RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51852
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
(gemachtigden: mr. G. Zwitser Hernández en mr. R. Radema).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel 'familie en gezin'. Verweerder stelt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op artikel 13 van het Besluit 1/80 in combinatie met het tot 1 oktober 2012 geldende ouderenbeleid, stelt verweerder dat eiseres niet onder de werkingssfeer van Besluit 1/80 valt. Eiseres is het niet eens met deze beslissing. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat (i) eiseres niet kwalificeert als gezinslid in de zin van Besluit 1/80; en (ii) geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referente in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning zodat de aanvraag voor een mvv terecht is afgewezen. Zij krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een mvv bij haar dochter (referente) in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 november 2023 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als referente, en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1933 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres beschikt over een multiple-entry visum voor Nederland en verblijft twee keer 90 dagen per jaar bij haar dochter in Nederland. Vanwege haar hoge leeftijd wil eiseres zich permanent vestigen in Nederland. Zij heeft op 28 april 2023 een aanvraagformulier ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiseres heeft op de aanvraag verwezen naar het Jia-arrest en aangegeven dat zij ten laste komt van referente (haar dochter) en een kleindochter (niet de dochter van referente). Daaruit heeft verweerder afgeleid dat eiseres als gezinslid van een Turkse werknemer (referente) een beroep doet op artikel 13 van Besluit 1/80 en op grond daarvan een verblijfsvergunning moet krijgen.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 9 november 2023 afgewezen. Verweerder heeft aangegeven dat eiseres op het aanvraagformulier geen geldig verblijfsdoel heeft aangekruist. Voor zover wordt getoetst aan het door eiseres aangegeven Besluit 1/80, het Jia-arrest en artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn), stelt verweerder dat de Verblijfsrichtlijn niet op referente van toepassing is omdat zij de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland verblijft. Daarnaast is – mede in het kader van het Jia-arrest – niet aangetoond dat eiseres ten laste is geweest van referente of ondersteuning noodzakelijk is voor eiseres om in de basisbehoeften in het land van herkomst te kunnen voorzien, zodat eiseres geen familielid is onder de Verblijfsrichtlijn. Voor zover de aanvraag voor een mvv getoetst moet worden aan artikel 8 van het EVRM, heeft verweerder gesteld dat geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referente, onder meer omdat – volgens de destijds gebruikte formulering – niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat eiseres de gronden met betrekking tot het Jia-arrest en Besluit 1/80 heeft prijsgegeven tijdens de hoorzitting in bezwaar. Verweerder merkt nog wel op dat referente door haar langdurige WIA-uitkering (onder de WGA-regeling) niet wordt aangemerkt als Turkse werknemer als bedoeld in Besluit 1/80 en om die reden daaraan geen rechten kan ontlenen. De overige gronden, onder meer gericht tegen de beoordeling van artikel 8 van het EVRM, treffen volgens verweerder geen doel zodat de afwijzing van de aanvraag voor een mvv met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ in stand blijft.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 2p, eerste lid, van de Vw kan verweerder een mvv verlenen aan de vreemdeling voor wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.
Besluit 1/80 schept gunstige voorwaarden voor Turkse werknemers en hun gezinsleden die onder de reikwijdte van Besluit 1/80 vallen. Voor de uitleg van het begrip ‘gezinslid’ wordt aansluiting gezocht bij artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn. Hieruit volgt dat een gezinslid onder meer de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn kunnen zijn, die ‘te hunnen laste’ zijn. In het Jia-arrest is bepaald dat voor de vraag of een gezinslid ten laste komt van een burger van de Europese Unie dient te worden beoordeeld in hoeverre het gezinslid materieel wordt gesteund en in hoeverre de materiële ondersteuning nodig is voor het familielid om in zijn of haar basisbehoeften te kunnen voorzien in het land van herkomst op het moment dat hij of zij verzoekt om hereniging met die Unieburger. De toets uit het Jia-arrest is ook van toepassing op gezinsleden van Turkse werknemers die met een beroep op artikel 13 van Besluit 1/80 een verblijfsvergunning aanvragen.
Artikel 8 van het EVRM beschermt onder meer het recht op eerbieding van het familie- en gezinsleven en stelt de vreemdeling in staat familie- en gezinsleven uit te oefenen met een in Nederland verblijvend familielid. Daartoe moet eerst worden vastgesteld dat sprake is van beschermingswaardig gezinsleven.
Besluit 1/80
Heeft verweerder ten onrechte de gronden over Besluit 1/80 niet besproken?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij haar bezwaren ten aanzien van Besluit 1/80 en het daarmee samenhangende Jia-arrest niet tijdens de hoorzitting heeft prijsgegeven. Eiseres wijst erop dat met verweerder was afgesproken dat zij voor de onderbouwing van het standpunt dat referente moet worden aangemerkt als Turkse werknemer, na de hoorzitting nog stukken zou nazenden. Die stukken zijn volgens eiseres ook nagezonden voorafgaand aan het bestreden besluit, waaruit moet worden afgeleid dat de gronden niet zijn prijsgegeven. Verweerder is volgens eiseres daarom in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op deze bezwaargronden zodat sprake is van een motiveringsgebrek.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bezwaargronden over Besluit 1/80 waren ingetrokken. Verweerder heeft in dat verband gewicht kunnen toekennen aan het verslag van de hoorzitting. Daarin staat vermeld dat op de vraag van de voorzitter van de ambtelijke (hoor)commissie of eiseres het beroep op Besluit 1/80 nader wil motiveren, gemachtigde verklaart dat hij dit beroep wil laten vervallen, omdat referente volledig arbeidsongeschikt is, waarvan de bewijsstukken nog zullen worden nagestuurd. Op grond van het voorgaande mocht verweerder ervan uitgaan dat eiseres de bezwaargronden had ingetrokken zodat geen sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Daarbij staat verder vast dat in deze procedure alsnog een beroep is gedaan op de toepasselijkheid van Besluit 1/80 en het Jia-arrest en verweerder in het verweerschrift daarop heeft gereageerd, zodat die beroepsgronden alsnog inhoudelijk worden besproken.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Valt eiseres onder de reikwijdte van Besluit 1/80?
Is referente een Turkse werknemer als bedoeld in Besluit 1/80?
6. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat referente geen werknemer is in de zin van Besluit 1/80 enkel omdat zij sinds 2007 een WIA-uitkering ontvangt. Uit rechtspraak volgt – aldus eiseres – dat met een WIA-uitkering onder de WGA-regeling vaststaat dat referente niet blijvend (duurzaam) arbeidsongeschikt, maar slechts tijdelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Referente heeft de arbeidsmarkt – ondanks de lange looptijd van de WIA-uitkering en het feit dat zij 100% arbeidsongeschikt is – niet definitief verlaten en is daarom nog steeds werknemer in de zin van Besluit 1/80.
De rechtbank stelt voorop dat uit de door eiseres aangehaalde rechtspraak volgt dat met het begrip Turkse werknemer in de zin van Besluit 1/80 wordt gedoeld op een Turkse onderdaan die daadwerkelijk arbeid in loondienst verricht of die tijdelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Verder volgt daaruit dat een Turkse onderdaan de hoedanigheid van 'werknemer' verliest indien hij blijvend niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Het feit dat referente – inderdaad – al lange tijd arbeidsongeschikt is, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij blijvend niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Zij ontvangt immers een uitkering op grond van de WGA en volgens het toewijzingsbesluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van 6 december 2007 is referente weliswaar 100% arbeidsongeschikt maar is er een ‘meer dan geringe kans op herstel’ zodat eiseres (in de toekomst) nog wel kan werken. Dit wordt bevestigd in de verklaringen van het UWV over de uitkering van referente van 13 november 2024 en 4 maart 2026 waarin wordt aangegeven dat eiseres weliswaar in de hoogste categorie arbeidsongeschikt (80-100%) valt, maar dat de uitkering kan wijzigen als de gezondheid van referente beter wordt. Referente kan dus worden aangemerkt als 'werknemer' in de zin van Besluit 1/80. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder zich in zijn reactie op de beroepsgrond van eiseres ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referente blijvend arbeidsongeschikt is en om die reden geen Turkse werknemer zou zijn als bedoeld in Besluit 1/80. Dat heeft echter niet de door eiseres gewenste gevolgen, omdat zij, om onder de reikwijdte van Besluit 1/80 te vallen, moet kwalificeren als gezinslid als bedoeld in Besluit 1/80. Uit het onderstaande volgt dat daarvan geen sprake is. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.
Is eiseres een gezinslid als bedoeld in Besluit 1/80?
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment van de mvv-aanvraag ten laste kwam van referente en daarom kwalificeerde als gezinslid onder Besluit 1/80. Eiseres stelt in dat verband dat referente haar financieel ondersteunt, bijvoorbeeld door medische kosten en vliegtickets te betalen. Ter onderbouwing hiervan zijn in beroep verschillende stukken ingebracht. Verder betoogt eiseres dat zij, ook zonder dat zij ten laste komt van referente, onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Besluit 1/80 (standstill-bepaling) valt, omdat deze bepaling een ruimere werking kent dan de artikelen 6 en 7 van Besluit 1/80.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 uitsluitend van toepassing kan zijn op Turkse werknemers en hun gezinsleden die onder de reikwijdte van Besluit 1/80 vallen. Dit betekent dat – voordat beoordeeld kan worden of de afschaffing van het ouderenbeleid beschouwd moet worden als een aanscherping van de toelatingsvoorwaarden voor gezinsleden van Turkse werknemers – eerst moet worden beoordeeld of eiseres op het moment van de aanvraag kwalificeerde als gezinslid als bedoeld in Besluit 1/80. Zoals hiervoor al is overwogen, is hiervoor bepalend of eiseres ten laste komt van referente en – in dat kader – of er materiële steun is geboden en of de geboden materiële ondersteuning ook noodzakelijk is om in het land van herkomst te kunnen voorzien in de economische basisbehoeften van eiseres (zie meer uitgebreid onder 4.1). De rechtbank ziet in de ter zitting door eiseres genoemde omstandigheid dat het Jia-arrest van latere datum is dan de inwerkingtreding van Besluit 1/80, geen reden om het begrip ‘gezinslid’ in Besluit 1/80 niet overeenkomstig de definitie van het Hof van Justitie in dat arrest uit te leggen. Voor zover eiseres hiermee heeft willen betogen dat de uitleg van het Hof van Justitie in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80, overweegt de rechtbank dat de standstill-bepaling zich enkel richt tot de lidstaten. De uitleg van het begrip gezinslid door het Hof van Justitie kan om die reden niet worden gezien als een ongeoorloofde aanscherping van de toelatingsvoorwaarden voor gezinsleden van Turkse werknemers.
Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het aan eiseres, die de mvv heeft aangevraagd, is om aannemelijk te maken dat zij ten tijde van de aanvraag ten laste kwam van referente. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven kan het daarbij naast financiële steun ook gaan om andere vormen van materiële steun. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment van de aanvraag in Turkije niet zelf kon voorzien in haar basisbehoeften en daarvoor op materiële ondersteuning van anderen was aangewezen. Niet ter discussie staat dat eiseres in Turkije maandelijks een nabestaandenpensioen ontving. Eiseres heeft wel gesteld dat deze inkomsten onvoldoende waren om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, maar zij heeft dat niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Zij heeft bijvoorbeeld geen inzicht gegeven in de kosten van haar levensonderhoud in Turkije. Uit het dossier volgt dat referente vliegtickets heeft betaald voor eiseres, maar – zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld – is reizen niet aan te merken als een economische basisbehoefte als bedoeld in het Jia-arrest. Met betrekking tot de betalingsbewijzen wordt overwogen dat er slechts enkele betaalbewijzen uit 2022 zijn overgelegd van overschrijvingen van de rekening van referente naar een Nederlandse tegenrekening, waarbij bovendien maar in één overschrijving de naam van eiseres staat genoemd. Het is verder niet gebleken dat eiseres door referente financieel werd onderhouden door middel van contante bedragen die over een langere periode aan haar zijn betaald en die noodzakelijk waren om in haar basisbehoeften te voorzien. De enkele stelling daartoe is onvoldoende. Dat referente eiseres langere tijd financieel heeft ondersteund, is daarom niet gebleken. Voor zover referente medische kosten voor eiseres heeft voldaan geldt dat verweerder terecht stelt dat eiseres onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar medische situatie. Voor zover al aangenomen moet worden eiseres op het peilmoment was aangewezen op (enige vorm van) materiële ondersteuning om in haar basisbehoeften te kunnen voorzien, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij voor die steun alleen op referente was aangewezen. Verweerder heeft in dat verband terecht opgemerkt dat eiseres in Turkije hulp ontving van buren op de momenten dat referente in Nederland verbleef. De ter zitting ingenomen stelling dat referente in de afgelopen jaren altijd bij eiseres was, wijkt af van de verklaring tijdens de hoorzitting op 6 november 2024 en is verder niet met stukken onderbouwd.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet ten laste komt van referente en dat eiseres – ondanks dat niet ter discussie staat dat zij de moeder is van referente – daarom geen gezinslid is als bedoeld in Besluit 1/80. Om die reden valt eiseres niet onder de reikwijdte van het Besluit 1/80.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
Is sprake van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referente?
8. Uit rechtspraak volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden (bijvoorbeeld bij ouders en hun meerderjarige kinderen) voor het aannemen van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (“further elements of dependency involving more than normal emotional ties”). Daarbij moet worden gekeken naar verschillende elementen, waaronder of de gezinsleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Het betreft een beoordeling van feitelijke aard. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. De bestuursrechter moet vervolgens het onderzoek van verweerder naar de door de vreemdeling aangedragen relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er gezinsleven bestaat, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
Eiseres voert aan dat tussen haar en referente sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM omdat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Er is volgens eiseres sprake van een periode van samenwonen met referente in Nederland en Turkije van ten minste acht jaar. Zij is financieel afhankelijk van referente en verder maken de hoge leeftijd van eiseres en haar medische situatie dat zij zorg en begeleiding van referente nodig heeft. Die zorg kan alleen door referente worden verleend, nu eiseres niet kan terugvallen op andere familieleden in Turkije en haar man in 2018 al is overleden. Daarbij kampt referente zelf ook met medische klachten, waarvoor zij steun ontvangt van eiseres. Eiseres verwijst ter onderbouwing van de bijkomende elementen van afhankelijkheid naar diverse stukken, waaronder verklaringen van onder meer de gemeente waar eiseres in Turkije woont, haar andere dochter uit Turkije en de Turkse thuiszorg commissie.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit alle door eiseres in bezwaar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat sprake is van een hechte (emotionele) band zoals ook blijkt uit de door eiseres overgelegde foto’s. Daarvan heeft verweerder echter kunnen stellen dat dit op zichzelf niet voldoende is om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft verder betrokken dat eiseres en referente tot aan het vertrek van referente naar Nederland in oktober 1997 niet hebben samengewoond. Zoals onder 7.2 is aangegeven, blijkt uit de afgelegde verklaringen ook niet dat sinds het overlijden van eiseres’ man in 2018 eiseres en referente wel continu feitelijk samenwoonden. De adresregistratie in Turkije waarnaar eiseres verwijst ziet op de periode tussen 19 maart 2026 en 18 april 2026 en is daarmee geen voldoende onderbouwing voor de stelling dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van langdurig samenwonen. Ten aanzien van de medische situatie van eiseres heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiseres haar gezondheidstoestand onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Dat de gezondheid van eiseres – zeker gelet op haar leeftijd – broos is, is op zichzelf geen onderbouwing van het standpunt dat zij in medisch opzicht volledig afhankelijk is van de verzorging door bijvoorbeeld een familielid. Uit de overgelegde medische stukken die betrekking hebben op de periode ten tijde van het bestreden besluit kan dat ook niet worden afgeleid. Verweerder heeft in dat verband kunnen betrekken dat uit de afgelegde verklaringen blijkt dat eiseres zich ook zonder de zorg van referente kon redden en dat zij – bijvoorbeeld bij het doen van boodschappen en schoonmaken – hulp kreeg van haar buren. Dat het voor eiseres fijner is dat referente haar helpt en het voor eiseres en referente fijner is om niet steeds te hoeven reizen als de visumduur afloopt, maakt dat niet anders. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat er nog een dochter in Turkije woont met wie eiseres het contact niet formeel heeft verbroken en waarvan niet is aangetoond dat zij de zorg – voor zover noodzakelijk – niet zou kunnen verlenen. Dat zij die zorg liever niet wil geven, zoals blijkt uit haar verklaring, is daarvoor niet voldoende. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat referente voor haar eigen (mentale) gezondheid afhankelijk is van eiseres, heeft verweerder kunnen overwegen dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat referente voor haar functioneren afhankelijk is van haar moeder. Verweerder heeft verder betrokken dat niet is gebleken dat eiseres in financiële zin afhankelijk is van referente (zie onder 7.2), waarbij verweerder zich ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat – als dit wel zou zijn aangetoond – eiseres deze financiële steun ook kan ontvangen als zij niet in Nederland woont. Verweerder heeft verder gewicht toegekend aan het feit dat eiseres al haar gehele leven in Turkije woont en daardoor een sterke band heeft met Turkije. In Nederland heeft zij geen banden, behalve haar band met referente.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich bij de weging van voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hieruit geen bijkomende elementen van afhankelijkheid volgen en dat er dus geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referente. In zoverre is sprake van een andere situatie dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak waarin die afweging onvoldoende was gemotiveerd. Verweerder heeft bij gebrek aan beschermingswaardig gezinsleven terecht geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM gemaakt.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overig
9. Het betoog van eiseres dat het niet aannemen van beschermingswaardig gezinsleven in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, is verder niet onderbouwd anders dan dat de afhankelijkheid tussen eiseres en referente onvoldoende is meegewogen. De rechtbank overweegt dat uit 8.2. volgt dat verweerder alle feiten en omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd, heeft meegewogen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag voor een mvv voor eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.