ECLI:NL:RBDHA:2025:21471

ECLI:NL:RBDHA:2025:21471, Rechtbank Den Haag, 24-10-2025, NL23.30039

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-10-2025
Datum publicatie 18-11-2025
Zaaknummer NL23.30039
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) - verweerder mocht tijdelijke bescherming beeindigen - beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de minister van Asiel en Migratie , verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.

Verweerder heeft met het besluit van 18 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.

Partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 13 juli 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

3. Op 12 juli 2023 heeft verweerder aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 5 februari 2024 heeft verweerder het besluit ingetrokken. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar een nieuw genomen besluit van 7 februari 2024.

4. Met het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan vreemdelingen die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft dat besluit later ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het besluit van 18 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op het nieuw genomen besluit.

Met het nieuwe besluit van 18 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd en dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, waarin het uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie op verkeerde wijze is uitgelegd. Eiser verwijst daarbij naar het artikel ‘Een onrechtmatig cadeautje voor de staatssecretaris’ van mr. dr. Grütters.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Het beroep tegen de ingetrokken besluiten

6. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het besluit van 24 augustus 2023, wat later is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 7 februari 2024 worden beschouwd als nader besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb omdat voldoende sprake is van samenhang tussen de twee terugkeerbesluiten. Het beroep van eiser ziet daarom ook op het besluit van 7 februari 2024 en ingevolge artikel 6:19 van de Awb op het besluit van 18 juli 2025.

Rechtmatig verblijf en het terugkeerbesluit

7. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 18 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.

De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de enkele verwijzing naar het artikel van mr. dr. Grütters.

8. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 18 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van de ingetrokken terugkeerbesluiten van 24 augustus 2023 en 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.

10. Nu verweerder de eerdere besluiten waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M.A Vinken

Griffier

  • mr. M.E. Jans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand