ECLI:NL:RBDHA:2025:19996

ECLI:NL:RBDHA:2025:19996, Rechtbank Den Haag, 30-10-2025, NL25.51085

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-10-2025
Datum publicatie 30-10-2025
Zaaknummer NL25.51085
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – voorgaande maatregel te laat omgezet – huidige maatregel niet onrechtmatig – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.51085

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 22 oktober 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 oktober 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.

2. Eiser stelt dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was. Hij wijst erop dat deze is omgezet naar de huidige maatregel, wat maakt dat deze ook onrechtmatig geacht dient te worden. Hij beroept zich op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2024 waarbij is geoordeeld dat niet hoeft vast te staan dat bij de oplegging zeer grote fouten zijn gemaakt om te kunnen concluderen dat sprake is van onrechtmatigheid.

3. De rechtbank stelt vast dat aan eiser een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is opgelegd op 16 oktober 2025, De rechtbank heeft geoordeeld dat deze maatregel sinds 20 oktober 2025 onrechtmatig is geworden en daarmee één dag onrechtmatig heeft voortgeduurd. Deze maatregel is opgeheven op 20 oktober 2025, waarna aansluitend de onderhavige maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw opgelegd.

4. Uit het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 volgt dat indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan.

5. Verweerder heeft in zijn brief van 23 oktober 2025 erkend dat de voorgaande maatregel te laat is omgezet en verzoekt de rechtbank daarbij om, in het geval dit wordt gezien als een gebrek, rekening te houden met de belangen van verweerder. De belangen van verweerder om eiser in bewaring te houden wegen zwaarder dan het belang van eiser in vrijheid te worden gesteld, gezien het significante onttrekkingsgevaar

6. Voor zover eiser al aanvoert dat er sprake is van kwade trouw, wordt eiser daarin niet gevolgd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het om een relatief korte overschrijding van de termijn gaat en dat uit de toelichting van verweerder is gebleken dat de overschrijding waarschijnlijk veroorzaakt is omdat de asielaanvraag op een vrijdag is gedaan. De maandag daarop is de maatregel direct omgezet.

7. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen daarom van het begin af onrechtmatig maakt. Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Ook kan een opeenstapeling van ernstige gebreken waar zwaar gewicht aan toe moet worden gekend ertoe leiden dat een uitzondering op het uitgangspunt moet worden gemaakt.

8. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024 van oordeel dat het te laat omzetten van de voorgaande maatregel van bewaring in de zaak van eiser geen ernstige schending oplevert van het recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser voor korte duur – een dag – onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Eiser heeft ook niet aangevoerd waarom, anders dan dat eiser enige tijd zonder rechtsgrond in bewaring heeft gezeten, afgeweken zou moeten worden van de schottentheorie of waarom er sprake is van een ernstige schending. Verder is niet gebleken van andere gebreken dan het gebrek dat eiser stelt, zodat van een openstapeling van gebreken evenmin sprake is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onrechtmatige bewaring vanaf 20 oktober 2025 in dit geval niet doorwerkt naar de bewaringsmaatregel van 20 oktober 2025. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.F. Bethlehem

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand