RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-062432-26
Datum uitspraak: 21 mei 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 januari 2026 door the Regional Court in Opole, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Cox, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final judgment of the District Court in Nysa, van 4 februari 2010, met kenmerk II K 649/10.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden, en 13 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Bij beslissing van the district court in Nysa van 13 oktober 2011, met kenmerk Ko 1723/21 is te tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgeschort onder voorwaarden, met een proeftijd van vijf jaar. Bij beslissing van the District Court in Nysa van 27 februari 2013, met kenmerk Ko 313/13, is alsnog de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgeschorte vrijheidsstraf bevolen, omdat de opgeëiste persoon gedurende de proeftijd een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd inzake de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich niet voordoet.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot the final judgment of the District Court in Nysa, van 4 februari 2010, met kenmerk II K 649/10 heeft geleid.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgeschorte straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
In de aanvullende informatie van 15 en 24 april 2026 is vermeld dat de opgeëiste persoon op 8 januari 2013 door the District Court in Ząbkowice Śląskie (zaaknummer: II K 572/12) is veroordeeld wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit. Uit de informatie blijkt dat hij in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis van the District Court in Ząbkowice Śląskie heeft geleid.
De beslissing van the Regional Court in Nysa van 27 februari 2013 tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van twee jaar, met kenmerk Ko 313/13, is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon moet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij sinds 2019 staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) en dat hij een eigen bedrijf heeft waarmee hij voldoende inkomen genereert.
De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Het voor overname van de opgelegde straf noodzakelijke certificaat en vonnis zijn echter nog niet ontvangen. Om die reden zal het onderzoek ter zitting moeten worden aangehouden dan wel bij tussenuitspraak worden heropend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat de opgeëiste persoon sinds 2019 tot heden ingeschreven heeft gestaan in de BRP en uit de door hem verstrekte inkomensgegevens van 2020 tot en met 2024 blijkt dat hij in die periode ieder jaar een verzamelinkomen had dat tussen € 21.000,- en € 48.000,- lag. Gelet daarop heeft de opgeëiste persoon van 2020 tot en met 2024 vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleven en heeft hij een duurzaam verblijfsrecht verkregen. Gesteld noch gebleken is dat hij dit verblijfsrecht na 2024 is verloren.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 30 april 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende - met name economische - banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat volgens de OLW de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Om de straf te kunnen overnemen is, gelet op het arrest C.J. toestemming vereist van de Poolse autoriteiten. Hiervoor is toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis nodig. Ondanks een daartoe strekkend verzoek van het openbaar ministerie zijn deze stukken nog niet ontvangen.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de zaak te heropenen om de toezending van het voornoemde certificaat en een kopie van het vonnis af te wachten.
Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Gelet op de gevolgen van het arrest C.J. over het opvragen van het certificaat en het veroordelende vonnis en de omstandigheid dat de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Om die reden zal de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen verlengen en gelijktijdig de (geschorste) overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
7. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 4 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 4 augustus 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw en van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.