ECLI:NL:RBDHA:2026:25099

ECLI:NL:RBDHA:2026:25099

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL25.49971
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Beroep tegen afwijzing van een opvolgende asielaanvraag. Geen aanleiding om een medisch advies op te vragen naar aanleiding van het gehoor. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om de schrijvers van de verklaringen te horen. Eisers eigen verklaringen zijn onvoldoende. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49971

(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),

en

(gemachtigde: mr. I. Kamphuis).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 augustus 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.

De minister heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, C. Lamnadi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft op 25 november 2015 voor het eerst een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 12 juni 2016 afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 15 augustus 2017 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. Het besluit van 12 juni 2016 staat daarmee in rechte vast.

Eiser heeft op 27 september 2018 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 14 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarmee ook het besluit van 14 februari 2019 in rechte vaststaat.

Eiser heeft in april 2025 en juni 2025 opvolgende asielaanvragen ingediend. De minister heeft deze aanvragen beide buiten behandeling gesteld, omdat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken.

Op 17 augustus 2025 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij nieuwe documenten heeft, namelijk getuigenverklaringen. Het betreft drie verklaringen van organisaties die zouden bewijzen dat eiser homoseksueel is. Daarmee is volgens eiser sprake van nieuwe informatie in de ontwikkeling rondom zijn persoon en zijn homoseksualiteit.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

homoseksuele gerichtheid.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister vindt de homoseksuele gerichtheid van eiser echter nog steeds niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij is van belang dat eisers homoseksuele gerichtheid eerder ongeloofwaardig is geacht, dat de getuigenverklaringen onvoldoende (nieuw) inzicht bieden en dat eisers eigen verklaringen over zijn groei, naar aanleiding van de verklaringen, oppervlakkig en vaag blijven. De minister concludeert daarom dat de aanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

Onzorgvuldig gehoor

5. Eiser voert aan dat de hoormedewerker ten onrechte het gehoor heeft doorgezet. Volgens eiser bestond er, gelet op zijn onbegrijpelijke antwoorden, aanleiding om het gehoor af te breken en te onderzoeken of eiser medisch in staat was om gehoord te worden. In de correcties en aanvullingen heeft eiser direct aangegeven op welke punten zijn verklaringen warrig of onbegrijpelijk waren. De omstandigheid dat eiser zelf geen medische stukken heeft overgelegd, doet niet aan af aan de verplichting voor de minister om een medisch onderzoek te doen als dit nodig blijkt. Volgens eiser bleek uit zijn antwoorden ook dat hij psychische problemen had. Eiser heeft tevens een klacht ingediend tegen de hoormedewerker omdat het gehoor niet is afgebroken en stelt dat de minister had moeten wachten met de beslissing totdat op deze klacht was beslist.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor vreemdelingen wordt bij een opvolgende asielaanvraag, zoals in dit geval, niet standaard een medisch advies horen en beslissen aangeboden. Dat laat onverlet dat de minister gedurende de hele procedure moet nagaan of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. Als informatie over de vreemdeling of het gedrag of uitlatingen van de vreemdeling voorafgaand of tijdens het gehoor daar aanleiding toe geven, moet dan alsnog een medisch advies worden gevraagd. Dat volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en Werkinstructie 2024/9 van de minister.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen aanleiding bestond om het gehoor af te breken en een medisch advies op te vragen. Daarbij is allereerst relevant dat voorafgaand aan het gehoor geen melding is gedaan van mogelijke (psychische) problematiek bij eiser. Ook in de vorige asielprocedures is daarvan kennelijk niet gebleken. In het gehoor heeft eiser verklaard dat hij zich lichamelijk en geestelijk in staat voelt het gehoor te laten plaatsvinden en dat er niets bijzonders is waar tijdens het gehoor rekening mee gehouden zou moeten worden. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij twee gesprekken heeft gevoerd met een psycholoog, zes jaar geleden, maar daarin heeft de hoormedewerker geen aanleiding hoeven zien voor bijzondere procedurele waarborgen. De gemachtigde van eiser heeft verder gesteld dat eiser onbegrijpelijke antwoorden heeft gegeven op de vragen van de hoormedewerker. Hiermee doelt hij met name op de antwoorden op vragen over de getuigenverklaringen, waarbij eiser heeft verklaard niets te weten van de inhoud, weinig te kunnen vertellen over de gesprekken die hebben geleid tot de verklaringen en niet te weten wat hij precies met de verklaringen wil aantonen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser voorafgaand aan het gehoor niet wilde worden voorbereid op het gehoor. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich goed voorbereidt op zijn aanvraag en op het bijbehorende gehoor, temeer nu sprake is van een opvolgende aanvraag waarbij eiser zelf heeft gekozen voor het moment van indiening daarvan. Dat eiser dit kennelijk niet heeft willen doen, waardoor hij onvoldoende in staat was om antwoord te geven op de vragen tijdens het gehoor, komt voor zijn rekening en risico.

Nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestond om het gehoor af te breken en eiser medisch te laten onderzoeken, volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat de verklaringen van eiser gebruikt konden worden bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Dat maakt dat de minister naar het oordeel van de rechtbank ook terecht geen aanleiding heeft gezien om te wachten met het nemen van het besluit op eisers asielaanvraag tot op de klacht was beslist. Ter zitting is overigens gebleken dat de klacht is afgewezen en dat eiser de Nationale ombudsman ook niet heeft verzocht om zijn klacht te behandelen.

Onzorgvuldige procedure

6. Eiser voert aan dat de minister zijn aanvraag onzorgvuldig heeft behandeld. Eiser meent dat de gevolgde procedure te kort is, waardoor sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM. Daarnaast stelt eiser dat de minister de briefschrijvers als getuigen had moeten horen.

De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft erkend dat de minister de regelgeving juist heeft toegepast en in zoverre de juiste procedure heeft gevolgd. De enkele omstandigheid dat de korte procedure van zes dagen slecht in de agenda van de gemachtigde van eiser past, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door de aanvraag van eiser niet te verwijzen naar de verlengde asielprocedure. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat de zesdaagse procedure die is gebruikt te kort is, ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze procedure in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Eiser heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd of geconcretiseerd.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet onzorgvuldig is geweest door de briefschrijvers niet te horen als getuigen. Deze briefschrijvers hebben een verklaring opgesteld die eiser ten grondslag heeft gelegd aan zijn opvolgende asielaanvraag. De verklaringen bevatten met name subjectieve observaties en zijn op punten ook afwijkend van eisers eigen verklaringen. Het was dan ook aan eiser om te verklaren over de juistheid van deze getuigenverklaringen en over de gesprekken die hebben geleid tot de totstandkoming hiervan. De minister heeft deze verklaringen betrokken bij de beoordeling van eisers asielaanvraag en deze als onvoldoende kunnen beoordelen. In dat verband verwijst de rechtbank naar wat zij in rechtsoverweging 5.2 heeft overwogen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat eiser ook de rechtbank heeft verzocht om getuigen te horen, maar dat de rechtbank dit verzoek op zitting heeft afgewezen, omdat het naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. In deze zaak staat de vraag centraal of eiser inzicht kan geven in zijn seksuele gerichtheid en hoe hij zich daarin heeft ontwikkeld c.q. een groei heeft doorgemaakt sinds de vorige procedures. De verklaringen van de getuigen kunnen geen antwoord geven op deze vraag, nu het gaat om het inzicht dat eiser zelf zou moeten geven. Om die reden heeft de rechtbank afgezien van het horen.

Onzorgvuldige motivering

7. Eiser voert aan dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft namelijk niet gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met eisers analfabetisme en psychische gesteldheid.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat rekening is gehouden met eisers analfabetisme. De minister heeft in het bestreden besluit opgenomen dat ook van iemand met analfabetisme verwacht mag worden dat deze juist en consistent verklaart. Ter zitting is namens de minister toegelicht dat met name wordt bedoeld dat van eiser wordt verwacht dat hij kan verklaren over de gesprekken die hij heeft gehad met de opstellers van de getuigenverklaringen.

Ten aanzien van de gestelde psychische problematiek overweegt de rechtbank als volgt. Van belang is dat, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 al heeft overwogen, de hoormedewerker tijdens het gehoor geen aanleiding heeft hoeven zien voor nader onderzoek naar eisers psychische gesteldheid. Eiser heeft daar verklaard dat hij zes jaar geleden twee keer met een psycholoog heeft gesproken. In de zienswijze heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat dit vaker moet zijn geweest. Dit is echter op geen enkele wijze onderbouwd of geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd hoe rekening is gehouden met eisers psychische gesteldheid.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.M. Brandwacht - Kampman

Griffier

  • mr. E. Diele

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand