Voorlopige voorzieningenprocedure
Toepasselijk recht
De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.
Reguliere omgangsregeling
Zoals in het hierna volgende zal blijken, zal de rechtbank in de bodemprocedure een raadsonderzoek gelasten. Om die reden ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om vooruitlopend op dat onderzoek al een wijziging in de omgangsregeling, zoals partijen die nu uitvoeren, aan te brengen, waarbij, zo begrijpt de rechtbank, de vader [de minderjarige] om de twee á drie weken ziet. De rechtbank zal het verzoek van de moeder op dit punt daarom afwijzen.
Vakantieregeling
Zomervakantie 2025
Na de zitting hebben partijen gedeeltelijk overeenstemming over de zomervakantie 2025 bereikt. Deze gedeeltelijke overeenstemming houdt in dat [de minderjarige] van 19 juli 2025 tot 29 juli 2025 bij de moeder is en van 29 juli 2025 tot 8 augustus 2025 bij de vader, waarbij partijen ervoor zorgen dat [de minderjarige] op 29 juli 2025 in [land] aan de vader wordt overgedragen. De rechtbank zal aldus bepalen. De resterende zomervakantie periode, waaronder ook de verjaardag van [de minderjarige] op [datum] 2025, is tussen partijen in geschil gebleven,
De rechtbank zal alles afwegende voor de resterende zomervakantie periode bepalen dat [de minderjarige] :
De moeder heeft aangegeven dat zij wil dat [de minderjarige] ook op 9,10 en 11 augustus 2025 bij haar is, omdat zij ook weekenden met [de minderjarige] wil doorbrengen in de zomervakantie. De rechtbank ziet daar geen goede reden voor, omdat [de minderjarige] in de zomervakantie alle dagen vrij is en de moeder niet heeft uitgelegd waarom die weekenden in de zomervakantie van belang zijn.
Overige vakanties
De rechtbank ziet in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure nog geen aanleiding om de verdeling van de vakanties die daarna komen, vast te stellen. Partijen hebben daarover al een afspraak gemaakt in de procedure in [land] en niet is gebleken dat partijen al getracht hebben om in onderling overleg tot een regeling te komen. Het is eerst de verantwoordelijkheid van de ouders om een regeling af te spreken. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder op dit punt daarom af.
Bodemprocedure
Verklaring voor recht/gerechtigd om in Nederland te blijven dan wel terugverhuizen naar [land]
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op het verzoek om een voor recht te verklaren dat de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] uitoefent en het verzoek om te bepalen dat de moeder gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat in het najaar van 2020 het [land] Hooggerechtshof besloten heeft om het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. Partijen hebben nagelaten om een kopie van deze uitspraak inclusief vertaling over te leggen. Voor het uitspreken van een verklaring voor recht moet er voldoende belang bestaan en het belang bij een zodanig verzoek is in eerste plaats naar zijn aard gelegen in het belang om de tussen betreffende partijen eventuele onzekerheden over hun rechtsverhouding op te heffen. De rechtbank constateert allereerst dat er blijkbaar geen onzekerheid is tussen partijen over het feit dat de moeder met eenhoofdig gezag is belast, nu beide partijen hiervan uitgaan. Daarnaast kan de rechtbank geen verklaring voor recht af geven, omdat de rechtbank niet de (vertaalde) uitspraak tot haar beschikking heeft en dus ook geen constatering kan doen over wat die rechtsverhouding is. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om afgifte van een verklaring voor recht daarom af.
De rechtbank wijst ook het verzoek van de moeder af om te bepalen dat zij gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven. De moeder is schijnbaar bevoegd om die beslissing zelf te nemen nu zij schijnbaar al belast is met het eenhoofdig gezag.
Daarmee wijst de rechtbank ook het zelfstandig verzoek van de vader af om te bepalen dat de moeder gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven tot de einddatum van de huidige verlenging van haar dienstverband, dan wel te bepalen dat [de minderjarige] na afloop van het schooljaar 2024-2025 zal verhuizen naar [land] . De moeder woont inmiddels al vier jaar in Nederland zodat het beroep van de advocaat van de vader op de uitspraak van de Hoge Raad naar de rechtbank begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513 niet slaagt.
Gezamenlijk gezag
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op het verzoek om de vader om te bepalen dat partijen gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast zijn.
Inhoudelijke beoordeling
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, BW volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, als de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij samen met de moeder het gezamenlijk gezag kan uitoefenen. Dit is immers het wettelijk uitgangspunt en het is goed voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat niet alleen de moeder maar ook de vader een ouderrol in zijn leven vervult, aldus de vader. De moeder voert verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de ouders al jarenlang verwikkeld zijn in een harde strijd met elkaar, ook al in [land] voordat de moeder naar Nederland verhuisde. Over en weer zijn er (strafrechtelijke) aangiftes gedaan en de vader heeft recent in [land] nog een vordering ingediend tot schadevergoeding wegens ouderverstoting. Verder is gebleken dat iedere vorm van communicatie tussen de ouders ontbreekt. Uit de stukken blijkt dat er niet de vrees is dat [de minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders, maar dat [de minderjarige] al in die situatie is. Met deze stand van zaken ziet rechtbank geen mogelijkheid om ouders tezamen met het gezag te belasten. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader op dit punt af.
Omgang
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op de verzoeken ten aanzien van de omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben om een wijziging in de omgangsregeling verzocht. De moeder werkt sinds augustus 2021 op de [land] ambassade in [plaats] . Zij is toen met [de minderjarige] vanuit [land] naar Nederland verhuisd. [de minderjarige] gaat in [plaats] naar de Europese school.
De moeder heeft nu contractverlenging tot augustus 2026 gekregen en wil daarna ook in [plaats] blijven wonen en werken. [de minderjarige] is gediagnosticeerd met Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Volgens de moeder ervaart [de minderjarige] de weekenden met vader als zeer stressvol en geeft hij zelf ook aan een andere omgangsregeling en belregeling met de vader te willen. De vader woont in [land] en wenst eveneens een wijziging van de omgangsregeling. Hij maakt daarbij onderscheid voor de situatie dat [de minderjarige] nog in Nederland woont en de situatie dat [de minderjarige] terugverhuist naar [land] . De vader vindt het niet in het belang van [de minderjarige] dat hij voor langere tijd in Nederland blijft wonen.
Zoals de rechtbank al met de ouders op de zitting heeft besproken, vindt de rechtbank het noodzakelijk om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen om de strijd tussen de ouders en hoe dit zijn weerslag heeft op [de minderjarige] . De rechtbank geeft de vader in dat verband mee om de WhatsApp- en belmomenten met [de minderjarige] niet te veel te laten zijn, omdat uit de stukken blijkt dat het voor [de minderjarige] nu te veel en te overweldigend is.
Er zijn al veel instanties die betrokken zijn of zijn geweest bij [de minderjarige] , zoals Veilig Thuis, Kracht voor Jeugd & Gezin en Impegno. Uit de stukken van deze hulpinstanties blijkt dat [de minderjarige] last heeft van de strijd tussen zijn ouders. Veilig Thuis spreekt ook van fysieke en emotionele kindermishandeling vanuit de vader.
De moeder geeft aan dat de vader niet kan aansluiten bij [de minderjarige] en dat dat de reden is dat [de minderjarige] de vader minder wil zien. De vader stelt zich echter op standpunt dat de moeder en ook de grootmoeder (moederszijde) van [de minderjarige] , [de minderjarige] tegen hem opzetten en dat ouderverstoting ten grondslag ligt aan het feit dat [de minderjarige] minder contact met hem wil hebben.
De rechtbank vindt het van belang dat ten behoeve van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken kan worden met al de hulpverleningsinstanties en ook met de school van [de minderjarige] . De rechtbank spreekt de hoop uit dat dan kan blijken welke omgangsregeling nu het meest in belang van [de minderjarige] is en welke hulpverlening [de minderjarige] dan wel zijn ouders mogelijk nog nodig hebben.
De rechtbank zal de Raad daarom vragen om onderzoek te doen en aan haar te adviseren, waarbij in ieder geval de volgende vragen dienen te worden beantwoord:
De beslissing over de omgangsregeling zal worden aangehouden tot 1 februari 2026 pro forma in afwachting van het rapport en advies van de Raad.
Verzoek vader met betrekking tot de kosten van het reizen naar [de minderjarige] in Nederland
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op dit verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft dit verzoek in het lichaam van zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek op geen enkele wijze benoemd dan wel onderbouwd. Het verzoek komt in het petitum voor de rechtbank uit de lucht vallen. Nu het verzoek bovendien zeer samenhangt met het verzoek om kinderalimentatie dat door de moeder is ingetrokken, wijst de rechtbank dit niet onderbouwde verzoek van de vader af.
Beslissing
De rechtbank:
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/680813 en FA RK 25-1405:
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [land] :
met de bepaling dat partijen ervoor zorgen dat [de minderjarige] op 29 juli 2025 in [land] aan de vader wordt overgedragen;
verklaart deze vakantieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/680809 en FA RK 25-1405:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [land] met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat vader) en [telefoonnummer 2] (advocaat moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot 1 februari 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.