Rechtbank den haag
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708351 / KG ZA 26-753
Vonnis in kort geding van 10 augustus 2026
in de zaak van
INDIGO OMGEVING B.V. te Delfgauw,
eiseres,
advocaat mr. V.W.J.H. Kobossen te Nijmegen,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. A.C.M. Remmé en mr. I. van der Hoeven te Den Haag,
waarin is tussengekomen:
VERGUNNINGVERLENING.NL te Edam,
advocaat mr. A.F. de Jong.
Partijen worden hierna ‘Indigo’, ‘de Staat’ en ‘Vergunningverlening.nl’ genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juli 2026, met producties 1 tot en met 10;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van Vergunningverlening.nl;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4.
De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 27 juli 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. Het incident tot tussenkomst althans voeging
Vergunningverlening.nl heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Indigo en de Staat dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Tijdens de zitting heeft Indigo zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter en de Staat heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Vergunningverlening.nl is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.
3. De feiten
Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De Staat heeft begin 2026 een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de “Landelijke uitbesteding Vergunningverlening” (hierna: de opdracht). De Staat heeft zelf vergunningverleners in dienst, maar besteedt deze werkzaamheden ook uit, bijvoorbeeld in het geval van pieken. Op de aanbesteding is het Aanbestedingsreglement Werken 2016 (ARW 2016) van toepassing verklaard.
De procedure voor de aanbesteding is beschreven in de aanbestedingsleidraad (hierna: de leidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder een vraagspecificatie. Ook heeft de Staat een nota van inlichtingen gepubliceerd.
De opdracht bestaat uit twee percelen. Perceel 1 betreft “Waterkwaliteit”, waarbij het met name gaat om de vergunningverlening voor lozingen. Perceel 2 betreft “Besluiten, meldingen, adviezen + instemming” en gaat over alle besluiten die onder de Omgevingswet, Scheepvaartverkeerswet en Wegenverkeerswet door Rijkswaterstaat worden genomen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is om voor beide percelen een raamovereenkomst te sluiten voor een periode van drie jaar met een optie tot verlenging met maximaal één jaar. Voor perceel 1 wil de Staat een raamovereenkomst aangaan met één opdrachtnemer, voor perceel 2 met drie opdrachtnemers. Beide percelen worden gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding.
In het antwoord op vraag 29 van de Nota van Inlichtingen staat het volgende over de beoordeling van de inschrijvingen:
“De beoordeling wordt uitgevoerd door twee teams, één per perceel. De leden van deze teams vormen een vertegenwoordiging van de 7 regionale afdelingen.
(…)”
Indigo heeft op beide percelen ingeschreven. Op 21 april 2026 heeft de Staat aan Indigo meegedeeld dat haar inschrijving op beide percelen niet is gekwalificeerd als (één van) de inschrijving(en) met de beste prijs-kwaliteitverhouding.
Op 1 mei 2026 heeft Indigo een klacht ingediend over de beoordeling van haar inschrijving op perceel 2.
Op 7 mei 2026 heeft de advocaat van Indigo in een e-mail aan de Staat bericht dat Indigo nog geen reactie op haar klacht heeft ontvangen en dat zij voornemens is om een kort geding te starten als de Staat de besluitvorming niet terugdraait.
In een e-mailbericht van 12 mei 2026 heeft de Staat aan de advocaat van Indigo laten weten dat Indigo na verzending van de beslissing op de klacht (per e-mail) nog vijf dagen de tijd heeft om eventueel een kort geding aanhangig te maken.
In een op 30 juni 2026 ondertekende brief (gedateerd op 22 juni 2026) heeft de Staat aan Indigo bericht dat haar klacht is voorgelegd aan een onafhankelijke klachtbehandelaar. In deze brief heeft de Staat de bevindingen van de klachtbehandelaar per klachtonderdeel vermeld en geconcludeerd dat de klacht van Indigo ongegrond is.
Op 6 juli 2026 heeft Indigo de Staat in kort geding gedagvaard.
4. Het geschil
Indigo vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. gelast dat een nieuw gunningsbesluit moet worden genomen inhoudende dat Indigo alsnog in aanmerking komt voor het sluiten van de overeenkomst, althans dat de Staat een daartoe strekkend besluit alsnog moet nemen;
II. gelast dat de Staat moet komen tot een herbeoordeling van de inschrijving van Indigo;
III. die maatregelen treft die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht;
IV. de Staat veroordeelt in de proceskosten.
Indigo legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de Staat haar inschrijving onjuist heeft beoordeeld dat de Staat haar bovendien geen effectieve mogelijkheid tot rechtsbescherming heeft geboden.
De Staat en Vergunningverlening.nl voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Vergunningverlening.nl vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter de Staat verbiedt om Vergunningverlening.nl te passeren voor de gunning van de raamovereenkomst, voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen.
Kort samengevat stelt Vergunningverlening.nl dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Indigo, omdat die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.
Voor zover nodig zullen de standpunten van Indigo en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Vergunningverlening.nl hierna worden besproken.
5. De beoordeling van het geschil
Indigo stelt zich op het standpunt dat de Staat haar inschrijving op perceel 2 onjuist heeft beoordeeld. Indigo heeft voor beide percelen een (bijna) identieke inschrijving ingediend voor het onderdeel ‘Continuïteit kwaliteit’, maar kreeg daarvoor bij perceel 2 een lagere score dan bij perceel 1. Bij perceel 1 heeft Indigo met haar inschrijving op dit punt een ‘1’ gescoord, terwijl zij bij perceel 2 een score ‘0’ heeft gekregen. Indigo betoogt dat het anders beoordelen van identieke inschrijvingen niet is toegestaan en dat de Staat de beginselen van gelijkheid en transparantie heeft geschonden. De Staat heeft niet toegelicht waar het verschil tussen beide beoordelingen vandaan komt en daarmee is de beoordeling van perceel 2 volgens Indigo onrechtmatig, niet objectief en niet gemotiveerd.
Daarnaast vindt Indigo dat de Staat haar geen effectieve rechtsbescherming heeft geboden. Indigo heeft geen vragen over de gunningsbeslissing aan de Staat kunnen stellen omdat een afspraak voor overleg door de Staat is afgezegd en na de afhandeling van haar klacht Indigo nog maar een paar dagen had om een rechtsmiddel in te stellen tegen de gunningsbeslissing. Volgens Indigo was het voor haar te kort dag om een goede afweging te kunnen maken over het (al dan niet) starten van kort gedingprocedure. Daarmee heeft de Staat volgens Indigo in strijd gehandeld met het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Dat alles maakt volgens Indigo dat de gunningsbeslissing niet in stand kan blijven en dat alle inschrijvingen op perceel 2 opnieuw moeten worden beoordeeld door een nieuwe beoordelingscommissie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen van Indigo niet kunnen worden toegewezen en licht dat oordeel hieronder toe.
Tussen partijen is niet in geschil dat in deze aanbestedingsprocedure verschillende diensten worden uitgevraagd: perceel 1 betreft de vergunningverlening van lozingen en perceel 2 ziet op besluiten onder de Omgevingswet, Scheepvaartverkeerswet en Wegenverkeerswet. De Staat heeft in zijn conclusie van antwoord uitgelegd dat er inhoudelijke verschillen bestaan tussen deze diensten. Hij heeft erop gewezen dat bij de uitvraag onderscheid is gemaakt tussen het meer specialistische werk (in perceel 1) en het ‘bulkwerk’ (in perceel 2). Perceel 1 bevat relatief weinig, maar langlopende trajecten, terwijl perceel 2 veel afhandelingen vereist in korte tijd. Ook heeft de Staat er, onder verwijzing naar de als bijlage J bij de leidraad opgenomen ‘vraagspecificatie’, op gewezen dat ook de effectieve werkzaamheden van aard verschillen en daarom een andere aanpak en inzet vergen. De Staat heeft vervolgens toegelicht dat de door Indigo in dit verband aangeboden collegiale toets (het ‘vier ogen-principe’) en de aanvullende toets door een jurist en handhaver voor beide percelen gedeeltelijk kan bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen, maar dat de beoordelaars erover twijfelen of die aangeboden maatregelen wel realistisch en haalbaar zijn voor perceel 2, waarbij bulkwerk wordt verwacht en de werkzaamheden meer onder druk staan.
Met deze uitgebreide toelichting, die Indigo onvoldoende heeft weersproken, heeft de Staat voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de inschrijving van Indigo op perceel 2 een lagere score heeft gekregen bij het onderdeel ‘Continuïteit kwaliteit’ dan bij perceel 1. De voorzieningenrechter vindt dat oordeel – mede gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die de beoordelaars hebben – niet onbegrijpelijk. Voor de gevorderde herbeoordeling is dus geen grond.
Ook het betoog over het gebrek aan overleg en de (te) korte termijn om op te komen tegen de gunningsbeslissing leidt niet tot toewijzing van de vordering. Tussen partijen is niet in geschil dat de geboden (zogenoemde Alcatel-)termijn gebruikelijk en passend is en ook nog met vijf dagen is verlengd. Het was Indigo bekend dat de termijn kort na de klachtafhandeling zou verlopen. Dat Indigo de beslissing op haar klacht en de uitkomst van geagendeerd overleg heeft afgewacht, en vervolgens bleek dat maar een paar werkdagen resteerden, kan zij de Staat niet tegenwerpen. Overigens valt ook niet in te zien in welk concreet belang Indigo is geschaad, aangezien zij tijdig een vordering heeft ingesteld.
Tijdens de zitting heeft Indigo nog als bezwaar tegen de gunningsbeslissing naar voren gebracht dat uit de conclusie van antwoord van de Staat blijkt dat de beoordelingsteams voor beide percelen uit zes leden bestonden, terwijl dat er volgens Indigo zeven hadden moeten zijn. De voorzieningenrechter volgt Indigo daarin niet. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, staat in het antwoord op vraag 29 van de Nota van Inlichtingen dat de leden van de twee beoordelingsteams een vertegenwoordiging vormen van de zeven regionale afdelingen. Daarmee is niet gezegd dat de teams (dus) uit zeven beoordelaars per team moeten bestaan.
De conclusie is dat Indigo niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beoordeling van de inschrijving van Indigo op perceel 2 ondeugdelijk is of dat er andere gronden bestaan voor de door Indigo gevorderde herbeoordeling. De vorderingen van Indigo zullen daarom worden afgewezen.
Omdat de Staat voornemens is de opdracht definitief te gunnen aan Vergunningverlening.nl, brengt deze beslissing mee dat Vergunningverlening.nl geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Vergunningverlening.nl zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Indigo in haar verhouding tot Vergunningverlening.nl worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Vergunningverlening.nl was immers te voorkomen dat de opdracht aan Indigo zou worden gegund, welk doel is bereikt. Indigo zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Vergunningverlening.nl. Verder zal Indigo, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van de Staat.
De proceskosten van zowel Vergunningverlening.nl als de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus verhoging bij betekening)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van Indigo af;
veroordeelt Vergunningverlening.nl voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;
veroordeelt Indigo in de overige proceskosten van zowel de Staat als Vergunningverlening.nl van ieder € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, waarbij geldt dat als Indigo niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, Indigo € 98,00 extra aan de betreffende partij moet betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt Indigo in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van Vergunningverlening.nl als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.
fjs