Voorlopige voorzieningen ex 223 Rv (alimentatie)
Beschikking op het op 1 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. van Doorn in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Odink in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Feiten
Verzoek
De man verzoekt om bij wijze van voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de beschikking van deze rechtbank van 27 september 20211 gedurende de bodemzaak te wijzigen, in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] wordt bepaald op nihil, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek van de man in de bodemprocedure. In de bodemprocedure verzoekt de man namelijk onder andere om te bepalen dat de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2025 op nihil wordt gesteld. De man is daarom ontvankelijk in zijn verzoek, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
(spoedeisend) belang
Vooropgesteld wordt dat voor vaststelling of nihilstelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de duur van de bodemprocedure in het kader van artikel 223 Rv alleen plaats is, als naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de man niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
De man stelt dat hij een (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ter onderbouwing hiervan voert de man aan dat [minderjarige] sinds 1 mei 2025 volledig bij hem verblijft, waardoor hij alle verblijfskosten voor [minderjarige] betaalt. De man geeft aan niet de financiële middelen te hebben om daarnaast de kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen. Daarnaast is de man per 1 augustus 2025 gestopt met het betalen van de kinderalimentatie, waardoor het risico bestaat dat de vrouw executiemaatregelen tegen hem neemt.
De rechtbank is van oordeel dat de man in zijn verzoek ex artikel 223 Rv onvoldoende zijn belang heeft onderbouwd. De enkele stelling dat hij niet de financiële middelen heeft om naast de verblijfskosten voor [minderjarige] de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen is hiertoe onvoldoende en deze stelling is ook niet onderbouwd. Ook het risico dat de vrouw executiemaatregelen tegen hem zal nemen is niet onderbouwd. Gelet op de aanhangige bodemprocedure acht de rechtbank dit risico zeer klein. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een situatie dat van de man niet gevergd kan worden dat hij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht. De rechtbank zal het verzoek van de man om voorlopige voorzieningen te treffen dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.