ECLI:NL:RBDHA:2026:25256

ECLI:NL:RBDHA:2026:25256

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-07-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL24.16181 en NL24.16185
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vreemdelingenrecht. Aanvragen voor een verblijfsvergunning. Aanvraag voor moeder ('familie en gezin') is afgewezen en verblijfsvergunningen voor zoons (humanitair niet-tijdelijk) eerst ingewilligd en vervolgens ingetrokken. Privéleven wordt aangenomen maar belangenafweging valt uit in het nadeel van eisers. Beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer 1] , eiseres,

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.16181 en NL24.16185

[eiser 1] , V-nummer: [nummer 2] , eiser I,

[eiser 2] , V-nummer: [nummer 3] , eiser II,

samen eisers,

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de minister van Asiel en Migratie ,

(gemachtigden: mr. R. Radema en mr. G. Zwitser Hernández).

1. Deze uitspraak gaat over de aanvragen voor een verblijfsvergunning van een moeder (eiseres) en haar twee zonen (eisers I en II). Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen omdat eiseres niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder heeft de aanvragen van eisers I en II voor een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’ eerst ingewilligd maar de verblijfsvergunningen vervolgens ingetrokken omdat eisers I en II niet voldoen aan de voorwaarden voor de verstrekte verblijfsvergunning. Voor eisers geldt in alle gevallen dat wel sprake is van (beschermingswaardig) privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM maar dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Eisers zijn het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiseres en de intrekking van de verblijfsvergunningen van eisers I en II.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen en de verblijfsvergunningen van eisers I en II heeft kunnen intrekken. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd. Eisers I en II hebben een reguliere verblijfsvergunning ‘niet tijdelijk humanitaire gronden’ aangevraagd. Met twee afzonderlijke besluiten van 15 juni 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen en de verblijfsvergunningen van eiser I en eiser II ingetrokken nadat deze eerder waren verleend. Met twee afzonderlijke besluiten van 16 maart 2024 (de bestreden besluiten) is verweerder bij de eerdere besluiten gebleven.

Eiseres en eisers I en II hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep met zaaknummer NL24.16181 ziet op eiseres en het beroep met zaaknummer NL24.16185 ziet op eisers I en II. Verweerder heeft op de beroepen van eisers gereageerd in twee afzonderlijke verweerschriften.

De rechtbank heeft de beroepen op 8 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eisers en hun gemachtigde waren met voorafgaande kennisgeving niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eisers hebben de Vietnamese nationaliteit en zijn een moeder (eiseres), een zoon geboren op [geboortedag 1] 2004 (eiser I) en een zoon geboren op [geboortedag 2] 2009 (eiser II).

Op 7 augustus 2018 zijn eisers in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eisers konden daarmee verblijven bij hun man dan wel vader die beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als kennismigrant’. Met het besluit van 22 november 2019 zijn voornoemde vergunningen met terugwerkende kracht tot 15 juli 2018 ingetrokken omdat de man/vader van eisers nooit in Nederland werkzaam is geweest als kennismigrant. Verweerder heeft in voornoemd besluit tegen eisers tevens een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eisers hebben na bezwaar beroep ingesteld tegen de intrekking van hun vergunningen en het terugkeerbesluit. Met de uitspraak van 25 november 2022 (NL21.16805) is het beroep van eisers ongegrond verklaard. Omdat geen hoger beroep is ingesteld, staat de intrekking van deze vergunningen en het daaraan gekoppelde terugkeerbesluit in rechte vast.

Zaaknummer NL24.16181 (eiseres / moeder)

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Op 19 december 2022 heeft eiseres een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ ingediend. Eiseres wenst te verblijven bij haar man, [naam] , die op dezelfde datum ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ heeft ingediend. Met het besluit van 15 juni 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen onder meer omdat eiseres niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en eiseres ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. In dat kader overweegt verweerder, voor zover relevant in deze procedure, dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hoewel sprake is van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, valt de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt, uit in het nadeel van eiseres, zodat eiseres op die grond niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt.

Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard en is verweerder bij de voornoemde afwijzing en motivering gebleven. Verweerder heeft eiseres om die reden niet gehoord.

Is de aanvraag voor een verblijfsvergunning terecht afgewezen?

5. Eiseres voert aan dat de afwijzing in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook is het bestreden besluit in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel omdat verweerder geen rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van eiseres.

De rechtbank overweegt dat de aanvraag van eiseres is afgewezen omdat eiseres niet beschikt over een mvv. Eiseres kan onder meer worden vrijgesteld van het mvv-vereiste als uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarvoor moet eerst worden vastgesteld of sprake is van privéleven. Vervolgens moeten de belangen van het kunnen voortzetten van privéleven worden afgezet tegen het belang van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid (fair balance). Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Of dat het geval is toetst, de bestuursrechter vol. De belangenafweging zelf toetst de bestuursrechter enigszins terughoudend.

Het staat niet ter discussie dat sprake is van privéleven. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van eiseres minder zwaar wegen dan het belang van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij heeft verweerder onder meer in het nadeel van eiseres gewogen dat het een eerste toelating betreft, omdat de eerder toegekende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot aan de datum van toekenning is ingetrokken. Omdat de man en de kinderen van eiseres geen verblijfsvergunning hebben, is eiseres volgens verweerder om die reden niet gebonden aan Nederland. Verder heeft verweerder betrokken dat eiseres in Vietnam is geboren en daar 43 jaar heeft geleefd, bekend is met de cultuur en de taal spreekt, en van eiseres verwacht mag worden dat zij weer in Vietnam kan wonen en daar weer een leven kan opbouwen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht, laat staan heeft onderbouwd, die leiden tot de conclusie dat voornoemde belangenafweging in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ten aanzien van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiseres niet onder de werkingssfeer van het Unierecht valt zodat haar geen beroep toekomt op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Deze beroepsgronden slagen niet.

Had eiseres moeten worden gehoord?

6. Eiseres betoogt, onder verwijzing naar het Sopropé-arrest, dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Zij stelt in dit verband dat haar bezwaar was onderbouwd met stukken.

Omdat hiervoor is overwogen dat eiseres niet onder het Unierecht valt, komt haar in het kader van de hoorplicht ook geen beroep toe op het Sopropé-arrest, als dat al om vergelijkbare zaken zou gaan. Voor zover eiseres een beroep heeft willen doen op de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2, eerste lid van Algemene wet bestuursrecht (Awb), faalt ook dat betoog. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van de afwijzing van de aanvraag en op wat eiseres hiertegen in bezwaar heeft aangevoerd en het feit dat – anders dan eiseres stelt – in de bezwaarprocedure van eiseres geen nadere stukken zijn ingediend of nieuwe argumenten zijn aangedragen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiseres kunnen afzien.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Zaaknummer NL24.16185 (eisers I en II / zonen)

Totstandkoming van het bestreden besluit

7. Op 19 december 2022 hebben eisers I en II aanvragen ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’. Op 21 februari 2023 zijn aan eisers I en II op grond van artikel 3.50 van het Vb verblijfsvergunningen toegekend per 19 december 2022. Met het besluit van 15 juni 2023 zijn deze verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van de datum van toekenning. Verweerder stelt dat eisers I en II door de intrekking van de eerste vergunning (zie onder 3.1) nooit in het bezit zijn geweest van een rechtsgeldige verblijfsvergunning. Daarmee voldoen eisers I en II niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning met het doel ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.50 van het Vb. De verlening van de tweede verblijfsvergunning berust volgens verweerder daarom op een ambtelijke misslag. Omdat verweerder aanneemt dat eisers I en II privéleven hebben in Nederland, heeft verweerder een belangenafweging gemaakt als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Deze is in het nadeel van eisers I en II uitgevallen.

Met het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking van de verblijfsvergunningen gehandhaafd en is het bezwaar van eisers I en II kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft eisers om die reden niet gehoord.

Kunnen de omstandigheden waaronder de eerder verleende verblijfsvergunningen zijn ingetrokken aan eisers I en II worden tegengeworpen?

8. Eisers I en II voeren aan dat verweerder ten onrechte stelt dat de intrekking van de eerdere verblijfsvergunningen uit 2018 in rechte vaststaat en daarom niet meer gekeken kan worden waarom de verblijfsvergunningen zijn ingetrokken. In het verlengde daarvan stellen eisers dat zij in deze procedure vervolgens opnieuw in het bezit zijn gesteld van verblijfsvergunningen en dat die ook buiten hun schuld om zijn ingetrokken. Eisers stellen dat dit fouten zijn van hun ouders en, onder verwijzing naar artikel 2, tweede lid, van het IVRK, dat zij niet de dupe mogen zijn van die fouten.

Voor wat betreft de verblijfsvergunningen uit 2018 geldt – zoals verweerder terecht opmerkt – dat de intrekking van die vergunningen in rechte vaststaat. Daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat die intrekking rechtmatig is geweest. Voor zover eisers I en II gronden hebben gericht tegen die intrekking, is voor een beoordeling van die gronden in het kader van de rechtmatigheid van onderhavige intrekking geen ruimte. Met betrekking tot de intrekking van de vergunningen die in 2023 zijn verstrekt en waar deze beroepsprocedure op ziet, geldt dat – anders dan eisers I en II stellen – de intrekking geen fout is van de ouders maar de verlening van de verblijfsvergunning berust op een ambtelijke misslag, die met de primaire besluiten van 15 juni 2023 is rechtgezet. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eisers I en II na de aanvankelijke blijdschap over het verkrijgen van een verblijfsvergunning, zeer teleurgesteld waren door de intrekking en verweerder dit kan worden verweten, is dat geen aanleiding om de intrekking ongedaan te maken. Omdat in rechte vaststaat dat de vergunningen uit 2018 konden worden ingetrokken en die intrekking terugwerkende kracht heeft gehad tot aan de datum van toekenning, zijn eisers I en II nooit houder geweest van een verblijfsvergunning in de zin van artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb. Hieruit volgt dat verweerder op dat punt terecht heeft gesteld dat eisers I en II op die grond niet voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ in aanmerking kwamen en de intrekking van de verblijfsvergunning als zodanig terecht is geweest.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Vallen eisers I en II onder de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen?

9. Eisers I en II stellen zich verder op het standpunt dat de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (Afsluitingsregeling) van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier.

Verweerder stelt terecht dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid is dat naar haar aard restrictief moet worden toegepast. Daarbij kan verweerder zich ook in redelijkheid op het standpunt stellen – zo volgt ook uit de door verweerder aangehaalde rechtspraak – dat het onderscheid tussen kinderen in een asielprocedure en kinderen in een reguliere procedure gerechtvaardigd is, waarbij rekening is gehouden met de belangen van het kind enerzijds en het belang van het voeren van een effectief immigratiebeleid anderzijds. Gelet op voorgaande heeft verweerder dus kunnen besluiten dat eisers I en II niet in aanmerking komen voor toepassing van de Afsluitingsregeling.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Zijn de belangen van eisers I en II voldoende meegewogen in het kader van artikel 8 van het EVRM?

10. Voor zover het beroep van eisers I en II op artikel 2, tweede lid, van het IVRK moet worden opgevat als het standpunt dat de belangen van het kind onvoldoende zijn meegenomen in het kader van de belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 8 van het EVRM beschermt onder meer het recht op eerbieding van het privéleven. Een beroep op deze bepaling kan ertoe leiden dat een vreemdeling een verblijfsvergunning moet worden verleend om de vreemdeling in staat te stellen het in Nederland opgebouwde privéleven uit te kunnen oefenen. Als sprake is van privéleven dient een belangenafweging te worden gemaakt waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgezet tegen de belangen van de Nederlandse staat. Daarbij worden alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar betrokken. Daaronder vallen ook de belangen van het kind.

De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden grotendeels een herhaling zijn van de gronden in bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder opgenomen dat de belangen van eisers I en II als kinderen zijn betrokken in de belangenafweging die is gemaakt in het kader van het privéleven onder artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder in het voordeel van eisers I en II meegewogen dat zij als minderjarige kinderen naar Nederland zijn gekomen en in zoverre hier privéleven hebben opgebouwd. Daartegenover staat dat eisers I en II op respectievelijk 14- en 8-jarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen en op het moment van de aanvraag van de verblijfsvergunning in 2022 minder dan 4,5 jaar in Nederland verbleven en dus een groot deel van hun minderjarigheid in Vietnam hebben gewoond, daar naar school zijn geweest, de taal spreken en bekend zijn met de cultuur en de gebruiken. Omdat eisers I en II geen feiten of omstandigheden naar voren hebben gebracht, laat staan hebben onderbouwd, die leiden tot de conclusie dat en op welke punten voornoemde belangenafweging in strijd is met artikel 8 van het EVRM en/of artikel 2, tweede lid, van het IVRK, kan aan de stelling dat de belangen van eiseres I en II als kinderen onvoldoende waarde is gehecht voorbij worden gegaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Hadden eisers I en II moeten worden gehoord?

11. Eisers I en II voeren aan dat verweerder de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden. Daarbij verwijzen eisers I en II naar het Sopropé-arrest. Zij stellen dat hun bezwaar was onderbouwd met stukken.

Zoals verweerder heeft opgemerkt, geldt ook voor eisers I en II dat zij niet onder het Unierecht vallen, zodat aan hen in het kader van de hoorplicht geen beroep toekomt op het Sopropé-arrest, als het al om vergelijkbare zaken zou gaan. Voor zover eisers een beroep hebben willen doen op de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2, eerste lid van Awb, faalt ook dat betoog. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van de primaire besluiten en op wat eisers I en II hiertegen in bezwaar hebben aangevoerd en het feit dat eisers I en II weliswaar stukken hebben ingediend, maar – zoals verweerder onweersproken heeft gesteld – hebben nagelaten de relevantie van die stukken in het kader van de gevoerde bezwaargronden toe te lichten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eisers I en II heeft kunnen afzien.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen van eiseres en eiseres I en II zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen verblijfsvergunning krijgen en zij moeten terugkeren naar het land van herkomst. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand