RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7805
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
3. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend. Eiser stelde toen te zijn geboren op [geboortedag 1] 2011. Na het uitvoeren van een schouw is de minister tot de conclusie gekomen dat eiser evident meerderjarig is en heeft hij de geboortedatum aangepast naar, zoals ook in de huidige procedure is aangehouden, [geboortedag 2] 2007. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gestelde leeftijd destijds een geboorteakte en een certificaat van identiteit overgelegd. Bureau Documenten heeft die documenten beoordeeld met een neutraal advies, wat betekent dat er geen uitspraak gedaan kon worden over de echtheid, opmaak en inhoud. De minister heeft de nationaliteit en herkomst van eiser wel geloofwaardig geacht, maar de identiteit niet. Eiser legde verder aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij afkomstig is uit Barawe en daar problemen heeft ondervonden met Al-Shabaab. Deze problemen zijn door de minister niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft destijds beroep ingesteld tegen het besluit van de minister, wat op 2 september 2025 door deze rechtbank ongegrond is verklaard. De eerdere afwijzing van de asielaanvraag staat met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 september 2025 in rechte vast.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft een opvolgende aanvraag ingediend. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij nieuwe documenten heeft verkregen die zijn identiteit alsnog onderbouwen, namelijk een paspoort wat is afgegeven door de Somalische autoriteiten. Uit dat paspoort – dat door Bureau Documenten ‘echt’ is bevonden – volgt dat eiser is geboren op [geboortedag 3] 2008. Eiser stelt dat hij ten tijde van zijn eerste aanvraag, maar ook ten tijde van zijn opvolgende aanvraag, minderjarig was. Eiser heeft ook aangegeven een kopie van een geboortecertificaat te hebben. Eiser geeft verder aan nog steeds te vrezen voor Al-Shabaab, vanwege enerzijds zijn persoonlijke problemen met hen en anderzijds de mate van willekeurig geweld in het gebied waar eiser vandaan komt.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser inhoudelijk in behandeling genomen. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen met Al-Shabaab.
De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar vindt de identiteit en de problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig. Op wat de rechtbank oordeelt over deze asielmotieven gaat zij hieronder nader in.
Welk recht?
6. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het herhalen en inlassen van de zienswijze
7. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn gronden van beroep de zienswijze letterlijk heeft herhaald. Het enkele herhalen en inlassen van de zienswijze zonder in te gaan op de vraag waarom de minister daar in het bestreden besluit onvoldoende op zou zijn ingegaan is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als beroepsgrond waarop de rechtbank moet beslissen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister in het bestreden besluit volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank beperkt zich in deze uitspraak daarom tot de beroepsgronden die tegen het bestreden besluit zijn gericht en heeft dat op zitting ook zo met eiser besproken.
Is het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
Vier-ogen principe
8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu één en dezelfde medewerker zowel het gehoor heeft afgenomen, als het voornemen en het bestreden besluit heeft opgesteld. De rechtspraak waar volgens de minister uit zou volgen dat dit het besluit niet onzorgvuldig maakt, is in dit geval niet van toepassing, aldus eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de minister terecht in het bestreden besluit heeft opgenomen, volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat de door de minister gehanteerde werkwijze, waarbij één zaaksverantwoordelijke zowel het gehoor afneemt, het voornemen uitbrengt en een beslissing neemt op de aanvraag, niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat die rechtspraak niet van toepassing zou zijn, volgt de rechtbank niet. Hoewel de minister blijkens die uitspraak in die procedure bij de Afdeling een aantal manieren heeft genoemd waarop collegiaal overleg plaats kan vinden, volgt uit de uitspraak niet dat dat overleg ook in elke zaak op die wijze plaats moet vinden om te voldoen aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat dergelijk overleg niet in de zaak van eiser heeft plaatsgevonden, maakt dus niet dat alleen al daarom moet worden geoordeeld dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid omdat één zaaksverantwoordelijke vrijwel de gehele (inhoudelijke) aanvraag heeft behandeld.
Heeft het gehoor zorgvuldig plaatsgevonden?
9. Eiser betoogt dat het gehoor onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat bij het horen geen rekening is gehouden met het feit dat eiser minderjarig en analfabeet is.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft desgevraagd niet uitgelegd op welke manier tijdens het gehoor rekening gehouden had moeten worden met het feit dat hij analfabeet is. Op voorhand valt ook niet in te zien welk verband er bestaat tussen bijvoorbeeld de feitelijke vragen over de gang van zaken inzake het verkrijgen van het paspoort en analfabetisme. Eiser heeft dat op zitting ook niet toegelicht, anders dan dat hij er weinig over kan vertellen, omdat hij analfabeet is. Eiser heeft ook niet toegelicht op welke punten hij dan anders of meer had willen of kunnen verklaren. Hieronder gaat de rechtbank nog in op de vraag of eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is. Gelet op dat oordeel (onder 10.1 en 10.2.) heeft de minister eiser terecht niet gehoord als minderjarige.
Heeft eiser zijn identiteit voldoende aannemelijk gemaakt?
10. Eiser betoogt dat hij zijn identiteit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Door hem zijn tijdens de vorige asielprocedure weliswaar documenten met een andere geboortedatum overgelegd, maar deze documenten zijn destijds door Bureau Documenten van een neutraal advies voorzien, zodat daaraan geen waarde kan worden gehecht, aldus eiser. Het document (paspoort) dat eiser nu heeft overgelegd is echt bevonden en bevestigt dus wel degelijk zijn identiteit. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2026.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de minister normaal gesproken een authentiek bevonden document niet zomaar terzijde mag schuiven. Dat kan anders zijn als er twijfel is over de inhoudelijke juistheid van dat document. Die situatie doet zich in deze zaak voor. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. De minister heeft er allereerst terecht op gewezen dat uit het beleid volgt dat Somalische paspoorten niet worden erkend, zolang er geen internationaal erkend gezag is in Somalië. Verder volgt uit landeninformatie dat in Somalië geen betrouwbare persoonsregistratie van overheidswege bestaat en dat met behulp van informele regelaars (fixers) identiteitsdocumenten geregeld kunnen worden. Reeds daarom kan aan het door eiser overgelegde paspoort niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. In aanvulling daarop wijst de rechtbank erop dat ook eiser zelf heeft toegelicht dat er geen betrouwbare leeftijdsregistratie is in Somalië. Ook om die reden kan niet worden uitgegaan van de in het paspoort vermeldde leeftijd. Uit het rapport van Bureau Documenten volgt verder weliswaar dat het paspoort echt is, maar wordt ook opgemerkt dat geen uitspraken kunnen worden gedaan over de inhoud van dat document. De in het paspoort opgenomen geboortedatum is zo’n inhoudelijk aspect waar Bureau Documenten geen uitspraak over heeft kunnen doen. Uit het feit dat het paspoort echt is bevonden, kan dus niet zonder meer worden afgeleid dat de geboortedatum die daarin staat ook de juiste is. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over het bestaan van het paspoort. Eiser heeft namelijk eerst verklaard nooit een paspoort te hebben gehad, maar overlegt in de huidige procedure een echt bevonden paspoort dat al is afgegeven in februari 2021. Dit paspoort is dus al afgegeven vóór zijn verklaringen in het aanmeldgehoor, waarin hij verklaart dat hij nooit een paspoort met zijn persoonsgegevens heeft gehad.
Ook de overgelegde geboorteakte en certificaat van identiteit leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in de vorige procedure ook een (originele) geboorteakte en certificaat van identiteit heeft overgelegd, maar dan met de geboortedatum van [geboortedag 1] 2011. Beide documenten zijn destijds beoordeeld door Bureau Documenten met een neutraal advies. In de huidige procedure heeft eiser wederom een geboorteakte en certificaat van identiteit overgelegd, maar nu met de geboortedatum van [geboortedag 3] 2008. Het valt de rechtbank op dat alle documenten zijn afgegeven binnen enkele maanden van elkaar, maar wel door verschillende instanties. De geboorteakte en certificaat van identiteit (met de geboortedatum [geboortedag 1] 2011) zijn afgegeven door de burgemeester van Barawe, waar eiser ook vandaan komt. De in de huidige procedure overgelegde geboorteakte en certificaat van identiteit (met de geboortedatum [geboortedag 3] 2008) zijn echter afgegeven door de burgemeester van Mogadishu, wat een hele andere regio is. Naast het gegeven dat in korte tijd door verschillende instanties documenten zijn afgegeven met verschillende geboortedata, valt ook op dat het identiteitsnummer op beide certificaten van identiteit niet met elkaar overeen komt. Eiser heeft over dit alles tijdens de zitting geen verklaring kunnen geven. Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven dat de geboorteakte en certificaat van identiteit die hij in de vorige procedure heeft overgelegd (met de geboortedatum van [geboortedag 1] 2011) gefalsifieerd zijn. Niet valt in te zien waarom dan van (de inhoud van) de in deze procedure overgelegde documenten moet worden uitgegaan. De rechtbank overweegt tot slot dat de uitspraak van de Afdeling waar eiser naar verwijst het voorgaande niet anders maakt, omdat die uitspraak gaat over een wezenlijk andere situatie. In die uitspraak was namelijk – kort samengevat – aan de orde de vraag of een opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk mocht worden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen of bevindingen, terwijl aan die aanvraag een nieuwe geboorteakte ten grondslag was gelegd. Die situatie is hier niet aan de orde.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
11. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn afkomst uit Barawe. Gelet op het rapport van het European Union Agency for Asylum (EUAA) van oktober 2025 kan de minister niet langer uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser stelt dat het beleid van de minister is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is, zoals Barawe, een verblijfsvergunning asiel krijgen. Dat geldt ook voor vreemdelingen die over land naar hun herkomstgebied moeten reizen en daarbij door een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is reizen. Eiser is verder Tunni, een minderheidsgroep, en verwacht ook om die reden problemen te zullen ondervinden bij terugkeer naar Somalië.
Door eiser en de minister is in de besluitvormings- en de beroepsfase steeds verwezen naar het rapport van het EUAA van april 2025 over de veiligheidssituatie in Somalië. Op zitting is met partijen besproken dat er inmiddels een actueler rapport is, namelijk het rapport van mei 2026. Relevante passages uit dit rapport zijn op zitting aan partijen getoond en met partijen besproken. De rechtbank gebruikt daarom voor haar oordeel de meest recente (actuele) informatie zoals blijkt uit het EUAA rapport van mei 2026.
Op zitting is onderstaande kaart aan partijen getoond. Daaruit volgt dat Barawe, waar eiser vandaan komt, weliswaar omringd is door Al-Shabaab gebied, maar zelf onder controle staat van de ‘Federal Aligned coaliton’ (FGS) en niet van Al-Shabaab. Dat volgt ook uit pagina 53 van het EUAA-rapport, waar staat dat een aantal dorpen, waaronder Barawe (in het rapport geschreven als: Baraawe) onder controle staan van de FGS. Naar aanleiding hiervan is, zoals tijdens de zitting is gebleken, niet langer in geschil dat de FGS (en niet Al-Shabaab) aan de macht is in Barawe. Dat Al-Shabaab wel significante invloed zou hebben in Barawe, zoals eiser op de zitting tijdens het bespreken van voornoemd EUAA-rapport naar voren heeft gebracht, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dat standpunt namelijk niet met (actuele) stukken onderbouwd. Uit pagina 53 van het EUAA-rapport van mei 2026 volgt daarentegen dat sinds maart 2026 de FGS-posities in Barawe zijn versterkt.
De rechtbank is er mee bekend dat de vraag of een vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in de regel wordt beoordeeld op het niveau van een provincie. Dat is voor Somalië – behoudens Mogadishu – niet anders. Aangezien uit de landeninformatie echter volgt dat Barawe een duidelijk afgebakende en afwijkende positie inneemt binnen de (forse) provincie Lower Shabelle acht de rechtbank het gerechtvaardigd om de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen op het niveau van de stad Barawe. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het arrest Diakité van het Hof van Justitie van 30 januari 2014 waarin het Hof heeft geoordeeld dat de beoordeling in voorkomende gevallen kan plaatsvinden op het niveau van het betrokken gebied. Gelet op hetgeen is overwogen onder 11.2 ziet de rechtbank geen grond voor de conclusie dat de minister niet van een lager niveau van willekeurig geweld heeft mogen uitgaan.
Ook indien wel wordt uitgegaan van een beoordeling op het niveau van de provincie Lower Shabelle en als op grond van het EUAA-rapport van oktober 2025 moet worden aangenomen dat in Lower Shabelle sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. Zoals uit de kaart hierboven blijkt, staat een groot deel van Lower Shabelle onder de controle van Al-Shabaab, zodat het verklaarbaar is dat voor die provincie een hoger niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. Dat is echter niet representatief voor Barawe – de herkomstplaats van eiser –, omdat Barawe onder controle van de FGS staat. Eiser is er verder niet in geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen waarom juist hij een risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld bij terugkeer naar Barawe. Eiser heeft desgevraagd op zitting aangegeven dat er geen andere omstandigheden zijn dan de problemen die hij stelt te hebben ondervonden met Al-Shabaab. De minister heeft die problemen echter – in de vorige procedure al – niet geloofwaardig geacht. De ongeloofwaardigheid van die problemen staat in rechte vast en eiser heeft daarover in deze procedure niets nieuws naar voren gebracht. De rechtbank merkt tot slot op dat eiser om in zijn herkomstgebied te geraken niet over land hoeft te reizen door gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab. Eiser heeft namelijk verklaard op de heenweg gebruik te hebben gemaakt van een bootverbinding tussen Barawe en Mogadishu. Niet valt in te zien dat eiser op de terugweg niet via diezelfde route zou kunnen reizen. Eiser heeft dat niet gemotiveerd betwist.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij vanwege het behoren tot de minderheidsgroep van de Tunni bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, overweegt de rechtbank dat eiser zelf heeft verklaard dat hij als Tunni geen problemen heeft ondervonden in Somalië. Niet valt in te zien waarom dat nu wel het geval zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.