ECLI:NL:RBDHA:2025:20078

ECLI:NL:RBDHA:2025:20078, Rechtbank Den Haag, 30-10-2025, NL25.31924

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-10-2025
Datum publicatie 03-11-2025
Zaaknummer NL25.31924
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

verlenging UOD, onderdeel van gezin, vader MOB, onlosmakelijk verbonden, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.31924

(gemachtigde: mr. B. de Haan),

en

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn voor overdracht aan Zwitserland verlengd tot 18 maanden.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de verlenging van de overdrachtstermijn in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft de minister de overdrachtstermijn van eiser terecht verlengd?

3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de overdrachtstermijn is verlengd. De minister heeft enkel benoemd dat dit is gebaseerd op onderduiken. Hierbij is niet gebleken dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Dit is, gelet op de ernst van de gevolgen van het verlengen van de overdrachtstermijn, onvoldoende. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet vermeld met welke termijn de overdrachtstermijn is verlengd. Uit het bestreden besluit blijkt enkel dat de termijn is verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, maar hieruit volgt geen termijn.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de overdrachtstermijn van eiser terecht heeft verlengd. Ten tijde van het verlengingsbesluit was eiser nog minderjarig. Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening is voor de toepassing van de verordening (en dus ook de verlenging van de overdrachtstermijn) de situatie van de minderjarige die een verzoeker vergezelt en die onder definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid. Hoewel de vader en het broertje van eiser ten tijde van het verlengingsbesluit met onbekende bestemming waren vertrokken, heeft de minister in de brief van 25 juli 2025 aangevoerd dat vader en broer bij familie in Rotterdam hebben verbleven, hetgeen namens eiser niet is weersproken, en is ter zitting duidelijk geworden dat vader en broer zich inmiddels weer hebben gemeld en in Ter Apel verblijven. De rechtbank is van oordeel dat bij die stand van zaken niet kan worden gezegd dat eiser op enig moment door zijn vader zonder begeleiding is achtergelaten, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Dublinverordening of dat eiser niet langer door zijn vader werd vergezeld zoals bedoeld in voornoemd artikel 20, derde lid. De situatie van eiser was dus steeds onlosmakelijk verbonden met die van zijn vader. Tussen partijen is niet in geschil dat de overdrachtstermijn van de vader en het broertje van eiser op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is verlengd. Datzelfde moest dus ook voor eiser gelden. De minister heeft met de verwijzing naar artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en door te vermelden dat de overdrachtstermijn van eiser wordt verlengd vanwege onderduiken voldoende duidelijk gemaakt dat de overdrachtstermijn met 18 maanden is verlengd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Loof

Griffier

  • mr. F.E. Brokke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand