ECLI:NL:RBDHA:2025:21395

ECLI:NL:RBDHA:2025:21395, Rechtbank Den Haag, 07-05-2025, NL25.15046

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-05-2025
Datum publicatie 13-11-2025
Zaaknummer NL25.15046
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Dublin Kroatië, beroep ongegrond

Uitspraak

2. ECLI:NL:RVS:2023:4348.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

3 ECLI:NL:RBDHA:2023:19122.

4 ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.

5 ECLI:NL:RVS:2025:1642.

10. Verder stelt eiser dat de minister heeft miskend dat uit het AIDA rapport volgt dat dat ngo’s stellen dat zij geen mogelijkheid hebben om specifieke informatie over Dublinoverdrachten te vergaren. Zo mogen ngo’s niet aanwezig zijn op de luchthaven van Zagreb waar overgedragen Dublinclaimanten aankomen en hebben ngo’s geen toegang tot het grensgebied. Volgens eiser gaat de minister nu uit van Kroatische overheidsinformatie, omdat andere organisaties de mogelijkheid wordt ontzegd onderzoek te verrichten, terwijl deze overheid eerder nog als onbetrouwbaar werd bestempeld.

12. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië - voor Dublinclaimanten - van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van zijn asielaanvraag in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).

13. Naar het oordeel van rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat van dergelijke tekortkomingen sprake is.

14. In r.o. 5.3 tot en met 5.6 van deze uitspraak heeft de Afdeling uitdrukkelijk geoordeeld dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks op het grondgebied van Kroatië. Daarvoor bevat de informatie geen aanknopingspunten. Er zijn ook geen gedocumenteerde gevallen bekend van Dublinclaimanten die daadwerkelijk bij pushbacks op Kroatisch grondgebied betrokken zijn geweest. Naar het oordeel van de Afdeling kan de theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback, omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, niet worden gelijkgesteld met de ook uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende eis dat sprake moet zijn van een reëel risico. De door eiser aangehaalde bronnen zijn in de beoordeling van de Afdeling betrokken of dateren van ervoor en geven verder geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Kroatië.

15. Met betrekking tot eisers stelling over ngo’s in Kroatië overweegt de rechtbank als volgt. Uit het AIDA rapport, update 2024, volgt weliswaar dat ngo’s met moeite toegang krijgen tot de grensgebieden, maar niet dat hen de toegang volledig wordt ontzegd. Verder blijkt uit het AIDA rapport dat er geen ngo’s aanwezig zijn op het vliegveld van Zagreb, maar blijkt niet dat dit niet toegestaan is. Uit de door eiser naar voren gebrachte informatie kan de rechtbank dan ook niet opmaken dat het voor ngo’s in het geheel niet mogelijk is om de voor de situatie van Dublin-claimanten relevante informatie te vergaren. Ook blijkt niet uit de informatie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

16. Eiser meent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De minister had moeten motiveren waarom de ervaringen van eiser in Kroatië voor de minister geen aanleiding vormen om toepassing te geven aan de bevoegdheid om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Dat deze omstandigheden geen reden vormen om niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is onvoldoende. Vanwege het imperatieve karakter van artikel 17 kan de minister niet volstaan met verwijzing naar de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als een vreemdeling verzoekt om toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Bij eerdere schendingen van het Unierecht in de verantwoordelijke lidstaat moet verweerder goed motiveren waarom hij de asielaanvraag niet onverplicht aan zich trekt. Er zijn namelijk meerdere gevallen geweest van mensen met een Kroatische asielzoekersdocument die in Bosnië en Herzegovina zijn terechtgekomen na pushbacks. Dus zelfs als de Dublinterugkeerders worden toegelaten tot de asielprocedure garandeert dit geen bescherming tegen pushbacks. Dit risico is nog groter omdat pushbacks in Kroatië niet alleen in het grensgebied plaatsvinden, maar op het hele Kroatische grondgebied. Eiser ziet zich gesteund in dit standpunt door de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam6, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond7.

17. De minister trekt een asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alleen onverplicht aan zich indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt.

18. De rechtbank constateert dat eiser heeft opgemerkt dat hij in Kroatië slecht is behandeld, ze geen Engels met hem wilden spreken en hij een tolk kreeg toegewezen die hij niet verstond. Eiser heeft deze omstandigheden verder niet onderbouwd en evenmin nader uiteengezet waarom deze omstandigheden zodanig zijn dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Bovendien zijn de gestelde algemene omstandigheden met betrekking tot het risico op pushbacks in Kroatië al voldoende door de minister betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister hoeft dezelfde algemene omstandigheden, in dat geval, niet nogmaals te toetsen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening.8

6. ECLI:NL:RBDHA:2025:76.

7 ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt.

8. ECLI:NL:RVS:2024:1778.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 mei 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.J. Blok

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand