omstreeks: 01-10-2022
Na twee jaar heeft u de volgende drie mogelijkheden.
Optie 1 U schaft een nieuwe leasebril aan en krijgt de bestaande bril er GRATIS bij.
Optie 2 U levert de leasebril in en de incasso stopt.
Optie 3 U schaft de bestaande leasebril aan, de afkoopprijs bedraagt 20% van de bruto-prijs. In uw geval is de afkoopprijs</em> € 203,40 (Guccibril, ktr) / € 240,30 (Lindberg Bo bril, ktr)
(…)
Indien de betalingsverplichting herhaaldelijk niet wordt nagekomen, vervalt het recht om het netto bedrag in maandelijkse termijnen te mogen voldoen. In dit geval eist de Lessor dat het bruto bedrag incl. de incassokosten en het afkoopbedrag in één keer zal worden voldaan.”
In de algemene voorwaarden staat onder meer het volgende.
Artikel 6
In geval Lessee in verzuim verkeert ter zake twee of meer maandelijkse termijnen dan zijn de resterende termijnen direct opeisbaar, vermeerderd met de wettelijke rente en incassokosten. Daarnaast is Lessee in dat geval de in artikel 1 genoemde koopsom, zijnde 20% van de op de voorzijde genoemde brutoprijs verschuldigd. Nadat alle in dit artikel 6 genoemde bedragen door Lessee aan Lessor voldaan zijn zal Lessor de bril in eigendom overdragen aan Lessee.”
Op basis van de hiervoor geciteerde gedeeltes uit de leaseovereenkomsten, worden de overeenkomsten gekwalificeerd als overeenkomsten van goederenkrediet, omdat ze onder de omschrijving van artikel 7:84 lid 3 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) vallen. Weliswaar is gedaagde partij op grond van de leaseovereenkomsten, bij correcte nakoming, niet verplicht om de brillen te kopen, maar de mogelijkheid daartoe wordt wel geboden (de zogenoemde ‘urgerende koopoptie’). De verkoopprijs is ook expliciet in de overeenkomsten genoemd. Bij niet correcte nakoming van de leaseovereenkomsten is gedaagde partij daarnaast verplicht de volledige lease- en afkoopsommen te betalen en wordt de eigendom daarna overgedragen. De huurovereenkomst heeft dan ook de strekking van een goederenkrediet, temeer het hier gaat om de lease van een bril op strekte van de consument. De wetgeving daarover is daarom van toepassing en deze is van dwingend recht.
Eisende partij heeft niet gesteld hoe zij heeft voldaan aan de verplichtingen in het kader van de kredietverstrekking, waaronder de precontractuele informatieplichten van artikel 7:60 BW en de kredietwaardigheidstoets. Hierover dient eisende partij de kantonrechter te informeren. Indien blijkt dat eisende partij deze verplichtingen niet (volledig) heeft nageleefd, maakt zij zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk en zijn de overeenkomsten vernietigbaar (artikel 7:60 lid 3 jo. artikel 6:193j lid 3 BW).
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
Eisende partij heeft zich nog niet uitgelaten over de bedingen die ten grondslag liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering. Zij wordt in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Daarbij zal eisende partij een standpunt moeten innemen over de (on)eerlijkheid van alle bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij verwezen naar de rol.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 31 juli 2026 om 10.00 uur voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.6 en 2.9,
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.11,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
991