[verzoeker 1] , v-nummer: [x] , verzoeker
[verzoeker 2] , v-nummer: [x] , verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers vanwege het besluit van 17 juli 2026, waarin de minister heeft overwogen dat verzoekers niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vallen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de rechtsgevolgen van het besluit worden opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.
De minister heeft op 2 september 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In het besluit van 17 juli 2026 is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit niet worden opgeschort door het gemaakte bezwaar. Daarom hebben verzoekers ook niet langer recht op gemeentelijke opvang. Verzoekers hebben op 31 augustus 2026 aan de rechtbank laten weten dat zij tot en met die dag bij vrienden konden verblijven. De voorzieningenrechter neemt daarom, anders dan de minister, in zoverre een spoedeisend belang aan. Verzoeker hebben op dit moment namelijk feitelijk geen verblijfplaats. Daarom zal worden beoordeeld of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft.
Redelijke kans van slagen
4. Verzoekers hebben aangevoerd dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft omdat de minister in het besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele omstandigheden van verzoekers. Daarbij heeft de minister bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de duurzame relatie tussen verzoekers en onvoldoende rekening gehouden met hun feitelijke hereniging in Nederland.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. In het besluit van 17 juli 2026 is door de minister overwogen dat verzoekers niet onder de RTB vallen omdat zij in een andere lidstaat verblijfsrecht hadden en uit het Uitvoeringsbesluit 2025/1360 blijkt dat een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan de RTB verbonden rechten kan genieten. Verzoekster had ten tijde van het besluit bescherming in Tsjechië. De minister stelt in het verweerschrift terecht dat het feit dat door verzoekster de tijdelijke bescherming in Tsjechië inmiddels, tijdens de bezwaarprocedure, formeel is beëindigd, niet maakt dat zij alsnog tijdelijke bescherming in Nederland kan verkrijgen. Ook als sprake is geweest van tijdelijke bescherming in een andere lidstaat, kan namelijk de tijdelijke bescherming in Nederland worden beëindigd en/of niet verleend. Met betrekking tot verzoeker wijst de minister er terecht op dat niet betwist is dat verzoeker ten tijde van het besluit tijdelijke bescherming in Roemenië had en niet is gebleken dat hij die bescherming niet langer geniet. Verder heeft de minister terecht gesteld dat verzoekers geen zwaarwegende redenen hebben aangevoerd om tijdelijke bescherming in Nederland te verkrijgen terwijl zij bescherming hadden in Tsjechië en Roemenië. Dat verzoekers hun relatie wensen voort te zetten, maakt dat niet anders. Artikel 8 van het EVRM geeft namelijk geen recht op domiciliekeuze en maakt niet dat gezinsleven in Nederland gefaciliteerd moet worden. Ook wijst de minister er terecht op dat niet is onderbouwd dat verzoeker een zus in Nederland zou hebben en, los daarvan, maakt ook dit niet dat de besluitvorming anders dient uit te vallen.
Nu het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er in beginsel geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dit kan anders zijn indien sprake is van een besluit met onomkeerbare gevolgen, waarbij sprake is van zwaarwegende belangen aan de zijde van verzoekers om die onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Verzoekers kunnen, zoals is vermeld in het besluit en het verweerschrift, asiel aanvragen en daarmee opvang vanuit het Centraal Orgaan opvang asielzoekers verkrijgen. Dat maakt dat aan het belang van verzoekers bij het continueren van de gemeentelijke opvang minder gewicht toekomt.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: