ECLI:NL:RBDHA:2026:25249

ECLI:NL:RBDHA:2026:25249

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL24.46452
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vreemdelingenrecht. Afwijzing aanvragen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel 'privéleven'. Geen mvv en geen vrijstelling van mvv-vereiste. Verweerder heeft ten onrechte geen (geactualiseerde) refoulementsbeoordeling gemaakt ten aanzien van terugkeerbesluiten. Gebrek hersteld. Geen strijd met artikel 3 van het EVRM. Beroep gegrond, maar rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer: [nummer 1] , eiser I,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.46452

[eiseres 1] , V-nummer: [nummer 2] , eiseres I,

[eiser 2] , V-nummer: [nummer 3] , eiser II,

[eiseres 2] , V-nummer: [nummer 4] , eiseres II,

samen eisers

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),

en

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

1. Deze uitspraak gaat onder meer over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘privéleven’ op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat eisers niet beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet voor een vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komen. Verweerder neemt weliswaar privéleven aan, maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eisers uit laten vallen zodat de uitzetting van eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Verder betogen eisers dat verweerder voor de terugkeerbesluiten ten onrechte geen geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven) niet ten onrechte in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. Hoewel verweerder ten onrechte geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt, is dat gebrek in beroep hersteld en heeft verweerder terecht vastgesteld dat de uitzetting niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM (non-refoulement). Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘privéleven’ op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 7 september 2023 afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank (zittingsplaats Rotterdam) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres II, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder. Namens eisers waren ook aanwezig: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Eisers I en II en eiseres I hebben zich met een bericht vooraf afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eisers zijn een vader (eiser I), een moeder (eiseres I), een zoon (eiser II) en een dochter (eiseres II). Zij hebben allen de Armeense nationaliteit. Eisers zijn in 2010 Nederland ingereisd. Eiser II (geboren op [geboortedag 1] 1992) was toen 17 jaar en eiseres II (geboren op [geboortedag 2] 1994) was 16 jaar. Eisers hebben diverse (asiel) procedures doorlopen om een verblijfsvergunning te verkrijgen, maar hebben op geen moment rechtmatig verblijf gehad in Nederland anders dan procedureel verblijfsrecht. Aan eiseres I is op 1 januari 2012 een terugkeerbesluit opgelegd en aan eiser II en eiseres II op 16 maart 2013.

Op 26 juni 2023 hebben eisers aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘privéleven’ op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvragen met het besluit van 7 september 2023 afgewezen omdat eisers niet beschikten over een mvv en zij niet voor een vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking kwamen. In dat verband heeft verweerder overwogen dat de uitzetting van eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM (privéleven). Weliswaar heeft verweerder privéleven aangenomen, maar de belangenafweging is in het nadeel van eisers uitgevallen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het gaat om een eerste toelating, zodat de uitgangspositie van eisers minder sterk is. Bij de belangenafweging heeft verweerder onderscheid gemaakt tussen de positie van de ouders (eiser I en eiseres I) die op meerderjarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen en de positie van de zoon en dochter (eiser II en eiseres II) die op minderjarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen. Verweerder heeft daarbij het volgende overwogen:

- Voor de ouders (eiser I en eiseres I) wordt ervan uitgegaan dat zij het overgrote gedeelte van hun leven, waaronder in hun vormende jaren, in Armenië hebben gewoond en zij zich daar om die reden kunnen handhaven en een privéleven hebben of weer kunnen opbouwen. Verder is niet gebleken van belemmeringen om zich weer in Armenië te vestigen en zijn de ouders gewend aan de cultuur en de gewoontes. De contacten uit Nederland kunnen ook op afstand worden onderhouden. Verder is de binding met Nederland beperkt omdat zij geen werk hebben of opleiding volgen en dat in het verleden ook niet hebben gedaan. Dat eiser I en eiseres I al lang in Nederland verblijven komt voor eigen risico omdat zij steeds hebben geweten dat zij niet in Nederland mochten verblijven.

- Voor de zoon (eiser II) en dochter (eiseres II) is de omstandigheid dat zij gedurende een deel van hun minderjarigheid (1 en 2 jaar) in Nederland hebben gewoond in hun voordeel meegewogen. In het nadeel is gewogen dat zij het overgrote deel van hun leven, waaronder hun vormende jaren, in Armenië hebben gewoond, de taal spreken en de gebruiken en cultuur kennen. Daardoor wordt ervan uitgegaan dat zij daar nog privéleven hebben of weer kunnen opbouwen. Niet is aangetoond dat sprake is van belemmeringen om weer in Armenië te gaan wonen. Verder kunnen zij hun contacten in Nederland op afstand onderhouden. Dat eiser II en eiseres II in Nederland vrijwilligerswerk doen en een opleiding hebben gevolgd is inherent aan een langdurig verblijf in Nederland en daarom als gebruikelijk aan te merken. Het feit dat de ouders hebben besloten in Nederland te blijven zonder geldige verblijfsvergunning is weliswaar de verantwoordelijkheid geweest van de ouders, maar weegt zwaar in het nadeel van eiser II en eiseres II. Het feit dat de ouders mogelijk een afhankelijk verblijfsrecht hebben van de zoon of dochter en dus een verblijfsrecht kunnen krijgen als de zoon en dochter een verblijfsrecht wordt verleend, wordt ook zwaar in het nadeel van eiser II en eiseres II gewogen.

Verweerder heeft vervolgens – voor zover relevant – overwogen dat de genoemde belangen van eisers in onderlinge samenhang bezien minder zwaar wegen dan het belang van de Nederlandse overheid. Daarmee is de uitzetting volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM (privéleven). Voor zover ten aanzien van eiser II en eiseres II is verwezen naar vergelijkbare gevallen, heeft verweerder aangegeven dat de gevallen juist op essentiële punten verschillen. Daarbij heeft verweerder gewezen op het feit dat in die andere zaken de kinderen jonger waren dan eiser II en eiseres II toen zij naar Nederland kwamen en bij die andere kinderen geen risico op misbruik bestond omdat de ouders niet afhankelijk waren van het verblijfsrecht van die kinderen. Aan eiser I is vervolgens een terugkeerbesluit opgelegd. Omdat aan eiseres I, eiser II en eiseres II al terugkeerbesluiten waren opgelegd heeft verweerder gewezen op de verplichting voor eisers om terug te keren naar Armenië.

Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvragen gehandhaafd. Voor zover relevant voor deze procedure heeft verweerder in aanvulling op de eerdere beslissing en onder verwijzing naar het arrest Butt overwogen dat in het geval van opgebouwde banden tijdens onrechtmatig verblijf uitzetting slechts onder uitzonderlijke omstandigheden leidt tot strijd met artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder voor de belangenafweging expliciet gewezen op de (economische) belangen van de Nederlandse overheid waaronder de kosten van levensonderhoud, arbeidsmarktbescherming, en de door de overheid betaalde voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Verder heeft verweerder overwogen dat voor zover gesteld wordt dat de terugkeer naar Armenië traumatisch is voor eiser II en eiseres II, dit een toekomstige en onzekere gebeurtenis is die niet met stukken is onderbouwd. De gevolgen voor eiser II vanwege het weigeren van de dienstplicht spelen volgens verweerder een rol in asielprocedures maar worden niet betrokken bij een reguliere procedure als die omstandigheden nog niet zijn beoordeeld in het kader van een asielaanvraag, zoals hier het geval is. Verweerder blijft bij de conclusie dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eisers bij voortzetting van het privéleven. Het bezwaar is ongegrond en eisers moeten terugkeren.

Artikel 8 van het EVRM (privéleven)

Toetsingskader

4. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv en de vreemdeling niet voor een vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt. Van het mvv-vereiste is onder meer vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.

Artikel 8 van het EVRM beschermt (onder meer) het recht op eerbieding van het privéleven en is erop gericht de vreemdeling in staat te stellen het privéleven dat hij of zij in Nederland heeft opgebouwd voort te zetten. Daarvoor moet eerst worden vastgesteld of sprake is van privéleven. Als privéleven wordt aangenomen, moeten de belangen van het kunnen voortzetten van het privéleven worden afgezet tegen het belang van de Nederlandse overheid bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid (fair balance). Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

Uit vaste rechtspraak volgt dat, in het geval de banden in Nederland zijn opgebouwd tijdens illegaal verblijf terwijl de vreemdeling zich ervan bewust was dat zijn of haar verblijfsstatus maakt dat voortzetting van zijn of haar privéleven vanaf het begin onzeker is, uitzetting slechts onder uitzonderlijke omstandigheden in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij kan het gedrag van ouders ook aan hun kinderen worden toegerekend om risico op misbruik van de situatie van hun kinderen te voorkomen. In die situatie kan ook de afwijzing van een aanvraag van kinderen alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van het EVRM leiden. Ondanks die toerekening, kunnen individuele omstandigheden ervoor pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van hun ouders te laten ondervinden. Daarbij kan bijvoorbeeld van belang zijn dat niet langer een risico bestaat dat een ouder de situatie van zijn kind gebruikt voor een beoogd verblijfsrecht, welke banden kinderen hebben opgebouwd in (dit geval) Nederland en of zij daarbij wisten van hun onrechtmatig verblijf, in welke mate de autoriteiten hebben gewerkt aan het vertrek van betrokkenen uit Nederland, wat de banden van de kinderen zijn met het land waarnaar zij moeten terugkeren en wat de duur is van het verblijf in Nederland. Relevant verder is het belang van het kind.

Is sprake van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (privéleven)?

5. In algemene zin stellen eisers dat zij (ten tijde van het bestreden besluit) al 14 jaar in Nederland woonden. Eiser II en eiseres II zijn daarbij op minderjarige leeftijd naar Nederland gekomen. Zij stonden op dat moment nog volledig onder het gezag en de verantwoordelijkheid van hun ouders en hebben enkele invloed gehad op de beslissing om zich in Nederland te vestigen of op de wijze waarop hun ouders invulling hebben gegeven aan hun verblijfsrechtelijke positie. Onder verwijzing naar rechtspraak en het IVRK betogen eisers dat eiser II en eiseres II van de keuzes van hun ouders niet de nadelige gevolgen mogen ondervinden. Ter zitting hebben eisers expliciet gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026 en gesteld dat daaruit volgt dat aan de banden die eiser II en eiseres II hebben opgebouwd in Nederland alsook de duur van hun verblijf zwaar gewicht moet worden toegekend in het kader van de belangenafweging. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat eiser II en eiseres II hun vormende jaren in Nederland hebben doorgebracht, dat zij hier al lang wonen en zij een zeer sterke binding hebben met Nederland. Zij hebben de taal geleerd, doen al lange tijd vrijwilligerswerk, hebben een grote kring van vrienden en kennissen en zijn bekend met de Nederlandse normen en waarden. Daarentegen hebben zij geen enkele vorm van binding met Armenië en zijn zij ook nooit meer in Armenië geweest. Verder is verweerder er ten onrechte van uitgegaan dat er een risico bestaat op misbruik van een verblijfsrecht van eiser II en eiseres II door hun ouders omdat het allerminst zeker is dat de ouders een aanvraag zullen indienen én als zij die aanvraag indienen of zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM (familieleven).

De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers ten aanzien van de positie van eiser I en eiseres I (de ouders) geen bijzondere feiten of omstandigheden hebben aangedragen anders dan de lange duur van hun verblijf in Nederland en het feit dat eiseres I in een rolstoel zit. Die omstandigheden zijn op zichzelf – zo heeft verweerder gesteld – onvoldoende om te kunnen spreken van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (privéleven). Eisers hebben niet toegelicht waarom de motivering van verweerder op dat onderdeel niet volstaat. Dit onderdeel behoeft daarom geen verdere bespreking.

Ten aanzien van de positie van eiser II en eiseres II benadrukt de rechtbank dat niet ter discussie staat dat zij goed zijn geïntegreerd in Nederland en zich inzetten voor de Nederlandse samenleving. De vele verklaringen die door eisers zijn ingebracht en ook de toelichting ter zitting van de begeleiders van de zorgboerderij waar eiseres II werkt, bevestigen dat eiser II en eiseres II een sterke binding hebben met Nederland. Verweerder heeft dat bij de beoordeling van de aanvraag ook tot uitgangspunt genomen. Een sterke binding met Nederland heeft verweerder op zichzelf echter niet voldoende hoeven achten om de belangenafweging in het voordeel van eiser II en eiseres II te laten uitvallen. Dat dit anders is, volgt niet uit de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026. Uitgangspunt blijft dat voor zover het privéleven is opgebouwd gedurende een langdurig onrechtmatig verblijf in Nederland, uitzetting slechts onder uitzonderlijke omstandigheden in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dat geldt ook voor vreemdelingen die op minderjarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen en aan wie de keuzes van hun ouders kunnen worden tegengeworpen. De uitspraak van de Afdeling maakt wel duidelijk dat verweerder aan de hand van de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden zorgvuldig moet onderzoeken en deugdelijk moet motiveren of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen. Daarbij moet verweerder laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind door rekening te houden met omstandigheden die ervoor kunnen pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van ouders te laten ondervinden. Daarbij kunnen de omstandigheden zoals genoemd onder 4.2 een rol spelen. De Afdeling benadrukt dat verweerder niet langer kan worden gevolgd in zijn standpunt dat omstandigheden over de banden van kinderen met Nederland niet doorslaggevend kunnen zijn in de belangenafweging enkel omdat de banden zijn opgebouwd tijdens langdurig onrechtmatig verblijf.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser II en eiseres II heeft kunnen overwegen dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verweerder de keuze van hun ouders niet aan hen had kunnen tegenwerpen. De rechtbank licht dat als volgt toe. Hoewel het klopt dat eiser II en eiseres II minderjarig waren op het moment van aankomst in Nederland in 2010, heeft verweerder benadrukt dat zij na aankomst nog maar kort minderjarig bleven: zij waren respectievelijk al 17 en 16 jaar oud. Hieraan heeft verweerder de conclusie kunnen verbinden dat eiser II en eiseres II het overgrote gedeelte van hun minderjarige leven, waaronder hun vormende jaren, in Armenië hebben gewoond en daarom worden geacht (ook) een sterke binding te hebben met Armenië. Eiser II en eiseres II spreken de taal en kennen de cultuur en de gewoontes. Ter zitting heeft verweerder onweersproken gesteld dat eiser II en eiseres II zich voorafgaand aan hun vertrek uit Armenië aan het voorbereiden waren op een vervolgopleiding en daarmee een grote stap zetten richting zelfstandigheid. Verweerder heeft zich om die reden terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van eiser II en eiseres II verschilt met de situatie van de kinderen in de door eisers aangehaalde rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026. De kinderen in die zaken waren op het moment van binnenkomst in Nederland (veel) jonger dan eiser II en eiseres II en daardoor minder zelfstandig. In de uitspraak van deze rechtbank (zittingsplaats Middelburg) uit 2026 ging het bijvoorbeeld om een minderjarige jongen die in Nederland was geboren en gedurende zijn hele leven in Nederland had gewoond en ook op het moment van de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd nog minderjarig was. Verweerder heeft er verder vanuit kunnen gaan dat eiser II en eiseres II – gelet op hun leeftijd – vanaf hun aankomst in Nederland al op de hoogte waren van het feit dat zij onrechtmatig in Nederland verbleven. In het kader van de besluiten uit 2013 tot afwijzing van de asielaanvragen, zijn aan eiser II en eiseres II terugkeerbesluiten opgelegd. Ook daarna is meermaals, waaronder in de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2021, gebleken dat eisers geen verblijfsvergunning zouden krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat het feit dat eiser II en eiseres II wisten van hun onrechtmatig verblijf ook een rol kan spelen bij de beoordeling of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Verder heeft verweerder ter zitting gewezen op het feit dat in deze situatie geen sprake is van een onafhankelijk opgesteld deskundigenrapport over de (psychische) gevolgen van de uitzetting zoals met het BIC-rapport in de uitspraak van de Afdeling wel het geval was. De verklaring van de psycholoog van eiseres II van 25 mei 2026 maakt weliswaar duidelijk dat een terugkeer naar Armenië psychische en emotionele gevolgen zal hebben voor eiseres II (hetgeen ook door verweerder is onderkend) en dat eiseres gebaat is bij een stabiele verblijfsstatus, maar hieruit volgt niet dat de terugkeer tot blijvende psychische schade of anderszins tot ontwikkelingsschade bij eiseres II leidt. Daarbij is ook van belang dat eiseres II ter zitting heeft verklaard dat zij in Armenië een leven had zonder trauma’s, zodat niet zonder meer aannemelijk is dat zij daar niet opnieuw een leven kan opbouwen. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat zij altijd hebben meegewerkt met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en dat dit in hun voordeel moet worden meegewogen, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat eisers weliswaar steeds op de gesprekken met de DT&V zijn geweest, maar dat dit nog niet tot het gewenste resultaat (terugkeer) heeft geleid omdat eisers uiteindelijk niet volledig meewerken aan hun terugkeer door niet die gegevens te verstrekken die nodig zijn om daadwerkelijk terug te keren naar Armenië. Dat zij altijd in Nederland zijn gebleven en daardoor hun privéleven verder hebben geïntensiveerd, komt in gelet op voorgaande voor hun eigen risico. Voor zover eisers nog hebben gewezen op de onzekerheid of eiser I en eiseres I gebruik zouden kunnen maken van een eventueel aan hun kinderen toegekend verblijfsrecht, maakt het enkele feit dat het niet zeker is dat de ouders een dergelijke aanvraag zullen indienen en of zij aan de voorwaarden kunnen voldoen niet dat het risico daarop niet bestaat, zodat verweerder deze omstandigheid heeft kunnen meenemen in het kader van de belangenafweging.

Verweerder heeft zich op grond van bovenstaande op het standpunt kunnen stellen dat gelet op de genoemde omstandigheden in samenhang bezien geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat de uitzetting van eiser II en eiseres II in strijd is met artikel 8 van het EVRM (privéleven). Verweerder heeft de aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd daarom terecht afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv en het feit dat eisers niet in aanmerking komen voor een vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van strijd met artikel 8 van het EVRM (privéleven).

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 3 van het EVRM (non-refoulement)

Is een geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt en verzet die beoordeling zich tegen terugkeer van eisers naar Armenië?

6. Eisers betogen onder verwijzing naar het arrest Ararat dat verweerder ten onrechte geen actuele beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement bij terugkeer naar Armenië. Eisers voeren aan dat de actuele gezondheidstoestand van eiseres I en eiseres II en het ontbreken van feitelijke toegang tot adequate medische zorg in Armenië een reëel risico oplevert op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eisers wijzen in dat verband specifiek op de suïcidepogingen van eiseres I en het feit dat zij rolstoel gebonden is. Eisers wijzen in dit verband ook op de mentale gezondheidstoestand, belaste ontwikkelingsachtergrond en zelfmoordgedachten van eiseres II. Ter zitting is nog gewezen op het feit dat eiser II geen dienstplicht heeft vervuld en om die reden strafvervolging vreest.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat in het bestreden besluit ten aanzien van de terugkeerbesluiten geen actuele beoordeling is gemaakt in het kader van artikel 3 van het EVRM (non-refoulement) terwijl verweerder dat op grond van het arrest Ararat wel had moeten doen. In zoverre is sprake van een gebrek in de besluitvorming en slaagt de beroepsgrond.

Omdat verweerder in het verweerschrift alsnog een actuele beoordeling heeft gemaakt, waarbij verweerder overweegt dat het beginsel van non-refoulement niet wordt geschonden, toetst de rechtbank ook die beoordeling. Uit rechtspraak volgt dat verweerder op grond van het arrest Ararat in een geactualiseerde refoulementbeoordeling zich ervan moet vergewissen dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Daarbij moet verweerder rekening houden met elke wijziging van de omstandigheden en met alle nieuwe elementen die de betrokken vreemdeling aanvoert. De bestuursrechter toetst deze beoordeling indringend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alsnog een deugdelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft verricht en dat de gegevens in het dossier geen concrete aanwijzingen vormen voor het oordeel dat verweerder door uitvoering te geven aan de terugkeerbesluiten ten aanzien van eisers het beginsel van non-refoulement schendt. Daarbij heeft verweerder gekeken naar alle relevante omstandigheden voor zover die zijn aangevoerd door eisers dan wel volgen uit het dossier:

- Voor eiser II heeft verweerder zich op basis van algemene landeninformatie over Armenië over de positie van dienstweigeraars terecht op het standpunt gesteld dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat eiser II – voor zover hij al een dienstweigeraar zou zijn omdat verweerder terecht opmerkt dat niet is gebleken dat hij is opgeroepen – een reëel risico loopt op de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat uit deze informatie volgt dat dienstweigeraars zich bij terugkomst vrijwillig kunnen melden en alsnog hun dienstplicht kunnen vervullen. Ook kan een dienstweigeraar tegen betaling een verkorte versie van de dienstplicht vervullen of de dienstplicht in het geheel afkopen. Dat eisers stellen dat zij geen geld hebben om de dienstplicht af te kopen en dat eiser II – gelet op zijn jonge gezin – zijn vrouw en kind niet twee jaar kan verlaten om zijn dienstplicht te vervullen, leidt – zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht – met betrekking tot het beginsel van non-refoulement niet tot een ander oordeel. De stelling van eisers dat eiser II alsnog strafrechtelijk kan worden vervolgd en dat een rechter bepaalt hoe de dienstplicht moet worden vormgegeven, is niet met stukken onderbouwd en leidt niet tot een ander oordeel. Uit de landeninformatie volgt bovendien – zo heeft verweerder onweersproken gesteld – dat in Armenië veel strafzaken van dienstweigeraars gesloten zijn zonder dat tot strafvervolging is overgaan en dat er geen voorbeelden bekend zijn van strafoplegging als gevolg van weigering van de militaire dienstplicht in Armenië. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat terugkeer van eiser II geen risico op schending van het beginsel van non-refoulement zoals neergelegd in artikel 3 van het EVRM oplevert.

- Met betrekking tot de medische situaties van eiseres I en eiseres II heeft verweerder terecht opgemerkt dat voor eiseres I geen actuele medische informatie beschikbaar is. De enkele stelling van eisers dat eiseres I psychische klachten heeft maar zich niet durft te laten onderzoeken is niet voldoende om uit te gaan van ernstige medische problematiek. Voor eiseres II is wel een verklaring van haar psycholoog beschikbaar waaruit volgt dat zij onder medische behandeling staat. Verweerder heeft in dat verband echter onweersproken gesteld dat de gezondheidszorg, waaronder hulp bij acute psychiatrische noodgevallen, in Armenië gratis is, zodat het standpunt dat eiseres II door gebrek aan inkomsten feitelijk geen toegang heeft tot de zorg – voor zover die noodzakelijk is – geen stand houdt. Als al sprake is van ernstige medische problematiek bij eiseres II waarvoor zij zorg behoeft blijkt uit de beschikbare gegevens daarom niet dat die problematiek leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld en deugdelijk heeft gemotiveerd dat uit het dossier niet volgt dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat eisers bij terugkeer een risico lopen op een behandeling in strijd met het beginsel van non-refoulement zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Anders dan eisers stellen rust op verweerder niet de verplichting om eisers in dit verband te horen. Dat volgt ook niet uit het arrest Ararat en de daarop gebaseerde rechtspraak. Eisers hebben hun argumenten schriftelijk toegelicht en verweerder heeft deze toelichting in het verweerschrift betrokken. Ook heeft verweerder algemene en actuele informatie over Armenië betrokken bij de beoordeling. Eisers hebben ook niet duidelijk gemaakt waarover nog concreet verklaard had kunnen worden. Dit betekent dat verweerder – inmiddels – zorgvuldig een voldoende deugdelijke en geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft verricht. De rechtbank komt aan de hand van de beschikbare gegevens, de beroepsgronden en de toelichting ter zitting tot dezelfde conclusie. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat eisers terecht hebben betoogd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt. Het bestreden besluit is daardoor onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het besluit wordt om die reden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten omdat verweerder deze beoordeling alsnog heeft gemaakt en daarin deugdelijk gemotiveerd heeft vastgesteld dat geen sprake is van een reëel risico op schending van het beginsel van non-refoulement en verweerder daarom vast kan houden aan de terugkeerbesluiten. Omdat de beroepsgrond gericht tegen de afwijzing van de aanvragen voor een verblijfsvergunning niet slaagt, betekent het voorgaande dat eisers geen verblijfsvergunningen regulier met als verblijfsdoel ‘privéleven’ in de zin van artikel 8 van het EVRM krijgen en zij moeten terugkeren naar Armenië.

Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten van eisers vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, € 934,- per punt, wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het griffierecht van eisers vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 oktober 2024;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand