ECLI:NL:RBDHA:2025:19852

ECLI:NL:RBDHA:2025:19852, Rechtbank Den Haag, 07-07-2025, NL 24.38647

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-07-2025
Datum publicatie 03-11-2025
Zaaknummer NL 24.38647
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Omdat het jongvolwassenenbeleid niet ziet op de relatie tussen referente en haar zus, heeft de minister voor de beoordeling of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar zus terecht getoetst of sprake is van een ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tussen de ouders en referente op grond van het jongvolwassenenbeleid sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging die de minister heeft gemaakt niet deugdelijk is en niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister ten onrechte de stappen naar zelfstandigheid die referente zou hebben gezet in Afghanistan heeft betrokken bij de belangenafweging, omdat dit element onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister wel de stappen naar zelfstandigheid in Nederland heeft kunnen betrekken bij de belangenafweging, maar merkt daarover op dat hieraan in de belangenafweging in beginsel slechts zeer beperkt gewicht toekomt in het nadeel van betrokkenen. Enigszins terughoudend toetsend is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister hieraan ten onrechte een te zwaar gewicht heeft toegekend. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het bestaan van een objectieve belemmering en de invloed daarvan op de beslisruimte van de minister in het individuele geval van eisers en referente, bij wie beschermenswaardig gezinsleven aanwezig is geacht. De rechtbank stelt voorts vast dat de minister in het nadeel heeft gewogen dat ten aanzien van de ouders van referente sprake is van een eerste toelating in Nederland. Het is de rechtbank echter onduidelijk waarom het feit dat het om een eerste toelating gaat een belang is waar gewicht aan moet toekomen. De rechtbank overweegt tot slot dat het restrictief toelatingsbeleid van Nederland geen op zichzelf staand belang is waarmee bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden Omdat de belangenafweging in de huidige vorm geen stand kan houden moet ook de beslissing ten aanzien van de zus worden vernietigd, de minister heeft ter zitting namelijk erkend dat indien de belangenafweging in het voordeel van de ouders uitvalt, dat ook invloed heeft op de beslissing van de zus.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1963, eiser,

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum 2] 1970, eiseres

en

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedatum 3] 2000, eiseres

allen van Afghaanse nationaliteit,

hierna tezamen eisers,

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing

van de aanvraag voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]

’ (hierna: referente).

Met het besluit van 17 oktober 2022 heeft de minister deze aanvraag afgewezen.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eisers hebben de minister vervolgens op

20 juni 2023 in gebreke gesteld, omdat de minister niet (tijdig) een beslissing heeft genomen

op het bezwaar. Op 20 augustus 2023 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet-tijdig

beslissen op het bezwaar.

Met het besluit van 5 december 2023 heeft de minister alsnog op het

bezwaar van eisers beslist en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van

artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het door eisers ingestelde beroep mede betrekking

op dit besluit.

Op 29 april 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de minister

opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen.

Met het besluit van 25 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het

bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit

beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan

hebben meegedaan: referente, D. Hosseini als tolk in de taal Dari, de gemachtigde van eisers

en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het griffierecht

2. Eisers hebben verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen

van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het

beroep overgelegde eigen verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen en inkomen vast

dat zij aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te

betalen.

Het beroep tegen het bestreden besluit

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van

de beroepsgronden van eisers tegen het bestreden besluit.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De minister heeft

onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen

dan de belangen van eisers en referente. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel

komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

5. Referente is geboren op [geboortedatum 4] 1997 en heeft de Afghaanse nationaliteit. In

augustus 2021 is zij na de machtsovername door de Taliban uit Afghanistan geëvacueerd en

is zij Nederland ingereisd, waar zij asiel heeft aangevraagd. Referente is met ingang van

18 september 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 14 januari 2022 heeft zij ten behoeve van haar vader [eiser] , haar moeder

[eiseres 1] (hierna ook: ouders), haar twee zussen en haar twee tweelingbroers een mvv-aanvraag gedaan met als doel gezinshereniging in Nederland. Op 10 september 2024 heeft

de minister aan eisers een brief gestuurd met de vraag of zich recentelijk nog gewijzigde

omstandigheden hebben voorgedaan die van belang kunnen zijn voor de besluitvorming.

Hierop heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat de tweelingbroers, [broer 1] en

[broer 2] , in de Verenigde Staten zijn en dat de oudste zus, [zus] , bestendig verblijf in

Duitsland heeft. Daarom is het bezwaarschrift ten aanzien van hen ingetrokken. Het beroep

tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag voor de andere drie gezinsleden, te weten de

ouders en haar jongste zus, [eiseres 2] (hierna: zus), blijft gehandhaafd. Zij verblijven op dit

moment in Afghanistan.

Het bestreden besluit

6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van verschillende

familiebanden tussen referente en haar ouders en tussen referente en haar zus. Daarom geldt

tussen referente en haar zus het toetsingskader voor ‘meer dan gebruikelijke

afhankelijkheidsrelatie’ en tussen referente en haar ouders het jongvolwassenenbeleid.

Volgens de minister is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid

die maken dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen

referente en haar zus. Dat er sprake is geweest van samenwoning en eventuele aangetoonde

financiële afhankelijkheid is niet voldoende. Verder is niet gebleken van praktische

afhankelijkheid en de emotionele afhankelijkheid strekt niet zo ver dat er sprake is van een

bijkomend element van afhankelijkheid. Hierbij is ook van belang dat de zus bij de ouders

verblijft. Tot slot is er geen binding met Nederland. De banden met Afghanistan zijn sterker

dan met Nederland. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van familie- en gezinsleven

in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar zus.

De minister merkt referente aan als jongvolwassene waardoor er wel familie- en

gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar ouders wordt

aangenomen. De belangenafweging tussen het belang van eisers en het belang van de

Nederlandse staat valt echter in het nadeel van eisers uit. Het restrictief toelatingsbeleid, de

intensiteit van het gezinsleven en aspecten van het economisch belang zijn hierbij

doorslaggevend geweest.

Is gebruik gemaakt van het juiste toetsingskader in de relatie tussen referente en haar zus?

7. Eisers betogen dat de minister ten onrechte het criterium van de ‘meer dan

gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ heeft toegepast op de relatie tussen referente en haar

zus. Er is geen sprake van verschillende familiebanden waarvoor een ander toetsingskader

geldt. Wat de minister in het bestreden besluit heeft gesteld over de band tussen referente en

haar zus doet geen recht aan het bijzondere geheel van feiten en omstandigheden. De zus

moet betrokken worden in de belangenafweging ten aanzien van het hele gezin – vader,

moeder en zus zelf – die samen met referente één gezin hebben gevormd in Afghanistan.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers aangevuld dat ten aanzien van referente en haar

ouders terecht het jongvolwassenenbeleid is toegepast. Echter had de belangenafweging ten

aanzien van de ouders in het voordeel van de ouders moeten uitvallen. Indien dat was gebeurd, had dit tot gevolg gehad dat de zus van referente ook naar Nederland zou mogen

overkomen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister neemt familie- of gezinsleven in de zin

van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige familieleden aan als sprake is van een

meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Als het meerderjarig kind aan het

jongvolwassenenbeleid voldoet, dan neemt de minister familie- of gezinsleven in de zin van

artikel 8 van het EVRM aan tussen de ouders en dat meerderjarige kind, zonder dat

bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist zijn. Dit is ook in overeenstemming met

de jurisprudentie van het EHRM op dit punt.

Omdat het jongvolwassenenbeleid niet ziet op de relatie tussen referente en haar

zus, heeft de minister voor de beoordeling of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin

van artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar zus terecht getoetst of sprake is van een

‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’. De rechtbank begrijpt dat de gemachtigde

van eisers stelt dat als de belangenafweging ten aanzien van de ouders in voordeel van de

ouders zou uitvallen dat ook gevolgen heeft voor de zus. Ter zitting heeft de gemachtigde

van de minister dit ook niet ontkend. Dat wil echter niet zeggen dat de minister voorafgaand

aan de belangenafweging een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd.

De belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM

8. Eisers hebben verder betoogd dat de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM

ten onrechte in hun nadeel is uitgevallen. De minister is onvoldoende ingegaan op de zeer

bijzondere omstandigheden. Het gaat hier om één gezin die door de machtsovername door

de Taliban gevaar loopt vanwege het werk van de vader. Zij zouden worden geëvacueerd

naar de Verenigde Staten, maar door een vreselijk misverstand zijn alleen referente en een

zus bij toeval naar Nederland gebracht. Verder is sprake van een objectieve belemmering

om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Hierdoor heeft de minister een minder

vergaande beoordelingsruimte. Deze ruimte heeft de minister bij de belangenafweging niet

goed gebruikt. Daarnaast heeft de minister de mate van zelfstandigheid van referente bij de

belangenafweging niet goed gewogen. De mate van zelfstandigheid van referente was voor

de minister in de eerdere beslissing op bezwaar ten onrechte aanleiding om het

jongvolwassenenbeleid niet van toepassing te verklaren. Het is onjuist om nu de mate van

zelfstandigheid in de belangenafweging zwaarwegend tegen te werpen. Ook heeft de

minister in strijd met rechtspraak van het EHRM terzake van jongvolwassenen en hun

familieleden beslist.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tussen de ouders en referente op

grond van het jongvolwassenenbeleid sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent echter niet dat de minister aan de ouders een mvv

moet verlenen. De minister moet namelijk een belangenafweging maken waarbij zij het

belang van de Nederlandse Staat afweegt tegen het belang van de betrokkenen om zo te

beoordelen of het vastgestelde gezinsleven ook met zich brengt dat het verblijf in Nederland

moet worden toegestaan.

De rechtbank toetst vol of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in

zijn belangenafweging heeft betrokken. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn

meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging

getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eisers en referent bij de

uitoefening van het gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de

Nederlandse staat. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend.

In het bestreden besluit heeft de minister in het voordeel van de ouders van referente

meegewogen dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen de ouders en referente; dat

niet is gebleken dat de ouders van referente strafbare feiten hebben gepleegd; en dat sprake

is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. In het

nadeel heeft de minister gewogen dat referente in Afghanistan stappen naar zelfstandigheid

heeft gezet en in Nederland zelfstandig functioneert; de ouders van referente geen banden

met Nederland hebben en ten aanzien van hen sprake is van een eerste toelating in

Nederland. Licht in het nadeel heeft de minister meegewogen dat de ouders van referente

sterkere banden met Afghanistan hebben dan met Nederland. Er zijn namelijk objectieve

belemmeringen om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Zwaar in het nadeel wordt

meegewogen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid kent. Ten aanzien van de

economische belangen van de staat heeft de minsister minder zwaar in het nadeel gewogen

dat niet vaststaat dat referente iedere maand een duurzaam en toereikend inkomen heeft om

volledig in de kosten te kunnen voorzien van haar gezinsleden. Referente zet zich namelijk

voldoende in op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het ligt verder in de lijn der verwachtingen

dat de ouders van referente aanspraak zullen maken op Nederlandse voorzieningen zoals

gezondheidszorg, huisvesting en een uitkering. Dit heeft de minister in het nadeel

meegewogen. De minister komt tot de conclusie dat de persoonlijke belangen van de ouders

van referente minder zwaar wegen dan de belangen van de Nederlandse Staat. Het restrictief

toelatingsbeleid, de intensiteit van het gezinsleven en aspecten van economisch belang zijn

daarbij doorslaggevend geweest.

Stappen naar zelfstandigheid

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister ten onrechte de stappen naar

zelfstandigheid die referente zou hebben gezet in Afghanistan heeft betrokken bij de

belangenafweging, omdat dit element onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De minister

gaat er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte van uit dat die stappen wel zijn gezet.

In een eerdere procedure is namelijk reeds een inhoudelijk oordeel gegeven over de mate

van zelfstandigheid van referente. Dat de rechtbank dat heeft gedaan in het kader van de

vraag of het jongvolwassenenbeleid al dan niet van toepassing is, doet daar niet aan af. De

rechtbank heeft overwogen dat hoewel referente gedurende een jaar haar eigen inkomen heeft verdiend, dit niet zonder meer wijst op serieuze stappen naar zelfstandigheid.

Referente gaf haar gehele inkomen aan haar vader om te voorzien in het levensonderhoud

van het gehele gezin. Referente kon niet zelfstandig over het inkomen beschikken.

Daarnaast werd referente ten onrechte als kostwinnaar gezien door de minister, omdat zij

niet zelfstandig kon voorzien in het gezinsinkomen. Haar vader voorzag voor het grootste

gedeelte in het levensonderhoud. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat referente met

haar inkomen niet zelfstandig een woning zou kunnen huren en in Afghanistan zou kunnen

leven, nog daargelaten dat het binnen de Afghaanse cultuur (bijna) onmogelijk is om als

alleenstaande vrouw zelfstandig te wonen. Over de verloving van referente heeft de

rechtbank overwogen dat de verloving nog pril was en niet van een dusdanig serieuze relatie

kon worden gesproken dat moet worden aangenomen dat referente reeds een zelfstandig

gezin heeft gevormd. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van

dusdanige serieuze stappen naar zelfstandigheid.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister wel de stappen naar

zelfstandigheid in Nederland heeft kunnen betrekken bij de belangenafweging, maar merkt

daarover op dat hieraan in de belangenafweging in beginsel slechts zeer beperkt gewicht

toekomt in het nadeel van betrokkenen. Het is immers onvermijdelijk dat een

jongvolwassen referent na het indienen van een gezinsherenigingsaanvraag ouder en

zelfstandiger wordt. Enigszins terughoudend toetsend is de rechtbank dan ook van oordeel

dat de minister hieraan ten onrechte een te zwaar gewicht heeft toegekend.

Objectieve belemmering

De rechtbank overweegt verder dat de minister in het bestreden besluit terecht heeft

vastgesteld dat sprake is van een objectieve belemmering voor referent om het gezinsleven

met haar ouders in Afghanistan uit te oefenen. Uit het arrest van het EHRM van 9 juli 2021

in de zaak MA tegen Denemarken volgt dat dit gegeven van invloed kan zijn op de

beslisruimte van de minister. Punt 145 van dit arrest luidt als volgt:

“The situation of general violence in a country may be so intense as to conclude that any

returnee would be at real risk of Article 3 ill-treatment solely on account of his or her

presence there. The absolute nature of the right under Article 3 does not allow for any

exceptions or justifying factors or balancing of interests. Accordingly, an increased influx of

migrants cannot absolve a State of its obligation under that provision (see, for example,

Khlaifia and Others v. Italy, cited above, § 114). In principle, this factor may also reduce

the latitude enjoyed by States in striking a fair balance between the competing interests of

family reunification and immigration control under Article 8.”

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister

voldoende rekening heeft gehouden met het bestaan van een objectieve belemmering en de

invloed daarvan op de beslisruimte van de minister in het individuele geval van eisers en

referente, bij wie beschermenswaardig gezinsleven aanwezig is geacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hieraan geen

zwaarder gewicht is toegekend.

Eerste toelating in Nederland

De rechtbank stelt voorts vast dat de minister in het nadeel heeft gewogen dat ten

aanzien van de ouders van referente sprake is van een eerste toelating in Nederland. Het is

de rechtbank echter onduidelijk waarom het feit dat het om een eerste toelating gaat een

belang is waar gewicht aan moet toekomen. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de

uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van

9 januari 2025.

Het restrictieve toelatingsbeleid

De rechtbank overweegt tot slot dat het restrictief toelatingsbeleid van Nederland

geen op zichzelf staand belang is waarmee bij de belangenafweging rekening moet worden

gehouden. De minister heeft dit in ieder geval onvoldoende onderbouwd. Het restrictief

toelatingsbeleid vloeit, zo begrijpt de rechtbank, voort uit de wens om de Nederlandse

economie te beschermen tegen teveel en/of bepaalde vormen van immigratie. De rechtbank

verwijst in dit kader naar jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat restrictief

immigratiebeleid, als legitiem doel in het kader van artikel 8 EVRM, dient om de belangen

van het economisch welzijn in een land behartigen. Het is aan de minister om aannemelijk

te maken dat aan dit beleid een ander belang ten grondslag ligt waarmee bij de

belangenafweging rekening moet worden gehouden.

Conclusie over de belangenafweging.

De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging die de minister heeft gemaakt

niet deugdelijk is en niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en acht de gegeven motivering

ontoereikend om de conclusie van de minister dat de belangenafweging in het nadeel van de

ouders uitvalt te kunnen dragen. De minister moet de belangenafweging opnieuw motiveren.

Omdat de belangenafweging in de huidige vorm geen stand kan houden moet ook de

beslissing ten aanzien van de zus worden vernietigd, de minister heeft ter zitting namelijk

erkend dat indien de belangenafweging in het voordeel van de ouders uitvalt, dat ook

invloed heeft op de beslissing van de zus.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat de minister ten aanzien van de ouders van referent niet

deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat prevaleren

boven hun belangen. Het bestreden besluit zal dan ook in zoverre worden vernietigd. De

rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een

beslissing over de aanvraag te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van

deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

10. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de

gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft

deelgenomen. Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet de minister de

proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de gemaakte belangenafweging tussen de belangen van de Nederlandse Staat en de belangen van de ouders van referent;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; en

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand