ECLI:NL:RBDHA:2026:25487

ECLI:NL:RBDHA:2026:25487

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer C/09/709396 / KG ZA 26-824
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. Het door gedaagden gelegde beslag is onrechtmatig gelegd en moet worden opgeheven.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/709396 / KG ZA 26-824

Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2] te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 3] te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat: mr. S.T.J. van der Weiden te Den Haag,

tegen:

1. [gedaagde 1] B.V. te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaten: mr. R.A.G. Lips en mr. I.C. van der Wiel te Den Haag,

waarin is tussengekomen aan de zijde van eisers:

[interveniënt] te [woonplaats 3] , [land] ,

advocaat: mr. C.A. Nagel te Voorburg.

Eisers worden hierna afzonderlijk ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [eiser 3] ’ genoemd en gezamenlijk ‘ [eisers] ’. Gedaagden worden hierna afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd en gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’. Interveniënt wordt hierna ‘ [interveniënt] ’ genoemd.

1. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende documenten:

- de dagvaarding van 21 juli 2026, met producties 1 tot en met 8;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst tevens conclusie van eis in tussenkomst van [interveniënt] van 23 juli 2026;

- de akte aanvulling producties van [gedaagden] van 27 juli 2026, met producties 1 en 2;

- de akte overlegging productie van [eisers] van 27 juli 2026, met aanvullende productie (abusievelijk genummerd 8).

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 28 juli 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2. Het incident tot tussenkomst

[interveniënt] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eisers] en [gedaagden] Tijdens de zitting hebben [eisers] en [gedaagden] verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [interveniënt] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, omdat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3. De feiten

Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eisers] zijn samen met [interveniënt] eigenaar van twee onroerende zaken, plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats] (kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 1] ) (hierna: [adres 1] ) en [adres 2] te [plaats] (kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 2] ) (hierna: [adres 2] ). De onderlinge eigendomsverhouding tussen [eisers] en [interveniënt] met betrekking tot deze onroerende zaken is als volgt:

i) [eiser 1] : 2/6e onverdeeld eigenaar;

ii) [eiser 2] : 2/6e onverdeeld eigenaar;

iii) [eiser 3] : 1/6e onverdeeld eigenaar; en

iv) [interveniënt] : 1/6e onverdeeld eigenaar.

[gedaagde 2] is voormalig partner van [interveniënt] . [gedaagde 1] is de financiële holdingmaatschappij van [gedaagde 2] .

Op 25 september 2025 hebben [gedaagden] verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank om conservatoir beslag te mogen leggen op – onder andere – verschillende onroerende zaken van [interveniënt] (althans het aan [interveniënt] toekomende aandeel daarin), waaronder die aan de [adres 1] en [adres 2] . De voorzieningenrechter heeft dat verlof diezelfde dag verleend.

Vervolgens heeft de deurwaarder diezelfde dag op verzoek van [gedaagden] beslag gelegd. In het proces-verbaal van beslaglegging staat onder andere het volgende:

“PROCES-VERBAAL VAN CONSERVATOIR BESLAG OP ONROERENDE ZAAK

(…)

Heden, de vijfentwintigste september tweeduizend vijfentwintig;

Heb ik, (…) gerechtsdeurwaarder (…);

uit kracht van een beschikking d.d. 25 september 2025 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag gegeven, houdende verlof aan verzoekers voornoemd tot het doen leggen van conservatoir beslag op nader te melden onroerende zaken, ten laste van [interveniënt] , (…), zulks naar aanleiding van een daartoe strekkend, door en namens verzoekers ingediend verzoekschrift;

IN CONSERVATOIR BESLAG GENOMEN:

de onroerende zaken, kadastraal bekend

(…)

7. [kadastraal kenmerk 2] , staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 2] ,

8. [kadastraal kenmerk 1] , staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 1] ,

(…)

welke onroerende zaken in eigendom toebehoren aan [interveniënt] voornoemd, geschiedende deze inbeslagneming tot zekerheid van verhaal voor de vordering van verzoekers, welke vordering bij voornoemde beschikking voorlopig is bepaald op € 3.012.500,00;

(…)

Op 29 juni 2026 hebben [eisers] en [interveniënt] de [adres 1] en [adres 2] aan een derde verkocht. Zij hebben met de koper afgesproken dat de akte van levering uiterlijk acht weken na doorhaling van het beslag zal worden gepasseerd en dat de koper de koopovereenkomst kan ontbinden als de doorhaling niet uiterlijk op 31 december 2026 heeft plaatsgevonden. De koopovereenkomst is ingeschreven in de openbare registers.

In een e-mail van 7 juli 2026 heeft de advocaat van [eisers] aan de advocaat van [gedaagden] bericht dat [gedaagden] conservatoir beslag hebben gelegd op de [adres 1] en [adres 2] , kennelijk voor gestelde aanspraken op [interveniënt] , terwijl [interveniënt] slechts eigenaar is van 1/6e onverdeeld aandeel van deze onroerende zaken en [eisers] niets met het geschil tussen [interveniënt] en [gedaagden] van doen hebben. De advocaat van [eisers] heeft [gedaagden] gesommeerd om het beslag binnen drie dagen kadastraal door te halen.

In reactie daarop heeft de advocaat van [gedaagden] op 8 juli 2026 namens hen bericht dat verlof is verzocht en verleend voor het leggen van beslag op (alleen) het aan [interveniënt] toekomende deel van het onroerend goed. De advocaat van [gedaagden] heeft verder bericht dat de deurwaarder dat niet nader heeft gespecificeerd in het proces-verbaal, hetgeen wellicht onhandig is, maar het verlof op zichzelf niet ongeldig maakt. Verder heeft de advocaat meegedeeld dat de deurwaarder is verzocht om de omissie met spoed te herstellen c.q. te verduidelijken en dat doorhaling van het beslag niet nodig zal zijn.

Op 8 juli 2026 heeft de deurwaarder een proces-verbaal van rectificatie opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers. In dit proces-verbaal staat onder andere het volgende:

“GEDEELTELIJKE RECTIFICATIE

VAN HET CONSERVATOIR BESLAG OP ONROERENDE ZAAK

(…)

Heden, (…)

Heb ik, (…) gerechtsdeurwaarder (…);

(GEDEELTELIJK) GERECTIFICEERD:

het bij proces-verbaal d.d. 25 september 2025 (….) op verzoek van rekwiranten en ten laste van [interveniënt] (…) gelegde beslag(en) (…) waarbij conservatoir beslag is gelegd op de navolgende onroerende zaken:

(…)

dat gebleken is dat gerekwireerde voornoemd ten aanzien van de navolgende twee percelen slechts voor 1/6 onverdeeld aandeel eigenaar is:

1. de onroerende zaak, kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 2] , staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 2] ,

2. de onroerende zaak, kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 1] , staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 1] ,

dat mitsdien, het gelegde beslag ten aanzien van deze twee percelen wordt gerectificeerd en dat ten aanzien van deze twee percelen in het proces-verbaal van beslaglegging dient te worden gelezen:

1. het onverdeeld 1/6 aandeel in de onroerende zaak, kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 2] , staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 2] ,

2. het onverdeeld 1/6 aandeel in de onroerende zaak, kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 1] , staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 1] ,

met nadrukkelijke aanzegging dat het gelegde beslag ten aanzien van deze overige percelen geheel en volledig gehandhaafd blijft ;

Voorts machtig ik, (toegevoegd) gerechtsdeurwaarder, de hypotheekbewaarder tot de

(GEDEELTELIJKE) RECTIFICATIE

van het hiervoor gerelateerde beslag voor zover hierboven omschreven, met nadrukkelijke aanzegging dat het gelegde beslag ten aanzien van deze overige percelen geheel en volledig gehandhaafd blijft;

(…)

4. Het geschil

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis het namens hen gelegde conservatoire beslag op te heffen en door te halen:

a) het op 25 september 2025 ingeschreven ‘proces-verbaal van conservatoir beslag op onroerende zaak’ (Hyp 3, deelnummer [nummer 1]) met betrekking tot de onroerende zaken plaatselijk bekend [adres 1] en [adres 2] te [plaats] , kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 2] en [kadastraal kenmerk 1] ;

b) het op 8 juli 2026 ingeschreven exploot ‘gedeeltelijke rectificatie van het conservatoir beslag op onroerende zaak’ (Hyp 3, deelnummer [nummer 2])’;

II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat niet of niet volledig aan de onder I. uitgesproken veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 1.000.000,- is bereikt;

III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

[eisers] leggen aan hun vordering, samengevat, ten grondslag dat [gedaagden] ten onrechte beslag hebben gelegd op hun (5/6e onverdeeld) aandeel in de eigendom van de [adres 1] en [adres 2] . [gedaagden] hebben beslag gelegd op de volledige eigendom van de [adres 2] en [adres 2] , terwijl zij slechts verlof hebben verkregen om het (1/6e onverdeeld) aandeel van [interveniënt] in de eigendom van de [adres 1] en [adres 2] te mogen beslaan. Het beslag is dus onrechtmatig gelegd en moet zo snel mogelijk worden opgeheven. [eisers] hebben ook een spoedeisend belang bij die opheffing, omdat zij de [adres 1] en [adres 2] uiterlijk op 31 december 2026 vrij van beslagen aan de koper moeten leveren.

[gedaagden] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

[interveniënt] heeft een zelfstandige vordering tot opheffing en doorhaling van het beslag ingesteld. Deze vordering is identiek aan de vordering van [eisers] (zoals weergegeven onder 4.1). Ook [interveniënt] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het door [gedaagden] gelegde beslag onrechtmatig is gelegd en zo snel mogelijk moet worden opgeheven.

Voor zover nodig zullen de standpunten van [gedaagden] met betrekking tot de vordering van [interveniënt] hierna worden besproken.

5. De beoordeling van het geschil

[eisers] en [interveniënt] vorderen dat de voorzieningenrechter [gedaagden] veroordeelt om het door hen gelegde conservatoire beslag op de [adres 1] en [adres 2] op te heffen.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dat betekent dat het op de weg van [eisers] en [interveniënt] ligt om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door [gedaagden] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het door [gedaagden] gelegde beslag onrechtmatig is gelegd en dat het beslag moet worden opgeheven. Dat oordeel wordt hieronder uitgelegd.

Partijen zijn verdeeld over de vraag op welk beslagobject [gedaagden] nu precies beslag hebben gelegd. Volgens [eisers] en [interveniënt] hebben [gedaagden] de volledige eigendom van de [adres 1] en [adres 2] beslagen en daarmee (dus) ook het aandeel van [eisers] in dat eigendom. [gedaagden] zijn het daar niet mee eens: volgens hen rust het beslag alleen op het onverdeeld aandeel van [interveniënt] in de eigendom van de [adres 1] en [adres 2] .

Voor het antwoord op de vraag op welk object beslag is gelegd, is volgens vaste jurisprudentie bepalend wat daarover in het proces-verbaal van beslaglegging is vermeld. Uitgangspunt is namelijk dat bij het leggen van beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0805, r.o. 3.3 onder 3). Anders dan [gedaagden] betogen, komt aan de inhoud van het beslagrekest en het verleende verlof in dit verband dus geen betekenis toe. Deze stukken worden – anders dan het proces-verbaal van beslaglegging – namelijk niet in de openbare registers ingeschreven, zodat deze niet kenbaar zijn voor derden.

Het proces-verbaal van beslaglegging vermeldt dat de deurwaarder ten laste van [interveniënt] de onroerende zaken aan (onder andere) de [adres 1] en [adres 2] in beslag heeft genomen die “in eigendom toebehoren aan” [interveniënt] . Daarin staat niet dat (slechts) het (1/6e) onverdeeld aandeel van [interveniënt] in deze onroerende zaken in beslag is genomen. De voorzieningenrechter kan uit het proces-verbaal van beslaglegging daarom niet anders afleiden dan dat beslag is gelegd op de volledige eigendom van de [adres 1] en [adres 2] . Dat wordt ook bevestigd door de inhoud van het kadastrale uittreksel van 2 juli 2026 dat [eisers] hebben overgelegd.

[gedaagden] menen dat de deurwaarder met het op 8 juli 2026 uitgebrachte proces-verbaal van rectificatie heeft kunnen verduidelijken dat slechts het onverdeeld aandeel van [interveniënt] in de eigendom is beslagen. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit niet kan.

Daarbij is van belang dat de volledige eigendom op een goed een vermogensrecht van andere aard is dan een aandeel in een onverdeelde gemeenschap (zie het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0805, r.o. 3.3 onder 1). De rectificatie komt daarom neer op een wijziging in beslagen object. Volgens het al genoemde arrest van 30 maart 2001 kan een beslag dat volgens het proces-verbaal van beslaglegging is gelegd op een niet aan de schuldenaar toekomend recht (hier: de volledige eigendom van de [adres 1] en [adres 2] ) niet worden gewijzigd in een beslag op een wel aan de schuldenaar toekomend recht (hier: het 1/6 aandeel van [interveniënt] in de onverdeelde gemeenschap waarin de eigendom van de [adres 1] en [adres 2] zich bevindt).

Het door [gedaagden] gelegde beslag rust dus op de volledige eigendom van de [adres 1] en [adres 2] en daarmee ook op het (5/6e) onverdeeld aandeel van [eisers] in die eigendom. Vast staat dat [gedaagden] alleen verlof hebben gevraagd en verkregen om beslag te mogen leggen op het onverdeeld aandeel van [interveniënt] in die eigendom. Het beslag is dus in strijd met het beslagverlof gelegd, op een vermogensrecht van partijen die niets van doen hebben met de vordering waarvoor beslag is gelegd. Het beslag is dus onrechtmatig gelegd en moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter zal het beslag op de [adres 1] en [adres 2] bij dit vonnis opheffen. Met dit vonnis kunnen [eisers] het beslag (en ook het door de deurwaarder uitgebrachte proces-verbaal van rectificatie) vervolgens zelf laten doorhalen, zodat zij geen belang hebben bij de gevorderde veroordeling van [gedaagden] daartoe. Dat deel van de vordering, inclusief de daaraan gekoppelde dwangsommen, zal daarom worden afgewezen.

[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisers] en [interveniënt] betalen.

De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 303,88 (€ 125,57 en € 26,37 (21% btw) x 2)

- griffierecht € 341,-

- salaris advocaat € 1.177,-

- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 2.010,88

De proceskosten van [interveniënt] worden begroot op:

- griffierecht € 341,-

- salaris advocaat € 1.177,-

- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.707,-

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

heft de door [gedaagden] uit hoofde van het verlof van 25 september 2025 gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaken plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats] (kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 1] ) en [adres 2] te [plaats] (kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 2] ) op;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van [eisers] van € 2.101,88, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] € 98,- extra aan [eisers] betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van [interveniënt] van € 1.707,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] € 98,- extra aan [interveniënt] betalen, plus de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

fjs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand