uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1963, eiser,
[eiseres 1] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1970, eiseres
en
[eiseres 2] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2000, eiseres
allen van Afghaanse nationaliteit,
hierna tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing
van de aanvraag voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]
’ (hierna: referente).
Met het besluit van 17 oktober 2022 heeft de minister deze aanvraag afgewezen.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eisers hebben de minister vervolgens op
20 juni 2023 in gebreke gesteld, omdat de minister niet (tijdig) een beslissing heeft genomen
op het bezwaar. Op 20 augustus 2023 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet-tijdig
beslissen op het bezwaar.
Met het besluit van 5 december 2023 heeft de minister alsnog op het
bezwaar van eisers beslist en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van
artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het door eisers ingestelde beroep mede betrekking
op dit besluit.
Op 29 april 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de minister
opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen.
Met het besluit van 25 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het
bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit
beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben meegedaan: referente, D. Hosseini als tolk in de taal Dari, de gemachtigde van eisers
en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het griffierecht
2. Eisers hebben verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen
van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het
beroep overgelegde eigen verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen en inkomen vast
dat zij aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te
betalen.
Het beroep tegen het bestreden besluit
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van
de beroepsgronden van eisers tegen het bestreden besluit.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De minister heeft
onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen
dan de belangen van eisers en referente. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel
komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
5. Referente is geboren op [geboortedatum 4] 1997 en heeft de Afghaanse nationaliteit. In
augustus 2021 is zij na de machtsovername door de Taliban uit Afghanistan geëvacueerd en
is zij Nederland ingereisd, waar zij asiel heeft aangevraagd. Referente is met ingang van
18 september 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Op 14 januari 2022 heeft zij ten behoeve van haar vader [eiser] , haar moeder
[eiseres 1] (hierna ook: ouders), haar twee zussen en haar twee tweelingbroers een mvv-aanvraag gedaan met als doel gezinshereniging in Nederland. Op 10 september 2024 heeft
de minister aan eisers een brief gestuurd met de vraag of zich recentelijk nog gewijzigde
omstandigheden hebben voorgedaan die van belang kunnen zijn voor de besluitvorming.
Hierop heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat de tweelingbroers, [broer 1] en
[broer 2] , in de Verenigde Staten zijn en dat de oudste zus, [zus] , bestendig verblijf in
Duitsland heeft. Daarom is het bezwaarschrift ten aanzien van hen ingetrokken. Het beroep
tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag voor de andere drie gezinsleden, te weten de
ouders en haar jongste zus, [eiseres 2] (hierna: zus), blijft gehandhaafd. Zij verblijven op dit
moment in Afghanistan.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van verschillende
familiebanden tussen referente en haar ouders en tussen referente en haar zus. Daarom geldt
tussen referente en haar zus het toetsingskader voor ‘meer dan gebruikelijke
afhankelijkheidsrelatie’ en tussen referente en haar ouders het jongvolwassenenbeleid.
Volgens de minister is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid
die maken dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen
referente en haar zus. Dat er sprake is geweest van samenwoning en eventuele aangetoonde
financiële afhankelijkheid is niet voldoende. Verder is niet gebleken van praktische
afhankelijkheid en de emotionele afhankelijkheid strekt niet zo ver dat er sprake is van een
bijkomend element van afhankelijkheid. Hierbij is ook van belang dat de zus bij de ouders
verblijft. Tot slot is er geen binding met Nederland. De banden met Afghanistan zijn sterker
dan met Nederland. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van familie- en gezinsleven
in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar zus.
De minister merkt referente aan als jongvolwassene waardoor er wel familie- en
gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar ouders wordt
aangenomen. De belangenafweging tussen het belang van eisers en het belang van de
Nederlandse staat valt echter in het nadeel van eisers uit. Het restrictief toelatingsbeleid, de
intensiteit van het gezinsleven en aspecten van het economisch belang zijn hierbij
doorslaggevend geweest.
Is gebruik gemaakt van het juiste toetsingskader in de relatie tussen referente en haar zus?
7. Eisers betogen dat de minister ten onrechte het criterium van de ‘meer dan
gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ heeft toegepast op de relatie tussen referente en haar
zus. Er is geen sprake van verschillende familiebanden waarvoor een ander toetsingskader
geldt. Wat de minister in het bestreden besluit heeft gesteld over de band tussen referente en
haar zus doet geen recht aan het bijzondere geheel van feiten en omstandigheden. De zus
moet betrokken worden in de belangenafweging ten aanzien van het hele gezin – vader,
moeder en zus zelf – die samen met referente één gezin hebben gevormd in Afghanistan.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers aangevuld dat ten aanzien van referente en haar
ouders terecht het jongvolwassenenbeleid is toegepast. Echter had de belangenafweging ten
aanzien van de ouders in het voordeel van de ouders moeten uitvallen. Indien dat was gebeurd, had dit tot gevolg gehad dat de zus van referente ook naar Nederland zou mogen
overkomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister neemt familie- of gezinsleven in de zin
van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige familieleden aan als sprake is van een
meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Als het meerderjarig kind aan het
jongvolwassenenbeleid voldoet, dan neemt de minister familie- of gezinsleven in de zin van
artikel 8 van het EVRM aan tussen de ouders en dat meerderjarige kind, zonder dat
bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist zijn. Dit is ook in overeenstemming met
de jurisprudentie van het EHRM op dit punt.
Omdat het jongvolwassenenbeleid niet ziet op de relatie tussen referente en haar
zus, heeft de minister voor de beoordeling of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin
van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar zus terecht getoetst of sprake is van een
‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’. De rechtbank begrijpt dat de gemachtigde
van eisers stelt dat als de belangenafweging ten aanzien van de ouders in voordeel van de
ouders zou uitvallen dat ook gevolgen heeft voor de zus. Ter zitting heeft de gemachtigde
van de minister dit ook niet ontkend. Dat wil echter niet zeggen dat de minister voorafgaand
aan de belangenafweging een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd.
De belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM
8. Eisers hebben verder betoogd dat de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM
ten onrechte in hun nadeel is uitgevallen. De minister is onvoldoende ingegaan op de zeer
bijzondere omstandigheden. Het gaat hier om één gezin die door de machtsovername door
de Taliban gevaar loopt vanwege het werk van de vader. Zij zouden worden geëvacueerd
naar de Verenigde Staten, maar door een vreselijk misverstand zijn alleen referente en een
zus bij toeval naar Nederland gebracht. Verder is sprake van een objectieve belemmering
om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Hierdoor heeft de minister een minder
vergaande beoordelingsruimte. Deze ruimte heeft de minister bij de belangenafweging niet
goed gebruikt. Daarnaast heeft de minister de mate van zelfstandigheid van referente bij de
belangenafweging niet goed gewogen. De mate van zelfstandigheid van referente was voor
de minister in de eerdere beslissing op bezwaar ten onrechte aanleiding om het
jongvolwassenenbeleid niet van toepassing te verklaren. Het is onjuist om nu de mate van
zelfstandigheid in de belangenafweging zwaarwegend tegen te werpen. Ook heeft de
minister in strijd met rechtspraak van het EHRM terzake van jongvolwassenen en hun
familieleden beslist.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tussen de ouders en referente op
grond van het jongvolwassenenbeleid sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent echter niet dat de minister aan de ouders een mvv
moet verlenen. De minister moet namelijk een belangenafweging maken waarbij zij het
belang van de Nederlandse Staat afweegt tegen het belang van de betrokkenen om zo te
beoordelen of het vastgestelde gezinsleven ook met zich brengt dat het verblijf in Nederland
moet worden toegestaan.
De rechtbank toetst vol of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in
zijn belangenafweging heeft betrokken. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn
meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging
getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eisers en referent bij de
uitoefening van het gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de
Nederlandse staat. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend.
In het bestreden besluit heeft de minister in het voordeel van de ouders van referente
meegewogen dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen de ouders en referente; dat
niet is gebleken dat de ouders van referente strafbare feiten hebben gepleegd; en dat sprake
is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. In het
nadeel heeft de minister gewogen dat referente in Afghanistan stappen naar zelfstandigheid
heeft gezet en in Nederland zelfstandig functioneert; de ouders van referente geen banden
met Nederland hebben en ten aanzien van hen sprake is van een eerste toelating in
Nederland. Licht in het nadeel heeft de minister meegewogen dat de ouders van referente
sterkere banden met Afghanistan hebben dan met Nederland. Er zijn namelijk objectieve
belemmeringen om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Zwaar in het nadeel wordt
meegewogen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid kent. Ten aanzien van de
economische belangen van de staat heeft de minsister minder zwaar in het nadeel gewogen
dat niet vaststaat dat referente iedere maand een duurzaam en toereikend inkomen heeft om
volledig in de kosten te kunnen voorzien van haar gezinsleden. Referente zet zich namelijk
voldoende in op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het ligt verder in de lijn der verwachtingen
dat de ouders van referente aanspraak zullen maken op Nederlandse voorzieningen zoals
gezondheidszorg, huisvesting en een uitkering. Dit heeft de minister in het nadeel
meegewogen. De minister komt tot de conclusie dat de persoonlijke belangen van de ouders
van referente minder zwaar wegen dan de belangen van de Nederlandse Staat. Het restrictief
toelatingsbeleid, de intensiteit van het gezinsleven en aspecten van economisch belang zijn
daarbij doorslaggevend geweest.
Stappen naar zelfstandigheid
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister ten onrechte de stappen naar
zelfstandigheid die referente zou hebben gezet in Afghanistan heeft betrokken bij de
belangenafweging, omdat dit element onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De minister
gaat er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte van uit dat die stappen wel zijn gezet.
In een eerdere procedure is namelijk reeds een inhoudelijk oordeel gegeven over de mate
van zelfstandigheid van referente. Dat de rechtbank dat heeft gedaan in het kader van de
vraag of het jongvolwassenenbeleid al dan niet van toepassing is, doet daar niet aan af. De
rechtbank heeft overwogen dat hoewel referente gedurende een jaar haar eigen inkomen heeft verdiend, dit niet zonder meer wijst op serieuze stappen naar zelfstandigheid.
Referente gaf haar gehele inkomen aan haar vader om te voorzien in het levensonderhoud
van het gehele gezin. Referente kon niet zelfstandig over het inkomen beschikken.
Daarnaast werd referente ten onrechte als kostwinnaar gezien door de minister, omdat zij
niet zelfstandig kon voorzien in het gezinsinkomen. Haar vader voorzag voor het grootste
gedeelte in het levensonderhoud. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat referente met
haar inkomen niet zelfstandig een woning zou kunnen huren en in Afghanistan zou kunnen
leven, nog daargelaten dat het binnen de Afghaanse cultuur (bijna) onmogelijk is om als
alleenstaande vrouw zelfstandig te wonen. Over de verloving van referente heeft de
rechtbank overwogen dat de verloving nog pril was en niet van een dusdanig serieuze relatie
kon worden gesproken dat moet worden aangenomen dat referente reeds een zelfstandig
gezin heeft gevormd. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van
dusdanige serieuze stappen naar zelfstandigheid.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister wel de stappen naar
zelfstandigheid in Nederland heeft kunnen betrekken bij de belangenafweging, maar merkt
daarover op dat hieraan in de belangenafweging in beginsel slechts zeer beperkt gewicht
toekomt in het nadeel van betrokkenen. Het is immers onvermijdelijk dat een
jongvolwassen referent na het indienen van een gezinsherenigingsaanvraag ouder en
zelfstandiger wordt. Enigszins terughoudend toetsend is de rechtbank dan ook van oordeel
dat de minister hieraan ten onrechte een te zwaar gewicht heeft toegekend.
Objectieve belemmering
De rechtbank overweegt verder dat de minister in het bestreden besluit terecht heeft
vastgesteld dat sprake is van een objectieve belemmering voor referent om het gezinsleven
met haar ouders in Afghanistan uit te oefenen. Uit het arrest van het EHRM van 9 juli 2021
in de zaak MA tegen Denemarken volgt dat dit gegeven van invloed kan zijn op de
beslisruimte van de minister. Punt 145 van dit arrest luidt als volgt:
“The situation of general violence in a country may be so intense as to conclude that any
returnee would be at real risk of Article 3 ill-treatment solely on account of his or her
presence there. The absolute nature of the right under Article 3 does not allow for any
exceptions or justifying factors or balancing of interests. Accordingly, an increased influx of
migrants cannot absolve a State of its obligation under that provision (see, for example,
Khlaifia and Others v. Italy, cited above, § 114). In principle, this factor may also reduce
the latitude enjoyed by States in striking a fair balance between the competing interests of
family reunification and immigration control under Article 8.”
De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister
voldoende rekening heeft gehouden met het bestaan van een objectieve belemmering en de
invloed daarvan op de beslisruimte van de minister in het individuele geval van eisers en
referente, bij wie beschermenswaardig gezinsleven aanwezig is geacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hieraan geen
zwaarder gewicht is toegekend.
Eerste toelating in Nederland
De rechtbank stelt voorts vast dat de minister in het nadeel heeft gewogen dat ten
aanzien van de ouders van referente sprake is van een eerste toelating in Nederland. Het is
de rechtbank echter onduidelijk waarom het feit dat het om een eerste toelating gaat een
belang is waar gewicht aan moet toekomen. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de
uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van
9 januari 2025.
Het restrictieve toelatingsbeleid
De rechtbank overweegt tot slot dat het restrictief toelatingsbeleid van Nederland
geen op zichzelf staand belang is waarmee bij de belangenafweging rekening moet worden
gehouden. De minister heeft dit in ieder geval onvoldoende onderbouwd. Het restrictief
toelatingsbeleid vloeit, zo begrijpt de rechtbank, voort uit de wens om de Nederlandse
economie te beschermen tegen teveel en/of bepaalde vormen van immigratie. De rechtbank
verwijst in dit kader naar jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat restrictief
immigratiebeleid, als legitiem doel in het kader van artikel 8 EVRM, dient om de belangen
van het economisch welzijn in een land behartigen. Het is aan de minister om aannemelijk
te maken dat aan dit beleid een ander belang ten grondslag ligt waarmee bij de
belangenafweging rekening moet worden gehouden.
Conclusie over de belangenafweging.
De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging die de minister heeft gemaakt
niet deugdelijk is en niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en acht de gegeven motivering
ontoereikend om de conclusie van de minister dat de belangenafweging in het nadeel van de
ouders uitvalt te kunnen dragen. De minister moet de belangenafweging opnieuw motiveren.
Omdat de belangenafweging in de huidige vorm geen stand kan houden moet ook de
beslissing ten aanzien van de zus worden vernietigd, de minister heeft ter zitting namelijk
erkend dat indien de belangenafweging in het voordeel van de ouders uitvalt, dat ook
invloed heeft op de beslissing van de zus.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat de minister ten aanzien van de ouders van referent niet
deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat prevaleren
boven hun belangen. Het bestreden besluit zal dan ook in zoverre worden vernietigd. De
rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een
beslissing over de aanvraag te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van
deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de
gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft
deelgenomen. Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet de minister de
proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de gemaakte belangenafweging tussen de belangen van de Nederlandse Staat en de belangen van de ouders van referent;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; en
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.