ECLI:NL:RBDHA:2025:20694

ECLI:NL:RBDHA:2025:20694, Rechtbank Den Haag, 20-10-2025, NL25.48236

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-10-2025
Datum publicatie 10-11-2025
Zaaknummer NL25.48236
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Bewaring, lichter middel, onvoldoende onderzoek en onvoldoende motivering verweerder

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] ,

uitspraak

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48236

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[V-Nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 8 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

aanhef en onder f tot en met h en m, van de Vw, wat als voorwaarde geldt voor toepassing van artikel 50a van de Vw.

3. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)

en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

4. De rechtbank constateert dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij vijf à zes maanden geleden naar Nederland is gekomen om zijn zoon, schoondochter en kleinkind te bezoeken, dat hij een vaste verblijfplaats heeft bij zijn broer op het adres [adres] te Amsterdam en dat hij hier als laminaatlegger 300 à 400 euro per dag verdiende totdat hij bij het aanvragen van een BSN-nummer voor identiteitsfraude werd aangehouden en daar vervolgens voor is veroordeeld. Verder heeft eiser tijdens het gehoor bij herhaling te kennen gegeven zijn verwijdering uit Nederland niet tegen te zullen werken.

Het opleggen van een bewaringsmaatregel is een sterk belastend besluit. Het gaat om een inbreuk op een van de fundamentele rechten van de mens, het recht om zich vrij te kunnen bewegen. Detentie is daarom ultimum remedium. Bewaring dient enkel te worden toegepast indien er geen andere alternatieven voorhanden lijken om het met de bewaring gediende doel te bereiken.

De vraag naar een alternatief dient verweerder onbevangen, nieuwsgierig en pro- actief tegemoet te treden. De start van dit onderzoek is veelal het gehoor voorafgaand aan de bewaring. De tijdens dat gehoor vergaarde feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven tot vervolgonderzoek. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met enkel de vragen die hij in het gehoor aan eiser heeft gesteld. Eiser heeft tijdens het gehoor immers met naam en toenaam een vaste woon- en verblijfplaats opgegeven en desgevraagd aangegeven dat hoewel hij niet uit Nederland wil vertrekken, hij wel aan zijn vertrek zal meewerken. Deze combinatie van factoren had bij verweerder aanleiding moeten zijn om nader te onderzoeken – te beginnen met het daarover nader bevragen van eiser – of in de vorm van nadere afspraken met een lichter middel kon worden volstaan. Dit klemt temeer nu eiser niet eerder met de vreemdelingenpolitie in aanraking is geweest en er dus geen track-record is dat met eiser in een situatie als deze geen afspraken gemaakt zouden kunnen worden.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat het toepassen van een lichter middel altijd een vorm van onzekerheid met zich zal dragen. Niemand heeft een glazen bol. Hoe sneller verweerder evenwel het risico van deze onzekerheid in het nadeel van de vreemdeling laat

uitvallen, hoe groter de kans dat de onderzoeksplicht, en in het vervolg daarvan het gebod van detentie als ultimum remedium, is geschonden.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en het besluit daarmee onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid.

Voorts is in het besluit onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Zo is verweerder in het besluit niet kenbaar ingegaan op het feit dat eiser een vaste woon- en verblijfplaats heeft en dat eiser heeft aangegeven mee te zullen werken als dat moet. Dit klemt te meer omdat in het besluit aan eiser ook niet is tegengeworpen dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats.

7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 1 x € 130,-- (verblijf politiecel) en 13 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum)

= € 1.430,--.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

20 oktober 2025

Documentcode: DSR55676383

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.H.G. Odink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand