Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708843 / KG ZA 26-781
Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1],
eiser,
advocaat mr. S. de Goede,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. J. Perenboom.
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘de Staat’ genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende documenten:
- de dagvaarding van 31 juli 2026, met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7;
- de aanvullende producties 7 en 8 van [eiser].
De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 5 augustus 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht. [eiser] heeft dat mede gedaan aan de hand van (overlegde) spreekaantekeningen. Ook hebben partijen vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De feiten
Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is op 3 november 2022 veroordeeld door het Landgericht [plaats 2] in [land] tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar wegens betrokkenheid bij het invoeren dan wel handelen in drugs (XTC). De tenuitvoerlegging van zijn straf is overeenkomstig de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: Wets) per 14 december 2023 overgedragen aan Nederland.
Op 27 mei 2025 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend. Daarin heeft hij verzocht om gratie ten aanzien van het resterende deel van zijn gevangenisstraf en om zijn straf op grond van artikel 6:2:4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te schorsen in afwachting van de beslissing op het gratieverzoek. [eiser] heeft aan het gratieverzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat als hij zijn gevangenisstraf in [land] verder had ondergaan, aan hem inmiddels voorlopige invrijheidsstelling (hierna: vi) zou zijn verleend. Volgens [eiser] had hij in [land] in aanmerking kunnen komen voor een zogenoemde halbstrafe: een rechterlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de gevangenisstraf, nadat de helft van de gevangenisstraf is ondergaan. Ook heeft [eiser] aan zijn gratieverzoek ten grondslag gelegd dat de tenuitvoerlegging van zijn straf geen redelijk doel meer dient.
Bij beslissing van 25 juli 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) besloten om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] te schorsen, in afwachting van een beslissing op zijn gratieverzoek. [eiser] is een dag later, op 26 juli 2025, in vrijheid gesteld.
Het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft op 6 oktober 2025 geadviseerd om het gratieverzoek af te wijzen. Volgens het OM staat niet met grote waarschijnlijkheid vast dat in [land] aan [eiser] vi zou zijn verleend op de helft van de straf, omdat de [landelijk(e)] autoriteiten bij de strafoverdracht aan Nederland hebben gemeld dat [eiser] volgens de [landelijk(e)] wet geen aanspraak kan maken op deze halbstrafe. Het OM gaat ervan uit dat de reguliere [landelijk(e)] vi-regeling op [eiser] van toepassing is en dat hij in [land] na twee derde deel van zijn gevangenisstraf te hebben uitgezeten in aanmerking zou komen voor vi. Daarnaast bieden (ook) de persoonlijke omstandigheden van [eiser] volgens het OM onvoldoende grond voor gratie.
De penitentiaire kamer van het gerechtshof [plaats 3]-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft op 24 maart 2026 geadviseerd tot gedeeltelijke gratieverlening, in die zin dat de gevangenisstraf van zeven jaar wordt verminderd met 122 dagen tot 2433 dagen (zes jaar, acht maanden en drie dagen). De motivering van het hof luidt als volgt:
“Voorwaardelijke invrijheidstelling
Bij de erkenning is geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 6:2:10, vierde lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de minister volgt uit de [landelijk(e)] wet- en regelgeving dat toekenning van voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de sanctie in [land] niet zeker zou zijn geweest of met een grote mate van waarschijnlijkheid zou hebben vastgestaan. De Nederlandse vi-regeling moet volgens de minister daarom van toepassing zijn.
Het certificaat van de [landelijk(e)] autoriteiten van 21 juni 2023 vermeldt over de [landelijk(e)] regeling voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling:
Naar het recht van de beslissingsstaat komt de gevonniste persoon in aanmerking voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van:
o de helft van de sanctie
o twee derde van de sanctie
x een ander deel van de sanctie (nader te omschrijven): Volgens de [landelijk(e)] wet heeft de gevonniste persoon geen wettelijk recht op vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling.”
Het hof leidt uit § 57 (1) van het Strafgesetzbuch af dat naar [landelijk(e)] recht de hoofdregel is dat
de veroordeelde voor vi in aanmerking kan komen na ommekomst van twee derde deel van de straf, wat overeenkomt met de Nederlandse regeling, met dien verstande dat ingevolge artikel 6:2:10, eerste lid, aanhef en onder b., van het Wetboek van Strafvordering – zoals die
bepaling luidt sinds 1 juli 2021 – de periode waarover vi wordt verleend niet langer kan zijn
dan twee jaren. Dit betekent dat de Nederlandse vi-regeling bij gevangenisstraffen langer dan zes jaren voor veroordeelden ongunstiger is dan de [landelijk(e)] vi-regeling.
Ingevolge § 57 (2) van het Strafgesetzbuch is vi mogelijk na de helft van de straf indien:
1. sprake is van de eerste gevangenisstraf van de veroordeelde die niet langer is dan twee
jaar; of
2. uit het totaalbeeld van het gepleegde feit, de persoonlijkheid van de veroordeelde en diens ontwikkeling in detentie volgt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen.
Daarnaast moet er voldaan zijn aan de vereisten genoemd in § 57 (1) van het Strafgesetzbuch, inhoudende dat invrijheidstelling met het oog op de maatschappelijke veiligheid verantwoord wordt geacht. Bij de beslissing tot vi houdt de rechter in het bijzonder rekening met de persoonlijkheid van de veroordeelde, zijn leven voor het delict, de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, het gewicht van het juridisch belang dat wordt bedreigd bij recidive, het gedrag van de veroordeelde in de gevangenis, zijn leefomstandigheden en de te verwachten effecten die vi op de veroordeelde kunnen hebben.
Uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister betreffende de veroordeelde blijkt dat hij niet alleen in [land] is veroordeeld voor het meermalen invoeren van harddrugs, maar ook in Nederland inmiddels onherroepelijk is veroordeeld. Specifiek gaat het bij de Nederlandse veroordeling om het medeplegen van uitvoer van MDMA en cocaïne (artikel 2 onder A Opiumwet) en het (medeplegen) van het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, cocaïne, heroïne en LSD (ECLI:NL:HR:2024:799). De feiten waarop de [landelijk(e)] strafzaak betrekking heeft, dateren uit 2018 en die waar de Nederlandse strafzaak betrekking op heeft uit 2019.
Van de eerstgenoemde uitzonderingssituatie is bij de veroordeelde geen sprake, omdat er sprake is van een opgelegde gevangenisstraf van méér dan twee jaar.
In verband met de tweede genoemde uitzonderingssituatie heeft het hof acht geslagen op de
bijlagen die bij het gratieverzoek zijn gevoegd. Het hof leidt uit de beslissing van het Landgericht [plaats 2] van 21 november 2023 niet af dat veroordeelde als hij zijn straf in [land] had uitgezeten, na het uitzitten van de helft van de straf waarschijnlijk op vrije voeten was gekomen.
Het hof heeft verder kennis genomen van het detentie en re-integratieplan van 28 februari 2025 waaruit volgt dat de veroordeelde inziet dat hij niet juist heeft gehandeld. Niettemin kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de veroordeelde de feiten tevens bagatelliseert als hij (zoals in het detentie en re-integratieplan is weergegeven) stelt dat de [landelijk(e)] zaak dezelfde zaak betreft als de Nederlandse zaak. Het gaat weliswaar om soortgelijke feiten, maar die werden in verschillende jaren gepleegd. Uit de [landelijk(e)] en Nederlandse zaak lijkt eerder te volgen dat veroordeelde zich gedurende lange tijd heeft beziggehouden met in/uitvoer van harddrugs. Tegenover de reclassering lijkt veroordeelde zich voor te doen als iemand die een ondergeschikte rol heeft gespeeld binnen de organisatie
(op verzoek deed hij een ‘klusje’). Door te zeggen dat hij wist dat het ging om (het vervoeren van) harddrugs, lijkt hij zich voor te doen als een koerier, maar uit het [landelijk(e)] vonnis blijkt dat zijn rol veel groter was. Veroordeelde was degene die via het ‘Darknet’ harddrugs verkocht. De veroordeelde liet zich in cryptomunten betalen voor de harddrugs. Zijn vader verpakte de drugs en een koerier bracht de pakketjes naar een postkantoor in [land]. De veroordeelde betaalde de koerier € 200 per rit. De koerier heeft verklaard dat hij tussen de 18 en 20 ritten heeft gemaakt.
Hoewel het detentie en re-integratieplan verder positief is, is het naar het oordeel van het hof de vraag of de reclassering een goed beeld heeft gekregen van de door veroordeelde gepleegde delicten en zijn rol daarin en dus is het ook de vraag of de reclassering de juiste gevolgtrekkingen heeft kunnen maken daar waar het gaat om de inschatting van het recidiverisico.
Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat ook niet voldaan is aan de tweede uitzonderingssituatie van § 57 (2) van het Strafgesetzbuch.
Naar het oordeel van het hof is aldus niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid komen vast te staan dat de veroordeelde in [land] na ommekomst van de helft van de straf voor vi in aanmerking zou zijn gekomen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat niet voldoende is komen vast te staan dat de veroordeelde in [land], indien de tenuitvoerlegging van de straf niet aan Nederland zou zijn overgedragen, op een eerder moment dan na ommekomst van twee derde van de straf (onder voorwaarden) in vrijheid zou zijn gesteld. Ook is niet aannemelijk geworden dat – mede in het licht van het eerder genoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan – met de op dit moment – geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.
Wel ziet het hof ambtshalve een andere reden voor een partiële gratie.
Mede om te voorkomen dat bij verdere tenuitvoerlegging in Nederland sprake is van strafverzwaring als gevolg van de strafoverdracht, is er naar het oordeel van het hof aanleiding om de straf zodanig te verminderen dat aan de veroordeelde met toepassing van de (sinds 1 juli 2021 geldende) vi-regeling – op grond waarvan bij een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren de periode waarover vi wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren – op hetzelfde moment vi kan worden verleend als wanneer de straf verder zou zijn tenuitvoergelegd in [land] waar de veroordeelde na twee derde van de straf voor vi in aanmerking was gekomen. Twee derde van de gevangenisstraf van zeven jaren is 1703 dagen. Het advies is daarom om de straf te verminderen met 122 dagen, zodat de veroordeelde met toepassing van de Nederlandse vi-regeling net zoals in [land] na het uitzitten 1703 dagen van de in [land] opgelegde gevangenisstraf voor vi in aanmerking kan komen.”
Bij koninklijk besluit van 26 mei 2026 is – in lijn met het advies van het hof – gedeeltelijke gratie verleend aan [eiser]. Dit besluit is bij brief, gedateerd 10 juni 2026, aan [eiser] gestuurd, samen met de gratieadviezen van het OM en het hof.
[eiser] is in de periode daarna gearresteerd. Op dit moment is hij gedetineerd in de penitentiaire inrichting (hierna: PI) [plaats 1].
[eiser] heeft op 7 juli 2026 een tweede gratieverzoek ingediend. Daarbij heeft [eiser] verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf. [eiser] heeft aan dit tweede gratieverzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat de tenuitvoerlegging van zijn straf geen redelijk doel meer dient.
Op 29 juli 2026 heeft de staatssecretaris het (tweede) verzoek van [eiser] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf afgewezen, omdat de staatssecretaris het niet hoogstwaarschijnlijk acht dat aan [eiser] gratie zal worden verleend.
3. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt om de aan [eiser] ten uitvoer gelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang te staken, dan wel op te schorten, totdat de Staat definitief over zijn detentie en de restantduur daarvan heeft beslist, en [eiser] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig tegenover hem handelt door hem niet (voorlopig) in vrijheid te stellen. Kort samengevat komt het standpunt van [eiser] erop neer dat (i) de in [land] geldende wettelijke regeling van de halbstrafe ten onrechte niet is meegenomen in de eerste gratiebeslissing en (ii) [eiser] als gevolg van de schorsing van zijn gevangenisstraf hangende zijn eerste gratieverzoek in feite slechter af is dan als hij niet voor gratie zou hebben geopteerd. In dat laatste geval zou hij binnenkort via een re-integratietraject op een Beperkt Beveiligde Afdeling (een BBA-traject) buiten de PI aan zijn resocialisatie kunnen werken, terwijl hij nu opnieuw voor dit traject moet worden geselecteerd en daarmee pas over een jaar kan starten. In feite heeft de schorsing daarmee tot een strafverzwaring geleid. Volgens [eiser] is het daarom – mede gelet op zijn persoonlijke situatie – hoogstwaarschijnlijk dat gratie aan hem zal worden verleend.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter de Staat zal veroordelen om de verdere tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf te staken, dan wel op te schorten, totdat de Staat heeft beslist op zijn (tweede) gratieverzoek. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze vordering niet toewijsbaar is. Dat oordeel wordt hieronder uitgelegd.
Toetsingskader
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Staat verplicht is om onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen van de rechter ten uitvoer te leggen. De Staat mag niet naar eigen inzicht wijzigingen aanbrengen in de beslissing van de strafrechter. Alleen in door de wet gegeven uitzonderingsgevallen kan de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk achterwege blijven. Door middel van gratie kan een straf of maatregel, al dan niet onder voorwaarden, worden verminderd, veranderd of kwijtgescholden.
Het verlenen van gratie is een bevoegdheid van de Kroon; er bestaat geen afdwingbaar recht op gratie. De feitelijke gang van zaken is dat de minister, dan wel de staatssecretaris, een beslissing neemt bij koninklijke machtiging. In artikel 122 van de Grondwet is bepaald dat gratie wordt verleend na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Die voorschriften zijn neergelegd in de Gratiewet. In artikel 2 van de Gratiewet is bepaald dat gratie kan worden verleend:
op grond van enige omstandigheid, waarmee de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of heeft kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan, dan wel
als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.
Artikel 4 van de Gratiewet bepaalt dat de minister, voordat op het gratieverzoek wordt beslist, advies moet inwinnen van het gerecht bedoeld in artikel 2:11 tweede lid van de Wets. Dat is de penitentiaire kamer van het gerechtshof [plaats 3]-Leeuwarden. Het rechterlijk advies is in beginsel leidend bij het nemen van de beslissing over gratieverlening. Alleen op grond van bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken (zie HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747, rov. 3.5.3).
Als het gratieverzoek wordt afgewezen, moet de verzoeker van die beslissing en de redenen daarvoor op de hoogte worden gesteld (artikel 18 lid 2 van de Gratiewet). De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een negatieve beslissing op het gratieverzoek. De veroordeelde kan in dat geval het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter, die kan beoordelen of de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is. Die beoordeling, waarbij de voorzieningenrechter terughoudend moet zijn, richt zich vooral op de argumenten die voor de negatieve beslissing zijn genoemd en of die argumenten de beslissing kunnen dragen en ervan blijk geven dat de wettelijke criteria voldoende in acht zijn genomen. Als de burgerlijke rechter tot het oordeel komt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is omdat de opgegeven redenen deze beslissing niet kunnen dragen, kan de burgerlijke rechter de Staat veroordelen om een nieuwe beslissing op het gratieverzoek te nemen.
Verder is van belang dat – als aan het gratieverzoek geen opschortende werking van rechtswege toekomt – de minister op grond van artikel 6:7:4 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevoegd is om te bepalen dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt opgeschort zolang op het gratieverzoek nog niet is beslist. In artikel 5:2 van de toepasselijke Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (de Beleidsregels) – die volgens vaste jurisprudentie als rechtmatig kunnen worden aangemerkt – is bepaald dat de minister ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht kan opschorten, als het naar zijn oordeel hoogstwaarschijnlijk is dat het verzoek om gratie wordt ingewilligd. Daarbij worden ook een aantal gronden genoemd die tot schorsing kunnen leiden. Bij de uitoefening van de schorsingsbevoegdheid heeft de minister een ruime mate van beleidsvrijheid. De beslissing om al dan niet opschortende of schorsende werking aan een gratieverzoek toe te kennen, kan in kort geding dus slechts marginaal worden getoetst.
Uit het betoog van [eiser] leidt de voorzieningenrechter af dat hij het niet eens is met (i) de (gedeeltelijke) afwijzing van zijn eerste gratieverzoek en (ii) de afwijzing van zijn verzoek om – in afwachting van een beslissing op zijn tweede gratieverzoek – de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf te schorsen. De voorzieningenrechter zal deze beslissingen hierna afzonderlijk bespreken.
De beslissing op het eerste gratieverzoek
[eiser] is in [land] veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Uitgangspunt is dat de tenuitvoerlegging van de [landelijk(e)] straf wordt beheerst door Nederlands recht. Dat betekent dat in beginsel de Nederlandse vi-regeling van toepassing is, die voorziet in de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van twee derde van de straf. Op grond van artikel 6:2:10 lid 4 onder a Sv kan de minister echter bepalen dat de vi op een eerder tijdstip kan plaatsvinden, als de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. De ratio hiervan is te voorkomen dat een veroordeelde door de overdracht van de tenuitvoerlegging feitelijk een langer deel van zijn vrijheidsstraf moet ondergaan en daarmee om strafverzwaring te voorkomen. De minister kan van zijn bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv gebruik maken als voldoende vaststaat dat de veroordeelde op een bepaald moment, eerder dan in Nederland, in het land van veroordeling voorwaardelijk vrij zou komen. In het geval van [eiser] heeft de minister bij de erkenning van het [landelijk(e)] vonnis geen aanleiding gezien voor de toepassing van de [landelijk(e)] vi-regeling.
Uit rechtspraak volgt dat in gevallen waarin, op het moment dat positief is beslist over de erkenning van de buitenlandse rechterlijke uitspraak, geen aanleiding bestond om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 6:2:10 lid 4 Sv, maar waarin zich nadien feiten en omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat onverkorte tenuitvoerlegging van de straf leidt tot strafverzwaring als hiervoor bedoeld, de gratieprocedure als vangnet dient. Door in zo’n geval op grond van artikel 2 Gratiewet de duur van de opgelegde straf te verminderen, kan dergelijke strafverzwaring worden voorkomen. Dit brengt mee dat bij de beoordeling van een gratieverzoek van een veroordeelde die in Nederland een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf ondergaat, de mogelijkheid dat de veroordeelde in het land van veroordeling eerder vi zou krijgen behoort te worden betrokken.
In deze zaak is dat ook gebeurd. Het hof heeft, zoals blijkt uit zijn advies, op basis van de relevante [landelijk(e)] wettelijke bepalingen, de uitspraak van de Landgericht [plaats 2] en het detentie- en re-integratieplan een inschatting gemaakt van de beslissing op een verzoek om vi als de straf van [eiser] in [land] ten uitvoer zou zijn gelegd. Bij de beoordeling van het detentie- en re-integratieplan is bij het hof de vraag gerezen of de reclassering een goed beeld heeft gekregen van de door [eiser] gepleegde delicten en zijn rol daarin, en (dus) ook of de reclassering de juiste gevolgtrekkingen heeft kunnen maken bij de inschatting van het recidiverisico. Het hof heeft de reden voor die twijfel gemotiveerd en is tot de conclusie gekomen dat niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid is komen vast te staan dat [eiser] in [land] na afloop van de helft van zijn straf voor vi (de halbstrafe) in aanmerking zou zijn gekomen. Wel heeft het hof (ambtshalve) een andere reden gezien voor partiële gratie, mede om te voorkomen dat bij verdere tenuitvoerlegging van de straf in Nederland sprake is van strafverzwaring door de strafoverdracht. Het hof heeft daarom aanleiding gezien om te adviseren de straf zodanig te verminderen dat [eiser] – met toepassing van de Nederlandse vi-regeling – op hetzelfde moment vi kan worden verleend als wanneer de straf verder ten uitvoer zou zijn gelegd in [land]. Concreet heeft het hof geadviseerd om de gevangenisstraf van [eiser] met 122 dagen te verminderen.
[eiser] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het hof tijdens het uitbrengen van het advies niet op de hoogte was van het feit dat zijn gevangenisstraf was geschorst. Dit zou van invloed zijn geweest op het advies van het hof. De voorzieningenrechter volgt [eiser] daarin echter niet. Hoewel in de kop van het advies van het hof inderdaad staat dat [eiser] is gedetineerd in de PI [plaats 3], is verderop in het advies expliciet vermeld dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is geschorst. Ook in het advies van het OM, waarvan het hof volgens zijn advies kennis heeft genomen, is genoemd dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is opgeschort. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om aan te nemen dat het hof van onjuiste informatie is uitgegaan bij de beoordeling van het gratieverzoek van [eiser].
De voorzieningenrechter concludeert dat de door het hof genoemde argumenten het advies tot het verlenen van gedeeltelijke gratie kunnen dragen. De Staat heeft daarom het in beginsel leidende advies van het hof kunnen volgen bij zijn beslissing op het gratieverzoek van [eiser].
De stelling van [eiser] dat aan zijn gratieverzoek schorsende werking is verleend en het tegen die achtergrond onbegrijpelijk is dat het gratieverzoek is afgewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de advocaat van [eiser], heeft betoogd is het niet zo dat een schorsing altijd leidt tot een toewijzing van het gratieverzoek. De Staat heeft aangevoerd dat het per jaar meerderen keren voorkomt dat een gratieverzoek, ondanks een schorsing van de gevangenisstraf, wordt afgewezen. De Staat wijst er in dat kader terecht op dat de beslissing op een schorsingsverzoek een voorlopig karakter heeft en dat de definitieve beslissing op het gratieverzoek dus anders kan uitvallen. Dit is ook voorzienbaar omdat de beslissing om te schorsen op korte termijn wordt genomen, zonder dat daarbij het door de Staat op te vragen advies van het hof, dat bij haar beslissing een leidende rol speelt, is ingewonnen. Het staat buiten twijfel dat de definitieve beslissing op het gratieverzoek nadelige gevolgen heeft voor [eiser] vanwege de schorsing, maar die gevolgen zijn inherent aan het voorlopige karakter van de beslissing op het schorsingsverzoek.
De beslissing op het tweede schorsingsverzoek
Op 7 juli 2026 heeft [eiser] een tweede gratieverzoek ingediend en daarbij verzocht om schorsing van zijn gevangenisstraf totdat op zijn gratieverzoek is beslist. De minister heeft dit tweede schorsingsverzoek van [eiser] op 29 juli 2026 afgewezen. Aan deze beslissing heeft de minister ten grondslag gelegd dat naar zijn oordeel geen sprake is van omstandigheden als opgenomen in artikel 5:2 van de Beleidsregels en dat de door [eiser] aangevoerde omstandigheden daar ook niet mee gelijk te stellen zijn.
Het tijdelijk opschorten van de tenuitvoerlegging in afwachting van een beslissing op een gratieverzoek is slechts aan de orde in zeer uitzonderlijke gevallen. Alleen als het hoogst waarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden toegewezen, is het gerechtvaardigd daarop vooruit te lopen door de tenuitvoerlegging op te schorten. Volgens [eiser] is dat het geval. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij tijdens de schorsing van zijn gevangenisstraf volledig is geresocialiseerd en zijn leven op de rit heeft. Hij heeft een woning, werk en een gezin. Detentie zal die ontwikkelingen volgens hem teniet doen. Ook zitten [eiser] en zijn partner momenteel in een IVF-traject. Verder wijst [eiser] erop dat hij als gevolg van de schorsing van zijn gevangenisstraf hangende zijn eerste gratieverzoek in feite slechter af is dan als hij niet voor gratie zou hebben geopteerd. In dat laatste geval zou hij naar verwachting op 24 oktober aanstaande starten met het BBA-traject, terwijl hij nu opnieuw een aanvraag moet indienen en waarschijnlijk pas over een jaar met een BBA-traject kan starten. De minister heeft anders geoordeeld en het verzoek tot schorsing afgewezen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of de minister niet in redelijkheid tot dit oordeel is kunnen komen.
Hoewel duidelijk is dat de afwijzing van het schorsingsverzoek nadelige gevolgen heeft voor [eiser], zijn die gevolgen als gezegd inherent aan het voorlopige karakter van de schorsingsbeslissing. Die gevolgen vormen geen omstandigheden zoals opgenomen in artikel 5:2 van de Beleidsregels, en rechtvaardigen dus niet de conclusie dat het hoogstwaarschijnlijk is dat het verzoek om gratie wordt ingewilligd. De voorzieningenrechter wijst in dit kader onder meer op de door [eiser] geschetste omstandigheden waaronder hij is aangehouden, nadat zijn gratieverzoek was afgewezen, zonder concrete aankondiging, op de snelweg, en in het bijzijn van zijn partner die geen rijbewijs heeft. Dit verdient op zijn minst genomen geen schoonheidsprijs, maar vormt geen op de wet gegronde reden om gratie te verlenen.
[eiser] voert verder aan dat hij inmiddels, als gevolg van zijn activiteiten gedurende de schorsing van zijn gevangenisstraf, volledig geresocialiseerd is en zijn leven op de rit heeft. Hiermee doet [eiser] een beroep op artikel 2 onder b. van de Gratiewet, dat gratie kan worden verleend als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Deze grond wordt slechts bij hoge uitzondering toegepast. Schorsing kan alleen als het verzoek om gratie hoogstwaarschijnlijk wordt toegewezen. Gelet op dit een en ander kan niet worden geconcludeerd dat de minister in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen om het schorsingsverzoek af te wijzen, zeker nu de minister in deze fase nog niet beschikt over het advies van het hof.
Slotsom
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen grond bestaat voor toewijzing van de vordering van [eiser]. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vordering van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de proceskostenveroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
fjs