RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-131388-26
Datum uitspraak: 1 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S. de Bont, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Assendelft de Coningh, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen L.C. Hemmer (medewerkster van
Slachtofferhulp Nederland) namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] naar voren heeft gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting C.C. van Thol (reclasseringswerker bij
Reclassering Nederland) als deskundige gehoord.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1
diefstal in vereniging vergezeld van geweld op 25 en 31 maart 2026 en op 13, 15, 20, 21 en 22 april 2026;
feit 2
diefstal in vereniging en met braak op 22 april 2026;
feit 3
diefstal in vereniging op 14 april 2026;
feit 4
poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld op 21 april 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte
ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen verdere motivering.
Omdat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en zijn raadsman daarvoor geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen. Deze zijn opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingelast.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
feit 1
in de periode van 25 maart 2026 tot en met 22 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen meermalen te weten,
- op 25 maart 2026 tassen van het merk Louis Vuitton, die toebehoorden aan [naam 1] ,
- op 31 maart 2026, een tas van het merk Chanel, die toebehoorde aan [naam 2] ,
- op 13 april 2026, tassen met daarin schoenen, een sjaal, slippers en een blouse, die toebehoorden aan [naam 3] ,
- op 15 april 2026, een tas van het merk Hermès, die toebehoorde aan [benadeelde partij 1] ,
- op 20 april 2026, een paspoorthoes van het merk Louis Vuitton, die toebehoorde aan [naam 4] ,
- op 21 april 2026, een paar schoenen van het merk Hermès, dat toebehoorde aan [naam 5] , en
- op 22 april 2026, een tas van het merk Hermès met daarin een iPhone en een contant geldbedrag, die toebehoorde aan [benadeelde partij 2] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal telkens werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [benadeelde partij 1] , [naam 4] , [naam 5] en [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, door telkens de voornoemde goederen met kracht uit de handen/armen van voornoemde [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [benadeelde partij 1] , [naam 4] , [naam 5] en [benadeelde partij 2] , te trekken;
feit 2
op 22 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen een tas met daarin verschillende luxe goederen van het merk Louis Vuitton, die aan [naam 6] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
feit 3
op 14 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een tas met daarin verschillende luxe goederen van het merk Louis Vuitton die aan [naam 7] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 4
op 21 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tassen van het merk Hermès en Arket die aan [naam 8] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze poging tot diefstal te doen vergezellen van geweld tegen [naam 8] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, met hoge snelheid op een fatbike langs voornoemde [naam 8] is gereden en met kracht heeft getrokken aan haar tassen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij de COVA-training wordt vervangen door een behandelverplichting.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) moet worden toegepast, ondanks het negatieve advies daartoe van de reclassering. Verdachte woont immers nog thuis en verkeert in een afhankelijkheidsrelatie met zijn familie. Daarnaast is verdachte nog vatbaar voor pedagogische beïnvloeding en heeft hij een (vrijwel) blanco strafblad. De raadsman verzoekt aan verdachte jeugddetentie voor de duur van 180 dagen op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich binnen een maand tijd schuldig gemaakt aan een grote reeks straatroven en diefstallen in en rondom de P.C. Hooftstaat in Amsterdam. Verdachte is op zijn rooftochten steeds methodisch te werk gegaan. Verdachte reed op een snelle fatbike, met zijn mededader achterop, rondjes in en rondom de P.C. Hoofstraat. Ook stelden verdachte en zijn mededader zich zo nu en dan strategisch op de hoek van de straat op, terwijl ze het winkelend publiek gadesloegen, zoekend naar het volgende doelwit. Verdachte heeft het daarbij vooral gemunt op personen – vrijwel uitsluitend vrouwen en/of toeristen – die net een aankoop hadden gedaan bij een exclusieve winkel als Chanel, Hermés of Louis Vuitton. Zodra deze personen de winkel verlieten, volgden verdachte en zijn mededader hen net zo lang tot zich een kans voordeed om op hoge snelheid dicht langs de slachtoffers te rijden en de tas met aankopen met kracht uit de handen van de nietsvermoedende winkelgangers te trekken.
De impact die deze straatroven op de slachtoffers heeft, is groot. Zij werden op klaarlichte dag overrompeld en hardhandig ontdaan van hun nieuwe aankopen. In één geval heeft een slachtoffer krampachtig haar tassen vastgehouden. Desondanks bleef verdachte doorfietsen, waardoor de vrouw vele meters werd meegesleurd door de verdachten op hun fatbike, onder toeziend oog van vele omstanders, waarbij zij gewond is geraakt.
Buiten de direct betrokkenen, ervaren ook anderen in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid door het handelen van verdachte. Uit het dossier volgt onder meer dat de winkeliers in de P.C. Hooftstraat snel doordrongen waren van de handelswijze van verdachte, hetgeen veel onrust teweeg heeft gebracht. Ondertussen bleef verdachte zich laten zien in de omgeving. Hij waande zich kennelijk onaantastbaar op zijn snelle fatbike.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 30 juli 2026. Uit deze rapportage blijkt – kort gezegd – dat verdachte beschikt over een baan, een steunend
familienetwerk, een partnerrelatie en een aantal goede vrienden die zich niet met criminaliteit
bezighouden. Daarnaast is er geen sprake van schulden of problematisch middelengebruik. De reclassering merkt echter ook op dat negatieve beïnvloeding vanuit zijn netwerk, het onvoldoende stilstaan bij de risico’s en gevolgen van zijn gedrag en het maken van pro-criminele keuzes voor financieel gewin risicofactoren vormen voor recidive.
Verder adviseert de reclassering om, bij een bewezenverklaring, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 30 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vermogens- of gewelddelicten.
Adolescentenstrafrecht
De reclassering adviseert tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Uit het Wegingskader Adolescentenstrafrecht dat is toegepast, blijken geen doorslaggevende redenen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Gezinsgerichte hulpverlening of continuering van schoolgang is niet noodzakelijk, betrokkene heeft geen groepsgericht leefklimaat nodig en er is geen sprake van een interventie die enkel vanuit het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De deskundige heeft dit advies op de zitting nader toegelicht en op vragen van de verdediging gereageerd. Uit een en ander is gebleken dat verdachte al langere tijd onder de groepsaanpak in de wijk valt. Verder handelt verdachte in het algemeen niet impulsief, en de reclassering vindt de volwassenenaanpak het meest passend bij verdachte. Ook nu loopt verdachte onder toezicht van de volwassenenreclassering.
Gelet hierop past de rechtbank het volwassenenstrafrecht toe. De omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd, maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat toepassing van het jeugdstrafrecht in dit geval geïndiceerd is omdat de reclassering deze factoren ook verdisconteerd heeft in haar advies
Strafoplegging
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Daaruit volgt dat voor een tasjesroof met een enkele ruk als uitgangspunt al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wordt gehanteerd. Daarbij komt dat verdachte berekenend te werk is gegaan en de feiten binnen een maand zijn gepleegd. Het is bovendien niet ondenkbaar dat verdachte op dezelfde voet door was gegaan met het plegen van soortgelijke feiten als hij niet was aangehouden. Daartegenover heeft verdachte de feiten volledig bekend en enige blijk van berouw laten zien. Desondanks rechtvaardigt het aantal gepleegde feiten en de ernst daarvan niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de voorlopige hechtenis in aanzienlijke mate overstijgt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van achttien maanden geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan negen maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij de COVA-training wordt vervangen door een behandelverplichting, zoals ter zitting door de reclassering is geadviseerd.
8. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen [naam 2] , [naam 3] , [naam 7] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [naam 6] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend.
De benadeelde partijen hebben verder gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vergoeding van de waarde van de Hermès tas zoals gevorderd door [benadeelde partij 2] onder c. gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de overige vorderingen heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van [naam 2] , [benadeelde partij 1] , [naam 7] en [naam 6] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de vordering van [naam 3] heeft de raadsman zich gerefereerd ten aanzien van de kosten onder a. en verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] heeft de raadsman zich gerefereerd ten aanzien van de kosten onder b. en verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
[naam 2]
heeft een bedrag van € 6.200,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding van materiële schade, te weten een Chanel tas.
De vordering is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de vordering daarom geheel toe.
[naam 3]
heeft een bedrag van € 2.360,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding van materiële schade. Het bedrag van de vordering is als volgt opgebouwd:
a. sneakers Chanel: € 1.300,-
b. Hermès slippers: € 635,-
c. Hermès Twilly sjaaltje: € 215,-
d. blouse ‘for all my kind’: € 210,-
Ad a)
De kosten onder a. zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de kosten onder a. daarom geheel toe.
Ad b, c, d)
Bewezen is dat verdachte de luxegoederen onder b, c en d. heeft gestolen. Het betreffen goederen die de benadeelde partij vlak voor de diefstal heeft gekocht. De benadeelde partij heeft dan ook rechtstreeks schade geleden. De benadeelde partij heeft de hoogte van de bedragen niet met bonnen onderbouwd, omdat deze in de gestolen tas zaten. De rechtbank wijst de vordering ook in zoverre toe, nu verdachte de hoogte van de bedragen niet inhoudelijk heeft betwist en de rechtbank geen aanleiding ziet daaraan te twijfelen
[naam 7]
heeft een bedrag van € 1.960,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding voor materiële schade. Het bedrag van de vordering is als volgt opgebouwd:
a. set chouchou LV SAF.MAR.: € 340,-
b. chouchou MNG MB: € 210,-
c. BIJ.SAC KN.PH.STRA.BLC: € 590,-
d. FLAT MULE: € 820,-
De vordering is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de vordering daarom geheel toe.
[benadeelde partij 1]
heeft een bedrag van € 8.365,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 7.750,- aan vergoeding voor materiële schade, te weten een Hermès tas, en € 615,- aan vergoeding voor immateriële schade.
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is onder andere mogelijk als de benadeelde partij'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn
persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De enkele stelling dat sprake is van schrik, angst of spanning volstaat niet.
De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met een rapportage van een coach van PSION, gedateerd 29 april 2026. De coach van PSION heeft op basis van een Quick Scan geconcludeerd dat benadeelde deels geschikt is bevonden om arbeid te verrichten en dat aanpassing in werkuren wordt aangeraden. Ook wordt begeleiding van PSION aangeraden, te weten 5 sessies verspreid over 20 weken. De benadeelde partij heeft onweersproken gesteld dat zij gesprekken met een coach voert en dat zij ten gevolge van de beroving onder andere last heeft van angst, slaapproblemen en toegenomen frequentie van migraine aanvallen. Deze gestelde gevolgen zijn door de verdediging niet betwist, zodat de rechtbank kan uitgaan van de juistheid daarvan. De door de benadeelde partij gestelde gevolgen zijn naar het oordeel van de rechtbank daarmee voldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.
De rechtbank wijst daarom ook de gevorderde immateriële schadevergoeding van toe.
[benadeelde partij 2]
heeft een bedrag van € 18.453,65 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding voor materiële schade. Het bedrag van de vordering is als volgt opgebouwd:
a. contant geld: € 1.400,-
b. aanvraag rijbewijs: € 53,65
c. Hermès tas: € 17.000,-
Ad a)
De benadeelde partij heeft direct in haar aangifte op 22 april 2026 kenbaar gemaakt dat in de gestolen tas € 1.400,- cash geld zat. In haar vordering tot schadevergoeding heeft zij dit onderbouwd met de stelling dat zij dit bedrag bij zich had omdat zij eigenaresse was van een café en het geld afkomstig was uit het kassageld. Zij had het contante geld op dat moment bij zich om hiervan te kunnen winkelen. Nu verdachte deze stelling niet heeft betwist, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat (ook) dit geldbedrag gestolen is. De benadeelde partij heeft daardoor rechtstreeks schade geleden. De rechtbank wijst daarom het bedrag onder b. geheel toe.
Ad b)
De kosten onder b zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de kosten onder a. daarom geheel toe.
Ad c)
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met de maatregel van schadevergoeding wordt gestreefd naar herstel van de toestand die er was voordat de onrechtmatigheid intrad. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met een in de reden liggende dagwaarde. Omdat de tas een exclusief luxegoed betreft, is de dagwaarde na aanschaf daarvan mogelijk gestegen. De rechtbank acht door de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat de dagwaarde van de tas hoger is dan het aankoopbedrag. Ook de hoogte van de actuele waarde acht de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst daarom het bedrag onder c. geheel toe.
[naam 6]
heeft een bedrag van € 847,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit aan vergoeding voor materiële schade, te weten de schade aan de autoruit en interieurschade.
De vordering is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de factuur is gebleken dat de daadwerkelijk kosten voor het herstel van de autoruit en het interieur € 844,51 bedragen. De rechtbank wijst de vordering daarom toe tot dit bedrag en wijst de vordering voor het overige af.
Wettelijke rente
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partijen wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de
maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Hoofdelijkheid
De rechtbank bepaalt dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.
9. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. Communicatieap (Telefoon), Samsung, Blauw, goednummer 6809228;
2. Communicatieap (Telefoon), IPhone, Zwart, goednummer 6809229;
3. Fiets (Elektrische), Super73, Zwart, goednummer 6809231.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de fiets (fatbike) en de IPhone verbeurd worden verklaard en de Samsung wordt onttrokken aan het verkeer. Op de Samsung zijn gesprekken over drugs aangetroffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de gevorderde verbeurdverklaringen. De raadsman heeft verzocht de Samsung te retourneren aan verdachte, omdat er geen grond voor onttrekking aan het verkeer bestaat.
Het oordeel van de rechtbank
De voorwerpen onder 2 en 3 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan en is voorbereid, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen rechtsgrond bestaat de Samsungtelefoon te onttrekken aan het verkeer. De rechtbank gelast daarom de teruggave van de Samsungtelefoon aan verdachte.
10. Voorlopige hechtenis
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzet zich tegen de opheffing van de schorsing.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet geen aanleiding of grond om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
feit 2
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 3
diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 4
poging tot diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 9 (negen) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling indien nodig
Dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dat nodig vindt. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Contactverbod
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met medeverdachten
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] ;
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] .
Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
Dat veroordeelde zich gedurende het toezicht niet bevindt binnen een straal van 100 meter binnen de P.C. Hooftstraat in Amsterdam (zie bijlage III bij dit vonnis), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Dat veroordeelde gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Beperking recht Nederland te verlaten wegens elektronisch toezicht
Dat de verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vorderingen benadeelde partijen:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 6.200,- (zesduizend tweehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 31 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 2] , aan de Staat € 6.200,- (zesduizend tweehonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 31 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 3] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 2.360,- (tweeduizend driehonderdzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 13 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 3] , aan de Staat € 2.360,- (tweeduizend driehonderdzestig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 13 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 7]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.960,- (duizend negenhonderdzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 7] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 7] , aan de Staat € 1.960,- (duizend negenhonderdzestig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 19 (negentien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 8.365,- (achtduizend driehonderdvijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 7.750,- aan vergoeding van materiële schade en € 615,- aan vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] , aan de Staat € 8.365,- (achtduizend driehonderdvijfenzestig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 66 (zesenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 18.453,65 (achttienduizend vierhonderddrieënvijftig euro en vijfenzestig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] , aan de Staat € 18.453,65 (achttienduizend vierhonderddrieënvijftig euro en vijfenzestig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 117 (honderdzeventien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 6]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 6] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 844,51 (achthonderdvierenveertig euro en eenenvijftig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 6] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 6] , aan de Staat € 844,51 (achthonderdvierenveertig euro en eenenvijftig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslag:
Verklaart verbeurd:
2. Communicatieap (Telefoon), Iphone, Zwart, goednummer 6809229;
3. Fiets (Elektrische), Super73, Zwart, goednummer 6809231.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
1. Communicatieap (Telefoon), Samsung, Blauw, goednummer 6809228.
Voorlopige hechtenis :
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en C. Işitman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2026.