Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/094940-23 en 09/275150-23 (t.t.z. gevoegd)
Datum uitspraak: 7 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats] (PPC).
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 juli, 29 september en 8 december 2023, 1 maart, 23 mei, 7 augustus en 23 oktober 2024, 21 januari, 15 april, 7 juli, 24 september en 18 december 2025, 12 maart en 10 juni 2026 (alle pro forma) en 24 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.M. de Vries en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Eckhardt naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 09/094940-23 (hierna ook: dagvaarding I)
hij op of omstreeks 7 april 2023 te Katwijk [naam slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door die [naam slachtoffer] meermalen met een dolk en/of mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te steken in de
- borst,
- buik,
- nek en/of hals en/of keel en/of
- rug,
althans in het lichaam;
in de zaak met parketnummer 09/275150-23 (hierna ook: dagvaarding II)
hij op of omstreeks 7 april 2023 te Katwijk en/of (elders) in Nederland,
- afbeeldingen, te weten foto's en/of video's en/of
- gegevensdragers, te weten een desktop,
bevattende afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,
in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft
welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het met een vinger, penis en/of voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(Proces-verbaal p. 844, 852, 853 Afbeelding:
- 001- toonmap en Bijlage III
- 002- toonmap en Bijlage III
- 003- toonmap en Bijlage III
- 004- toonmap en Bijlage III)
en/of het met een hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(Proces-verbaal p. 844, 854 Afbeelding:
- 005- toonmap en Bijlage III)
en/of het met een penis betasten en/of aanraken van de mond en/of lippen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(Proces-verbaal p. 844, 854 Afbeelding:
- 006- toonmap en Bijlage III)
Het met een hand/vingers betasten en/of penetreren van het eigen geslachtsdeel en/of de billen door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(Proces verbaal p. 844, 845, 855 Afbeelding:
- 007- toonmap en Bijlage III)
en/of het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht en/of lichaam en/of in de mond van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht/lichaam en/of in de mond een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
(Proces-verbaal p. 845, 855, 857 Afbeelding:
- 008- toonmap en Bijlage III)
- 012- toonmap en Bijlage III)
en/of het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of poseert in een omgeving en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en/of de anus van deze persoon in beeld gebracht worden en/of
(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
(Proces-verbaal p. 845, 856, 857 Afbeelding:
- 010- toonmap en Bijlage III
- 011- toonmap en Bijlage III)
en/of het door een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt likken van het geslachtsdeel van een dier
(Proces-verbaal p. 845, 856 Afbeelding:
- 009- toonmap en Bijlage III)
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
3. De bewijsbeslissing
Dagvaarding II: de aangetroffen kinderporno
De rechtbank acht het feit op dagvaarding II wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat hij van het bezit van (kort gezegd) kinderporno een gewoonte heeft gemaakt. Hoewel de hoeveelheid kinderporno enorm was en de verdachte heeft verklaard dat hij de afbeeldingen in de loop van jaren heeft verzameld, vermeldt de tenlastelegging één pleegdatum, te weten de dag van de aanhouding van de verdachte.
De rechtbank zal voor dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023103640, onderzoek KEI / DH6R023017 van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek (p. 1 t/m 1.410).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 augustus 2026;
2. het proces-verbaal van binnentreden in woning, opgemaakt op 7 april 2023 (p. 119-120);
3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2023 (p. 841-847).
Dagvaarding I: de levensberoving van [naam slachtoffer] , hierna: [slachtoffer]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I impliciet primair ten laste gelegde moord.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I impliciet primair ten laste gelegde moord en heeft zich ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op het standpunt gesteld dat dat kan worden bewezen, maar dat sprake is geweest van noodweer, dan wel noodweerexces.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 7 april 2023 om 11:29 uur is er naar de meldkamer gebeld. De melder geeft aan dat hij zijn ex heeft vermoord. De melder blijkt de verdachte te zijn en hij verklaart dat zijn ex [naam slachtoffer] is, geboren op [geboortedatum 2] 1988 en woonachtig op de [adres 1] . [naam slachtoffer] is geboren als man en ging door het leven als vrouw, genaamd [slachtoffer] . In dit vonnis zal verder aan haar worden gerefereerd als ‘ [slachtoffer] ’ en ‘zij’.
Op het moment van bellen staat de verdachte op de galerij van de twaalfde verdieping van de [flat] te Katwijk. Er wordt een onderhandelaar zijn richting op gestuurd, aangezien de verdachte uitspreekt zichzelf van het leven te willen beroven door naar beneden te springen. Uiteindelijk doet de verdachte dit niet: hij geeft zich over en wordt vervolgens aangehouden.
De doodsoorzaak
De dood van [slachtoffer] is dus aan het licht gekomen doordat de verdachte zelf het noodnummer 112 heeft gebeld en heeft verklaard dat hij zijn ex, [slachtoffer] , heeft vermoord.
Verbalisanten zijn naar het adres van [slachtoffer] gegaan. Zij hebben in haar huis haar levenloze lichaam aangetroffen bij een grote plas bloed, met vele zichtbare steek- en snijverwondingen in haar bovenlichaam.
In het gesprek met de onderhandelaar heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken met een dolk die hij in zijn rugtas heeft. Hij verklaart op dat moment die dolk al weken bij zich te hebben.
Uit forensisch pathologisch onderzoek blijkt dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door de gevolgen van dertien steekletsels aan de hals, borst en rug, mogelijk versneld door bloedverlies ten gevolge van nog eens zeven steekletsels en twaalf snijletsels. In totaal gaat het om twintig steekletsels en twaalf snijletsels die bij [slachtoffer] zijn aangebracht in haar borst, buik, hals, keel en rug.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door haar meermalen met een dolk te steken op de genoemde plekken in haar lichaam.
Voorbedachten rade?
De verdachte heeft direct na de gebeurtenis wisselende verklaringen afgelegd tegenover de meldkamer, de onderhandelaar, familieleden en vrienden. Hij heeft daarbij onder meer gezegd dat er in zijn optiek sprake is geweest van zelfverdediging en dat hij de controle over zichzelf is verloren. Er is grondig onderzoek gedaan naar het gedrag van de verdachte in de periode voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] . Hieruit is de verdenking ontstaan dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft omgebracht en dat er dus sprake is van moord. De rechtbank zal de onderzoeksbevindingen die tot deze verdenking hebben geleid uiteenzetten en beoordelen, om vervolgens te concluderen dat kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Milieuonderzoek
[getuige 1] , een bekende van de verdachte, is als getuige gehoord. [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij [slachtoffer] iets aan wilde doen en daarna zichzelf. Dit was drie tot vier weken voorafgaand aan de gebeurtenis van 7 april 2023.
[getuige 2] , die als maatschappelijk werkster betrokken is geweest bij de verdachte, heeft als getuige verklaard dat de verdachte op 21 maart 2023 tegen haar heeft gezegd dat hij droomde dat hij [slachtoffer] en daarna zichzelf wat aan zou doen.
De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn, omdat hij vergeetachtig is en voorafgaand aan zijn verklaringen meerdere malen bij de familie van [slachtoffer] langs is geweest en ook op de crematie is geweest. De verklaringen van een persoon die zelf zegt moeite te hebben met het vinden van woorden en zijn eigen geheugen niet helemaal te begrijpen, alsmede dat hij kan zijn beïnvloed door wat hem in gesprekken met familie is bijgebleven, kunnen niet als bewijs worden gebruikt, aldus de verdediging.
De rechtbank gaat daarin niet mee. Hoewel de getuige inderdaad zegt last te hebben van geheugenproblemen, blijkt nergens uit dat hij herinneringen verzint. Zaken die hij zich wel herinnert, kan hij goed navertellen. Hij heeft zowel bij de politie, als een jaar later bij de rechter-commissaris, dezelfde verklaring afgelegd omtrent de uitlatingen van de verdachte dat hij [slachtoffer] , en vervolgens ook zichzelf, iets aan zou willen doen. De verklaringen zijn consistent, uit niets blijkt van enige beïnvloeding daarvan door de familie van [slachtoffer] en ook blijkt niet dat [getuige 1] herinneringen verzint die niet echt zouden zijn.
Afscheidsbrief
De verdachte heeft terwijl hij op de galerij van de twaalfde verdieping van de [flat] stond tegen de onderhandelaar gezegd dat hij een afscheidsbrief bij zich had en deze wilde voorlezen. Dat heeft hij toen op verzoek van de onderhandelaar niet gedaan, maar hij heeft de brief wel gepakt, verscheurd en de snippers weggegooid over de balustrade.
Bij de oma van de verdachte is een notitieblok aangetroffen van de verdachte, waarop een doordrukschrift is waargenomen. Deze is door het NFI grotendeels leesbaar gemaakt. Acht van de teruggevonden snippers van de verscheurde brief blijken overeen te komen met de tekst en het handschrift op het doordrukschrift. De rechtbank concludeert hieruit dat de verscheurde brief is geschreven met het aangetroffen notitieblok als ondergrond. De verdachte heeft dat ook op de zitting erkend. Hoewel niet alle snippers zijn teruggevonden, concludeert de rechtbank dat het doordrukschrift van het notitieblok de doordruk van de afscheidsbrief is die de verdachte bij zich had.
Op de computer van de verdachte is een bestand getiteld ‘ [bestandsnaam] ’ aangetroffen. Dit bestand is aangemaakt op 2 april 2023, voor het laatst aangepast op 3 april 2023 en voor het laatst geopend op 6 april 2023. De tekst van het doordrukschrift van het notitieblok (en dus de tekst van de door de verdachte verscheurde brief) komt voor een groot deel overeen met het bestand ‘ [bestandsnaam] ’. Waar de woorden enigszins verschillen, komt de brief in ieder geval qua strekking overeen. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestand ‘ [bestandsnaam] ’ (de rechtbank begrijpt: een afkorting voor ‘ [woord] ’) een concept is voor de afscheidsbrief die de verdachte vervolgens heeft geschreven en meegenomen naar het dak van de [flat] om daar voor te lezen. In die brief staat onder meer dat de verdachte ervoor “kiest om samen te zijn in het hiernamaals” en dat hij zich richt tot zijn familie en die van [slachtoffer] : “Het spijt me echt enorm dat jullie ons moeten missen en dat het zo moest aflopen. Maar ik zie echt geen andere uitweg meer.”
Gebruikte dolk
Uit onderzoek naar de computer van de verdachte blijkt dat hij in de nacht van 4 op 5 april 2023 op de site [website] heeft gezocht op de term ‘Athame’, terwijl hij een half uur eerder nog zoekt op de term ‘halsslagader’. De dolk die de verdachte heeft gebruikt om [slachtoffer] te doden, vertoont exacte gelijkenissen met een zogeheten ‘athame’-mes.
Vervolgens heeft hij op 5 april 2023 een slijpsteen gekocht, na aan de verkoper van de HUBO-winkel specifiek te hebben gevraagd hoe hij de slijpsteen moet gebruiken als hij er een mes mee wil slijpen. Op 6 april 2023 heeft de verdachte op zijn computer gezocht op de term ‘mes slijpen wetsteen’ en vervolgens op YouTube een video getiteld ‘ Mes slijpen een slijpsteen ’ bekeken. Later die avond heeft hij nog meerdere malen op de term ‘halsslagader doorsnijden’ gezocht.
Uit forensisch onderzoek blijkt voorts dat de dolk waarmee de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd deeltjes bevat die dezelfde elementsamenstelling hebben als de slijpsteen. In de slijpsteen zijn deeltjes aangetroffen die overeenkomen met de elementsamenstelling van het lemmet van de dolk. Deze bevindingen zijn te verwachten indien de dolk geslepen is met de slijpsteen, en indien de slijpsteen gebruikt is om deze dolk mee te slijpen.
Conclusie
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – dat de verdachte in ieder geval vanaf 21 maart 2023 het idee had opgevat om eerst [slachtoffer] en vervolgens zichzelf iets aan te doen.
De uitvoering van dit idee wordt in gang gezet vanaf 2 en 3 april 2023, wanneer de verdachte een afscheidsbrief op zijn computer schrijft. De brief op de computer is voor het laatst aangepast op 3 april 2023 en het laatst geopend op 6 april 2023. De verdachte heeft vervolgens op basis van de afscheidsbrief op zijn computer een schriftelijke afscheidsbrief geschreven. Deze schriftelijke afscheidsbrief is niet identiek aan de afscheidsbrief op zijn computer, maar de woorden, strekking en inhoud komen grotendeels overeen. Die brief droeg hij bij zich op 7 april 2023 en wilde hij voorlezen op de [flat] , nadat hij [slachtoffer] van het leven had beroofd en voordat hij zichzelf van het leven wilde beroven. In de brief vermeldt de verdachte expliciet ervoor te kiezen met [slachtoffer] samen te zullen zijn in de dood en dat het hem spijt dat zijn familie en de familie van [slachtoffer] ons, dus de verdachte én [slachtoffer] , moeten missen.
Op grond van de genoemde onderzoeksbevindingen met betrekking tot de gebruikte dolk, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank voorts dat de verdachte de dolk waarmee hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, vlak daarvoor heeft geslepen met de slijpsteen.
Op 7 april 2023 gaat hij naar [slachtoffer] met de door hem geslepen dolk en draagt hij de afscheidsbrief op schrift bij zich. [slachtoffer] wordt vervolgens om het leven gebracht mede door snij- en steekverwondingen in de hals.
Anders dan door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank de afscheidsbrief en de aangetroffen zoekopdrachten op de computer van de verdachte niet als slechts een voorbereiding van zelfdoding. De verdachte heeft het over samen zijn in de dood, en dat de families ons, dus de verdachte en [slachtoffer] , moeten missen. De stelling van de verdachte dat hij bedoelde dat de families ‘ons, als stel samen’ moeten missen, is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Zij waren op initiatief van [slachtoffer] al niet meer bij elkaar.
De zoekopdrachten op de computer van de verdachte duiden inderdaad deels op een mogelijk geplande zelfdoding, maar óók op de geplande dood van [slachtoffer] . Er wordt gezocht op ‘halsslagader’ en ‘halsslagader doorsnijden’, terwijl [slachtoffer] mede door snij- en steekwonden rond haar hals om het leven is gekomen. Er wordt inderdaad gezocht op ‘zelfmoord katwijk ’ en ‘ [flat] zelfmoord’, maar dit versterkt naar het oordeel van de rechtbank juist het scenario dat de verdachte van plan was éérst [slachtoffer] om het leven te brengen, en daarna zichzelf.
Van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachten rade is niet gebleken, integendeel. De verdachte had na zijn voorgenomen besluit alle tijd (dagenlang) om af te zien van zijn voorgenomen plannen, maar aanwijzingen dat hij dat heeft gedaan zijn er niet. Ook zijn gedrag na het steken geeft geen aanknopingspunten voor contra-indicaties. Het gedrag van de verdachte op de galerij, hoewel vlak na een heftig incident en vertoond in heftige emoties/toestand, wijst er in de kern op dat hij zeer berekenend heeft gehandeld. Hij heeft berichten uit zijn telefoon gewist, zijn telefoon en een verscheurde afscheidsbrief vanaf de twaalfde verdieping naar beneden gegooid en meerdere mensen gebeld met het verzoek om de afscheidsbrief van de harde schijf te wissen.
Op grond van al deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de verdachte op 7 april 2023 naar het appartement van [slachtoffer] is gegaan met de intentie haar van het leven te beroven, hetgeen hij de dagen daaraan voorafgaand heeft voorbereid, alsmede dat hij, nadat hij in het appartement van [slachtoffer] is binnengekomen, verder uitvoering heeft gegeven aan zijn plan, door [slachtoffer] meerdere malen te steken en snijden. Daarna is hij naar de [flat] gegaan met de intentie daar vanaf te springen, maar aan dit deel van zijn plan heeft hij geen uitvoering gegeven.
De rechtbank acht het impliciet primair ten laste gelegde bewezen en oordeelt dat sprake is van opzettelijke levensberoving met voorbedachten rade.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht het bij dagvaarding I impliciet primair tenlastegelegde feit en het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
in de zaak met parketnummer 09/094940-23
hij op 7 april 2023 te Katwijk [naam slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [naam slachtoffer] meermalen met een dolk te steken in de
- borst,
- buik,
- hals en keel en
- rug;
in de zaak met parketnummer 09/275150-23
hij op 7 april 2023 te Katwijk
- afbeeldingen, te weten foto's en video's, en
- een gegevensdrager, te weten een desktop, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen,
waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,
in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het met een vinger, penis en voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
het met een hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
het met een penis betasten en aanraken van de mond en/of lippen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
het met een hand/vingers betasten en penetreren van het eigen geslachtsdeel en/of de billen door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
het masturberen boven/bij en ejaculeren op het gezicht en/of het lichaam en/of in de mond van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht/lichaam en in de mond een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is waarbij de afbeelding aldus (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en poseert in een omgeving en in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel en/of de anus van deze persoon in beeld gebracht worden en waarbij de afbeelding aldus (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en
het door een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt likken van het geslachtsdeel van een dier.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de strafbaarheid van de verdachte
Noodweer(-exces)?
De verdediging heeft bepleit dat sprake is geweest van een noodweersituatie en dat de verdachte daarom een geslaagd beroep toekomt op noodweer, dan wel noodweerexces. De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de verdachte naar [slachtoffer] is gegaan met de intentie haar van het leven te beroven, maar dat neemt niet weg dat de theoretische mogelijkheid bestaat dat de verdachte haar appartement is binnengekomen en dat hij – voordat hij zijn plan ten uitvoer kon brengen – zelf is aangevallen door [slachtoffer] . Het is aan de verdediging om dit scenario te onderbouwen. De rechter beoordeelt of dat scenario – de feitelijke toedracht – aannemelijk is geworden en vervolgens of die feitelijke toedracht een beroep op noodweer(exces) kan rechtvaardigen.
Ter onderbouwing daarvan heeft de verdachte het volgende verklaard. De verdachte en [slachtoffer] hadden op 7 april 2023 bij [slachtoffer] thuis afgesproken, omdat de verdachte nog een Xbox moest ophalen. Zij dronken samen een kop koffie en het ging erg slecht met [slachtoffer] . Zij had er veel moeite mee dat zij de verdachte moest missen en zij had onvoldoende steun in haar leven. Zij wilde per se vrienden met de verdachte blijven, want ze kon hem niet missen. De verdachte probeerde haar te troosten en te steunen. [slachtoffer] begon vervolgens te trillen en kreeg enorm grote ogen. [slachtoffer] was volgens de verdachte niet medicatietrouw, waardoor zij last kon krijgen van (gewelddadige) psychotische aanvallen. Het was de verdachte bekend dat zij zeer agressief kon worden tijdens zulke aanvallen. De dolk waarmee de verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, lag volgens hem al jaren bij [slachtoffer] . Zij heeft deze gepakt en viel hem in een agressieve bui aan, terwijl zij hem uitschold en hem de dood in wenste. De verdachte heeft hieraan zelf een wond aan zijn vinger overgehouden. Hij heeft zich moeten verdedigen en het is hem gelukt de dolk af te pakken. Zij draaide compleet door, bleef schelden en aanvallen en de verdachte kon niet anders dan zich verweren. Hij weet niet meer precies wat er is gebeurd, maar hij heeft zich met de dolk tegen haar moeten verweren. Hij is naar eigen zeggen in een hevige gemoedstoestand geraakt, hij is de controle verloren en zo heeft zij alle verwondingen opgelopen waaraan zij is overleden.
De rechtbank stelt vast dat de gestelde noodweersituatie voornamelijk is gebaseerd op de verklaringen van de verdachte. De verdachte heeft echter niet eenduidig verklaard hoe en waarom hij heeft gehandeld.
De verdachte is degene die 112 heeft gebeld (letterlijk uitgewerkt op p. 35 e.v. van het dossier). In het gesprek met de meldkamer zegt hij zijn ex te hebben vermoord, dat hij de controle over zichzelf is verloren, dat het automatisch ging en dat hij haar “gewoon” heeft neergestoken. Zijn eerste mededelingen duiden dus niet op noodweer. In het tweede gesprek met de meldkamer zegt hij dat zij hem aanviel, maar hij vertelt niet dat dat met een mes zou zijn gebeurd. In het vijfde gesprek met de meldkamer legt hij uit dat hij zijn spullen ging halen, dat zij door draaide, dat zij hem verrot schold en dat hij in een opwelling naar zijn mes greep en begon te steken. Hier vertelt de verdachte dus niet over een aanval op hem. Sterker nog, hij zegt te hebben gestoken met zijn eigen mes.
Direct na de vijf gesprekken met de meldkamer komen de eerste verbalisanten ter plaatse (p. 75 e.v. van het dossier). Eén verbalisant treedt in contact met de verdachte, in afwachting van de komst van de onderhandelaar. Ongevraagd zegt de verdachte dat hij zijn ex heeft vermoord, dat zij hem aanviel (“krabbelde”) en dat hij haar heeft gestoken. Hij heeft daarbij verteld dat hij een dolk heeft gepakt die hij al weken bij zich had en dat hij haar met die dolk heeft gestoken. Ook geeft hij aan in een psychose te zitten. Enkele mededelingen, zoals dat hij haar heeft vermoord en dat zij hem aanviel, heeft hij een aantal keren herhaald.
Daarna heeft een onderhandelaar van de politie het overgenomen (p. 82 e.v. van het dossier). Hij heeft in een proces-verbaal beschreven dat de verdachte, direct na aankomst van de onderhandelaar, een afscheidsbrief wilde voorlezen, maar dat de onderhandelaar hem heeft onderbroken en heeft verteld dat hij dat niet wilde. Over het steken zegt de verdachte dat zijn ex-vriendin op de bank lag met haar hoofd op haar armen en dat hij haar daarna heeft gestoken met een dolk die hij al een paar weken bij zich droeg. Later vertelde hij dat zijn ex-vriendin hem had aangevallen en dat hij toen is gaan steken. Tijdens het gesprek heeft de verdachte meerdere keren herhaald dat hij de dolk waarmee hij had gestoken al een paar weken bij zich droeg. Op enig moment zei de verdachte: "Ik wilde het eigenlijk toch wel, maar het heeft me toch nog overvallen. lk kwam pas tot mezelf toen ik haar al had gestoken. Toen besefte ik wat ik had gedaan. Daarna ben ik hierheen, naar de flat gelopen. Ik kan hier niet mee leven. Ik kan niet doorleven met het feit dat ik een verschrikkelijke moordenaar ben. Zij heeft het monster in mij losgemaakt." Het totale gesprek tussen de onderhandelaar en de verdachte heeft ongeveer anderhalf uur geduurd. Gedurende dat gesprek heeft de onderhandelaar bemerkt dat er een omslag bij de verdachte plaatsvond, bijvoorbeeld omdat hij in telefoongesprekken met anderen aangaf dat de harde schijf van zijn computer moest worden gewist. Uiteindelijk heeft de verdachte zich overgegeven en is hij aangehouden.
Onderweg naar het politiebureau heeft de verdachte aangegeven dat hij niet meer wist wat er was gebeurd en dat hij niet wist hoe hij aan de wond op zijn vinger kwam (p. 138 e.v. van het dossier).
Na zijn aanhouding heeft de verdachte zich in verschillende verhoren op zijn zwijgrecht beroepen, niet alleen bij de politie, maar ook bij de voorgeleiding bij de rechter-commissaris (bij welke gelegenheid de verdediging de beschikking krijgt over het dossier). In verhoren bij de politie op 12 april 2023, bij de behandeling van de vordering tot gevangenhouding op 19 april 2023 en bij de politie op 15 mei 2023 heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem met een mes/dolk heeft aangevallen en dat hij zich daartegen heeft verweerd. Na 15 mei 2023 heeft de verdachte in verhoren geen inhoudelijke verklaring meer afgelegd. Uiteindelijk heeft de verdachte op de terechtzitting van 24 augustus 2026 herhaald dat hij de dolk niet heeft meegenomen naar [slachtoffer] ’s woning en dat hij in de woning door [slachtoffer] is aangevallen met de dolk.
Uit het bovenstaande volgt dat de verdachte verschillende versies heeft geschetst over wat er zou hebben plaatsgevonden. Alleen in de laatst vertelde versie komt een noodweersituatie naar voren. Daarbij is van belang dat de rechtbank, in het kader van de vraag of de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, reeds heeft overwogen dat [slachtoffer] door de verdachte met een door hem meegenomen dolk is doodgestoken. Dat de dolk al jaren in het bezit was van [slachtoffer] , zoals de verdachte op de terechtzitting op 24 augustus 2026 heeft verklaard, vindt de rechtbank daarom niet aannemelijk. Daar komt bij dat het DNA-profiel van de sporen op het foedraal van de dolk alleen matchen met het DNA-profiel van de verdachte en niet met dat van [slachtoffer] , hetgeen zich moeilijk verhoudt tot het scenario waarbij [slachtoffer] de dolk al jaren in haar bezit zou hebben en deze zou hebben gepakt om de verdachte aan te vallen. Kortom, de verklaring die de verdachte ten grondslag legt aan zijn tot noodweer strekkende verweer acht de rechtbank niet aannemelijk.
Een noodweersituatie volgt ook niet uit andere onderzoeksbevindingen.
De verdachte heeft na de steekpartij een bloedende wond aan zijn vinger. Hij heeft deze aan de rechtbank laten zien, vertellende dat het een enorme wond is waarmee hij de rest van zijn leven zal moeten leven. De rechtbank heeft echter een klein litteken van enkele (grofweg: 3) centimeters op een vinger gezien, terwijl de verdachte niet kon aangeven of de wond ooit is gehecht. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte vlak na zijn aanhouding niet kon aangeven hoe hij aan de wond is gekomen. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte 20 steekletsels en 12 snijletsels heeft toegebracht. Het is daarmee beslist niet aannemelijk geworden dat de wond van de verdachte verband houdt met een aanval door [slachtoffer] .
Ook de omstandigheid dat het DNA-profiel van [slachtoffer] overeenkomt met het DNA-profiel van een spoor dat is aangetroffen op het heft van de dolk waarmee zij is gestoken, maakt niet daaruit kan worden geconcludeerd dat zij die dolk op enig moment heeft vastgehad, laat staan dat zij daarmee de verdachte heeft aangevallen.
De rechtbank overweegt verder dat de verklaringen van de verdachte, voornamelijk afgelegd tijdens zijn laatste woord, over de mentale toestand van [slachtoffer] op 7 april 2023 en zijn eigen troostende en ondersteunende handelen op dat moment geen enkele steun vinden in het dossier. Uit het dossier blijkt juist het tegenovergestelde. De relatie tussen de twee was sinds februari 2023 door [slachtoffer] verbroken en uit het dossier blijkt dat de verdachte sindsdien mentaal instortte. Het ging erg slecht met hem, niet met haar. Hij zocht aan alle kanten hulp, maar het lukte niet er bovenop te komen. Hij zocht steun bij de familie van [slachtoffer] en kreeg deze ook, maar toch bleef hij achteruit gaan. Hij kon er kennelijk niet mee leven om zonder [slachtoffer] verder te moeten leven.
Andersom blijkt uit het dossier juist dat [slachtoffer] sinds het einde van de relatie het gevoel had dat er een last van haar schouders was gevallen. Zij was opgelucht en pakte haar leven op. Uit niets blijkt dat [slachtoffer] in die periode actief last had van psychoses. Ook blijkt uit niets dat de psychische problemen die [slachtoffer] in het verleden heeft gehad, resulteerden in agressieve episodes, zoals de verdachte beweert. Alles in het dossier wijst erop dat de verdachte het mentaal enorm zwaar had en zich niet staande wist te houden, terwijl [slachtoffer] in die periode juist leek op te bloeien. Iedere bewering van het tegenovergestelde komt uit de koker van de verdachte en vindt verder geen enkele steun in het dossier. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste scenario, dat zij hem miste, dat hij haar moest troosten en dat zij in een agressieve psychose belandde en hem aanviel, dan ook niet aannemelijk.
De rechtbank oordeelt dat een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] jegens de verdachte niet aannemelijk is geworden. Dat maakt dat zowel het noodweer- als het noodweerexcesverweer verworpen worden.
Het bij dagvaardingen I en II bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
5. De oplegging van een straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: GVM) wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, in geval van verwerping van het beroep op noodweer(exces), verzocht de eis te matigen en een lagere gevangenisstraf op te leggen en heeft daarnaast verzocht geen maatregel tot terbeschikkingstelling of GVM op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten en de proceshouding van de verdachte
De verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] in haar woning op gruwelijke wijze vermoord door haar met een geslepen dolk tientallen malen te steken en snijden. De verdachte kon het kennelijk niet verkroppen dat [slachtoffer] ervoor koos zonder hem verder te leven. [slachtoffer] heeft het onvermogen van de verdachte om zijn emoties te reguleren, moeten bekopen met de dood. Ook de nabestaanden moeten zonder hun dochter, zus en vriendin verder. Blijkens het dossier, hun aanwezigheid op de vele zittingen en de voorgedragen slachtofferverklaringen, hadden zij allen een zeer liefdevolle en betrokken relatie met [slachtoffer] . Het verlies is voor hen enorm, te meer omdat zij veel hebben gedaan om de verdachte te helpen met zijn mentale problemen, ook nadat de relatie met [slachtoffer] ten einde was gekomen.
In zijn poging de moord te doen voorkomen als zelfverdediging heeft de verdachte verklaringen afgelegd over de persoon die [slachtoffer] was. Die verklaringen zijn overwegend onjuist en zijn grievend en beschadigend voor de nabestaanden. De verdachte beweert mee te leven met de familie, maar uit zijn uitlatingen en gedrag blijkt het tegenovergestelde. Tijdens de terechtzitting heeft de verdachte verklaard het vreselijk te vinden hoe erg de familie van [slachtoffer] zal hebben geleden, maar dat dit niks zal zijn vergeleken met hoe de verdachte zelf en zijn familie hebben geleden; een zeer ongepaste en kwetsende opmerking tegenover mensen die een familielid zijn verloren. Ook de opmerking dat hij ‘zijn leven lang met een enorm litteken aan zijn vinger zal moeten leven’, die hij op de terechtzitting meerdere malen heeft herhaald, acht de rechtbank zeer ongepast. Het zijn de nabestaanden die moeten leven met het verlies van hun vriendin, zus en dochter. Een deel van de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd om [slachtoffer] in diskrediet te brengen en om zijn eigen noodweerscenario te onderbouwen, zijn pas bij het laatste woord afgelegd. Dat is drie jaar en vier maanden na de gebeurtenis en op dat moment is er geen gelegenheid meer voor een weerwoord. Dit draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de ernst van het door de verdachte gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor de nabestaanden.
Moord is het ernstigste delict dat het Wetboek van Strafrecht kent. In deze zaak is er bovendien sprake van ex-partnerdoding. Dit veroorzaakt in de samenleving – ook bij niet direct betrokkenen – gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid. De maatschappelijke aandacht voor wat in de media en wetenschappelijke stukken als femicide of vrouwenmoord wordt aangeduid, maakt de samenleving bewust van de potentiële kwetsbaarheid van vrouwen wanneer zij eigen keuzes maken in hun leven die door hun partner niet gewenst zijn, zeker wanneer die partner in dat leven geen plaats meer heeft. Het handelen van de verdachte versterkt deze gevoelens in de samenleving.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het bezit van 6.255 kinderpornografische afbeeldingen en video’s. Hoewel de nadruk in deze zaak ligt op de hiervoor besproken moord, mag ook de ernst van dit feit niet onderbelicht worden. Het grootste aantal minderjarigen op de foto’s en video’s was jonger dan 12 jaar; een groot aantal zelfs jonger dan 2 jaar. Het betreft dus een zeer ernstig feit dat de samenleving ernstig shockeert en daarmee ook op zichzelf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Bij de productie van kinderpornografisch materiaal worden minderjarigen uitgebuit en gedwongen tot het poseren en het ondergaan van handelingen die op ernstige wijze inbreuk maken op hun lichamelijke integriteit. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van het misbruik van kinderen ten behoeve van dit beeldmateriaal. Dergelijk seksueel misbruik zal in de regel leiden tot ernstige lichamelijke en psychische schade bij de betrokken kinderen. De verdachte heeft aan dit alles een bijdrage geleverd. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 februari 2024. Daaruit blijkt dat hij recentelijk niet in aanraking is gekomen met justitie.
Oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging
Voor de oplegging van de last tot terbeschikkingstelling aan de verdachte (hierna: de tbs-maatregel) ex artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is een noodzakelijke voorwaarde dat de rechter het bestaan van een psychische stoornis tijdens het begaan van het feit vaststelt en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen (“gevaarscriterium”) het opleggen van de tbs-maatregel eist. De oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging ex artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht verlangt een dusdanig gevaar voor ernstige recidive dat die dwangverpleging geboden is. Ook kan de rechter de ernst van het begane feit en de omstandigheden waaronder het is begaan betrekken bij zijn oordeel of de oplegging van de tbs-maatregel noodzakelijk is. De oplegging van de tbs-maatregel ziet enerzijds op maatschappelijke beveiliging (door gedwongen opname van de verdachte in een instelling) en anderzijds op re-integratie van de ter beschikking gestelde door middel van behandeling en/of verpleging.
Alvorens de maatregel op te leggen, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Ingevolge artikel 37a lid 4 van het Wetboek van Strafrecht kan een zogenaamde weigerende observandus, waarvan hier sprake is, slechts op last van de rechter ter beschikking worden gesteld nadat een psychische stoornis is vastgesteld, nadat - voor zover mogelijk - een rapport over de reden van de weigering is opgemaakt door gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk en zoveel mogelijk andere adviezen of rapporten omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last tot de tbs-maatregel aan de rechter zijn overgelegd.
De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de oplegging van de tbs-maatregel en een bevel tot dwangverpleging in het onderhavige geval mogelijk en aangewezen is.
Rapportages
De verdachte is twee keer geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC). Tijdens zijn observatie in 2024 heeft hij niet meegewerkt aan de observatie. Daarna heeft de officier van justitie ex artikel 37a lid 7 van het Wetboek van Strafrecht gevorderd dat de medische geschiedenis van de verdachte moest worden verstrekt en dat verzoek is door de penitentiaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren toegewezen. Namens de verdachte is tegen deze beslissing cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, maar dat beroep is verworpen. Na de verstrekking van de medische geschiedenis van de verdachte is hij in 2026 wederom in het PBC geplaatst voor observatie. Ook tijdens deze observatie heeft hij zijn medewerking grotendeels geweigerd. In mei 2026 is een reclasseringsrapportage over de verdachte opgemaakt.
PBC rapportage van 29 januari 2024
Uit de rapportage van 29 januari 2024 van psycholoog Van de Kant en psychiaters Lamberts en Grochowska volgt dat uit de beschikbare informatie over de verdachte een beeld naar voren komt van een man met een instabiel zelfbeeld en beperkte draagkracht. Hoewel hij moeite lijkt te hebben om voor zichzelf te zorgen, zet hij zichzelf steviger neer dan hij waar kan maken. Hierdoor lijkt de verdachte snel overvraagd te worden. De spanning die dit oproept, neigt hij vervolgens te dempen met cannabis- en alcoholgebruik, gamen en (losse) seksuele contacten. In het algemeen is hij geneigd om zichzelf groter maken dan dat hij zich voelt. Ook de aanwijzingen voor problemen in de concentratie en de impulsregulatie wijzen op tekortschietende copingvaardigheden.
Tezamen met de observaties die gedurende de onderzoeksperiode zijn verkregen, worden er aanwijzingen gezien voor meer beperkingen bij de verdachte. Het algemene begripsniveau lijkt laag te zijn. Hij is in hoge mate gericht op zijn eigen behoeften en beleving, geeft nauwelijks blijk van zelfreflectie en lijkt zich ook slechts op oppervlakkige en weinig doorleefde wijze te kunnen verplaatsen in anderen. Voorts valt op dat de verdachte ertoe neigt zijn minder positieve gedragingen te verbloemen of te bagatelliseren en zijn persoonlijke klachten vanuit eenzelfde (inadequate) geldingsdrang op appellerende wijze te onderstrepen, waarbij vervolgens herhaaldelijk blijkt dat er voor de genoemde klachten weinig onderbouwing wordt gevonden. Ook valt het de onderzoekers op dat de verdachte in zijn emotionele belevingen erg vluchtig kan zijn en snel van stemming kan wisselen.
Al met al concluderen de onderzoekers dat het beeld dat in de collaterale informatie van de verdachte wordt geschetst de nodige zorgen oproept; de observaties die van de verdachte zijn gedaan gedurende dit onderzoek nemen die zorgen niet weg. Oorzakelijk lijkt er een samenspel te zijn tussen een zekere mate van hechtings- en emotie-regulatieproblematiek, een mogelijke verstandelijke beperking en een vorm van ontwikkelingsproblematiek. De precieze ernst van de beperkingen en de onderlinge samenhang konden door de weigering van de verdachte echter niet met hem worden uitgeplozen.
Door de genoemde onderzoeksbeperkingen hebben de onderzoekers de verdachte niet
voldoende in beeld gekregen om gefundeerde diagnostische uitspraken te kunnen doen.
Hoewel er wel degelijk aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van disfuncties op
verschillende gedragskundige domeinen, kunnen de onderzoekers geen specifieke
psychische stoornis onderbouwen.
Gezien het feit dat er geen concrete diagnostische uitspraken kunnen worden gedaan, er cruciale informatie mist over het functioneren van de verdachte en eventuele contextuele factoren en er geen duidelijk zicht is verkregen op een delictscenario (de verdachte legtwisselende verklaringen af bij de politie) is het voor de onderzoekers niet mogelijk aan te geven op welke wijze het beschreven disfunctioneren in het tenlastegelegde kan hebben doorgewerkt. Ook kunnen onderzoekers daarom geen uitspraak doen over de mate waarin de verdachte eventueel minder dan de gemiddelde mens in staat zou zijn geweest om af te zien van het tenlastegelegde, en of er dus sprake geweest zou kunnen zijn van verminderde toerekenbaarheid.
Ook aangaande het risico op recidive kunnen de onderzoekers gelet op de genoemde beperkingen geen geïndividualiseerde uitspraken doen. Wel kan worden gesteld dat er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van enigerlei psychische problematiek, en daarmee samenhangend, een nu niet te specificeren mate van risicofactoren binnen en buiten detentie.
Aanvullende PBC rapportage 19 mei 2026
Uit de rapportage van psycholoog Van de Kant en psychiater Grochowska van 19 mei 2026 volgt dat de verdachte zijn medewerking aan het aanvullende zesweekse klinische onderzoek opnieuw grotendeels heeft geweigerd, waarbij zijn procespositionele belangen en de angst voor de tbs-maatregel met bevel tot verpleging waarschijnlijk een rol hebben gespeeld. De manier waarop de verdachte zijn procespositie heeft vormgegeven, lijkt samen te hangen met onderliggende persoonlijkheidsproblematiek, waarbij een sterke behoefte aan controle en interpersoonlijke sturing naar voren komt. De verdachte heeft de neiging laten zien om het onderzoeksproces naar eigen inzicht ”bij te sturen” door slechts selectieve informatie over zichzelf te verstrekken en door het benadrukken of het afzwakken van bepaalde aspecten van zijn functioneren in het verleden en in het hier-en-nu. Tijdens de gesprekken trachtte hij de regie over te nemen door te onderhandelen over of het afzeggen van afspraken en het bepalen van het gesprekstempo, waardoor de gesprekken uitliepen of niet alles besproken kon worden. Daarnaast probeerde hij sturing te geven aan de gesprekken door bepaalde (voor het onderzoek relevante) thema’s te vermijden, door dezelfde zinnen te herhalen en door sociaal wenselijke of juist tegenstrijdige antwoorden te geven. Soms ging dit gepaard met het expliciet ter discussie stellen van de deskundigheid van de onderzoekers, de milieuonderzoeker en de groepsleiding. Idealiserende en devaluerende percepties van de onderzoekers wisselden elkaar in een hoog tempo af, soms
in hetzelfde gesprek.
Op de verblijfsafdeling is geen psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin waargenomen.
Ondanks de vele klachten die de verdachte uitte, maakte hij op het personeel een stabielere indruk dan tijdens de eerdere opname. De door moeder en jongere broer aan de milieuonderzoeker verstrekte aanvullende informatie heeft geen nieuwe inzichten in zijn problematiek opgeleverd.
De verdachte gaf in het gesprek over zijn (door de officier van justitie opgevraagde) medisch dossier aan dat hij zich niet kon vinden in de eerder gestelde diagnoses door GGZ Kristal, waaronder een persoonlijkheidsstoornis en een licht verstandelijke beperking, en betwijfelde de betrouwbaarheid ervan, aangezien hij, naar zijn zeggen, zijn toenmalige klachten en symptomen heeft aangedikt, vragenlijsten bewust fout heeft ingevuld en bewust heeft ondergepresteerd op het intelligentieonderzoek. Hij was echter niet bereid om mee te werken aan een nieuw testpsychologisch- en intelligentieonderzoek om deze diagnoses alsnog te objectiveren. Evenmin heeft hij toestemming gegeven om actuele medische informatie op te vragen bij de zorgpsychiater en de medische dienst van het PBC, waardoor het huidige medicatiebeleid (een antidepressivum en relatief hoge doseringen benzodiazepines) niet kon worden geëvalueerd. Omdat de verdachte het psychiatrisch en psychodiagnostisch onderzoek heeft geweigerd, is het niet mogelijk geweest om zijn huidige klachten, zoals slaapproblemen, nachtmerries en geheugenproblemen, nader te exploreren. Daarom kunnen de diagnoses depressie, PTSS, een andere angststoornis en/of een nagebootste stoornis niet gesteld worden, maar ook niet uitgesloten worden.
In vergelijking met het eerdere PBC-onderzoek is de verdachte iets meer in contact getreden
met de onderzoekers, echter zonder dat dit tot verdieping heeft geleid. Wel is er meer zicht
verkregen op zijn persoonlijkheidsfunctioneren en zijn niveau van intellectueel functioneren. Op basis van de gespreksindrukken tijdens het huidige onderzoek, het geobserveerde (adaptief) functioneren op de afdeling en het zicht op zijn schoolopleiding wordt de intelligentie op ten hoogste beneden gemiddeld niveau geschat, waarbij er geen specifieke aanwijzingen voor forensisch relevante intellectuele beperkingen zijn. Daarom wordt de eerder vastgestelde licht verstandelijke beperking niet overgenomen. Ten aanzien van de persoonlijkheid kan worden gesteld dat de interacties met de onderzoekers werden gekenmerkt door een heftige persoonlijkheidsdynamiek, waarbij sprake was van sterke behoefte aan aandacht, moeite met loslaten, sterke afweer en beperkte zelfreflectie. Er is over de twee opnameperiodes heen een voldoende consistent beeld ontstaan om een persoonlijkheidsstoornis vast te stellen. Immers, ook uit de beschikbare medische informatie van voor de PBC-opnames en de tussenliggende periode komt een langdurig en stabiel patroon van ernstig disfunctioneren op alle levensgebieden (werk, relaties, vrijetijdsbesteding) naar voren, op het gebied van emoties, het gedrag en het denken.
Classificerend wordt gesproken van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met (gemengde) narcistische, borderline, theatrale en antisociale trekken. De kern van zijn persoonlijkheidsproblematiek wordt gevormd door een sterke behoefte aan erkenning, waardering en bevestiging. De verdachte heeft veel moeite (gehad) met het accepteren van autoriteiten en raakt snel in conflicten met anderen, onder wie leidinggevenden. Binnen
een sociale werkplaats ervoer hij langere tijd wel plezier en voldoening. Zijn zelfbeeld en identiteit zijn instabiel, het vermogen tot empathie en zelfreflectie is beperkt. Hij kan moeilijk sturing geven aan zijn eigen leven. Hij heeft baat bij structurerende activiteiten en het sporten. Via een alternatieve levensstijl zet hij zich af tegen gangbare maatschappelijke normen en verwachtingen, wat tevens wordt gezien als een manier (coping) om structuur in zijn leven aan te brengen. De beschikbare informatie en verschillende contexten geven een beeld van zowel internaliserende (angst, depressieve klachten, suïcidale gedachten) als externaliserende symptomen (impulsief, soms grensoverschrijdend agressief gedrag). In de stressvolle periodes en wanneer de psychologische holding wegvalt, kunnen problemen in de zelfregulatie, en daarmee samenhangende stemmingswisselingen, toenemen. In stressvolle situaties en vooral bij oplopende complexiteit, kunnen overzicht en inzicht onder druk komen te staan.
Naast de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis zijn er aanwijzingen voor problematisch alcohol- en cannabisgebruik (misbruik), maar wegens onvoldoende informatie over de aard en frequentie van het gebruik is het niet mogelijk om een stoornis in het gebruik te classificeren. De verdachte heeft daarnaast verteld aan de onderzoekers dat hij als kind seksueel is misbruikt, maar heeft hierover geen verdere vragen beantwoord. Ook op andere thema’s gerelateerd aan seksualiteit, zoals zijn seksuele voorkeuren en behoeften, is nauwelijks zicht verkregen. Een seksuele stoornis kan op basis van zeer beperkte informatie daarom niet worden onderbouwd, maar ook niet worden uitgesloten.
Differentiaal diagnostisch is ten slotte nog overwogen of sprake zou kunnen zijn van een
neurobiologische ontwikkelingsstoornis, zoals bijvoorbeeld ADHD of een autismespectrum-
stoornis, maar op basis van de beschikbare informatie zijn hier onvoldoende aanwijzingen voor. Evenmin zijn er aanwijzingen voor een psychotische stoornis of een bipolaire stoornis.
De persoonlijkheidsstoornis betreft een duurzaam patroon van disfunctioneren en was daarom ook aanwezig ten tijde van ten laste gelegde. Wegens de weigering van de verdachte om over het tenlastegelegde (moord c.q. doodslag op zijn ex-partner) met de onderzoekers te praten is er onvoldoende inzicht verkregen in zijn beweegredenen, belevingen en gedragingen in de aanloop tot en tijdens het tenlastegelegde en de wijze waarop deze een rol zouden kunnen hebben gespeeld bij de totstandkoming ervan. Behalve dat er nog diagnostische onduidelijkheden zijn, zijn er ook meerdere delictscenario‘s mogelijk waarin de hypothese over de mate van doorwerking kan variëren. Dit geldt temeer voor het voorhanden hebben van kinderporno. Daarom is het niet mogelijk om vast te stellen of de stoornis van de verdachte heeft doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten en, zo ja, op welke manier dit gebeurde, indien bewezen.
Gelet op het voorgaande kunnen de onderzoekers geen advies gericht op recidivebeperking formuleren binnen een juridisch kader.
Reclasseringsadvies (“de tbs-maatregel met voorwaarden”) van 9 juni 2026
In het door reclasseringsmedewerker [naam 1] uitgebrachte advies van 9 juni 2026 wordt geconcludeerd dat de verdachte beperkt heeft meegewerkt aan het PBC-rapport. In gesprek met de reclassering trekt de verdachte de conclusies van het PBC-onderzoek in twijfel. De reclassering heeft vanwege gebrekkige diagnostiek, het ontbreken van een risicotaxatie en het ontbreken van een behandeladvies onvoldoende aanknopingspunten om tot een onderbouwd reclasseringsadvies te komen over de haalbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht. De conclusies van de gedragsdeskundigen dat bij de verdachte – samengevat – sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met (gemengde) narcistische, borderline, theatrale en antisociale trekken en dat die (“heftige”) persoonlijkheidsstoornis een duurzaam patroon van disfunctioneren betreft en daarom ook aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde, neemt de rechtbank over.
Het beeld dat de rechtbank tijdens het onderzoek op de terechtzitting heeft gekregen van de verdachte sluit naadloos aan bij de observaties van de gedragsdeskundigen. De door hen beschreven sterke behoefte aan erkenning, waardering en bevestiging is ook door de rechtbank waargenomen. De verdachte heeft het onderzoek op de terechtzitting willen controleren, zoals onder andere blijkt uit de volgende uitspraken:
“Wat zou u dan doen meneer de voorzitter?”
“Uw naam is toch (…), meneer de voorzitter?”
“Wie heeft dit opgeschreven? Ik wil de naam van de rapporteur weten.”
“Als u antwoord op uw vraag wil, moet u eerst naar dit (andere) verhaal luisteren.”
(herhaaldelijk) “U moet mij laten uitpraten.” en
“Het ergste van alles is dat die maatschappelijk werkster naar de politie is gegaan, daarmee heeft ze mijn vertrouwen beschaamd, wat vindt u daar van?”
Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kon de verdachte weinig tot niet op zijn eigen handelen reflecteren. Zo kon hij niet direct verklaren over zijn eigen handelen en verklaarde hij op de vraag hoe [slachtoffer] aan haar verwondingen is gekomen dat “ieder weldenkend mens zou hebben gedaan wat ik heb gedaan” en dat “er steekwonden moeten zijn gevallen”. Daarnaast legde hij de schuld van het gebeurde grotendeels bij anderen en lag zijn focus voornamelijk op zijn eigen slachtofferschap (“ik zal de rest van mijn leven moeten leven met het litteken dat ik door het incident op mijn hand heb”, “het lijden van de nabestaanden zal niets zijn vergeleken met hoe mijn familie en ik hebben geleden” en “als ik had geweten dat de maatschappelijk werkster de politie had ingeschakeld, had ik me wel achter mijn kop gekrabd. Dan was ik er waarschijnlijk niet heen gegaan [toevoeging rechtbank: naar [slachtoffer] ]. Als dokters en hulpverleners gewoon eerlijk waren geweest, had er een hoop ellende bespaard kunnen worden”). Zijn schaarse uitingen van empathie met [slachtoffer] en de nabestaanden kwamen onwaarachtig en ongeloofwaardig over, met name nu die uitingen nagenoeg steevast werden opgevolgd door verwijten en beschuldigingen aan het adres van [slachtoffer] en haar familie.
Tijdens de bespreking van de persoonlijke omstandigheden heeft hij met name de aanval geopend op de rapporteurs (“Ze zeggen onafhankelijk te zijn, maar…” en “de maatschappelijk werkster moet zich kapot schamen”). Ieder gesprek en iedere bevinding worden in twijfel getrokken. Wanneer wordt voorgehouden dat de deskundigen niet hebben kunnen vaststellen of de stoornis heeft doorgewerkt in het delict, verklaart de verdachte opvallend genoeg dat zij “de gedragsdeskundigen zijn en er goed naar hebben gekeken”.
De gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat – vanwege de beperkte medewerking van de verdachte aan het onderzoek en zijn wisselende verklaringen over het delict – er meerdere delictsscenario’s mogelijk zijn en dat een advies gericht op recidivebeperking binnen een juridisch kader (de rechtbank begrijpt: de tbs-maatregel) daarom niet mogelijk is.
De rechtbank – voortvloeiend uit het verschil in taak van de gedragsdeskundige en de rechter – heeft wel kunnen komen tot vaststellingen over de intentie waarmee de verdachte met een (geslepen) dolk naar de woning van [slachtoffer] is gegaan. Zie in dit verband ook ECLI:NL:GHAMS:2023:1327 en ECLI:NL:HR:2025:497.
Uit wat hiervoor is vastgesteld en overwogen in verband met de bewijsvraag volgt de feitelijke toedracht van het handelen van de verdachte en over dat wat hem tot dat handelen heeft bewogen. In de kern komt het erop neer dat de verdachte geen realistisch beeld van zichzelf en de relatie met [slachtoffer] had en zich niet kon inleven in [slachtoffer] ’s belangen en haar beweegredenen om geen relatie meer met hem te willen. Er was geen enkele ruimte voor de tegenovergestelde beleving van [slachtoffer] , waarvoor overigens steun is te vinden in de berichten die zij naar haar familie heeft gestuurd en de gesprekken die haar familie met de verdachte heeft gevoerd. Daarbij volgt uit het dossier – zoals hiervoor is vastgesteld – dat niet [slachtoffer] , maar de verdachte zich in een zeer slechte toestand bevond omdat zij hem had verlaten. Ook bij een eerdere relatiebreuk liet de verdachte al dergelijk gedrag zien. De relatiebreuk met [slachtoffer] heeft de verdachte niet kunnen verkroppen, waarna hij [slachtoffer] heeft vermoord. Vervolgens heeft de verdachte in de aanloop naar en op de terechtzitting een scenario geschetst waarin niet hij, maar zij de boosdoener was. Dat spreekt onder meer uit zijn verklaring over [slachtoffer] ’s vermeende gewelddadige psychose tijdens het incident, waarvoor – in tegenstelling tot verdachtes gewelddadige intenties – geen enkele steun in het dossier is gevonden.
De door de verdachte gevoelde krenking en perceptie over het delict staan naar het oordeel van de rechtbank in nauw verband met de door de gedragsdeskundigen bij de verdachte geconstateerde persoonlijkheidsstoornis. En die krenking en perceptie hebben de verdachte doen besluiten om op zeer brute en gewelddadige wijze een einde te maken aan het leven van [slachtoffer] . In die zin heeft de stoornis naar het oordeel van de rechtbank direct doorgewerkt in het delict. De rechtbank overweegt dat in de medische stukken die zijn weergegeven in het aanvullend PBC-rapport staat dat de verdachte in het verleden een relatie heeft gehad die na ongeveer acht jaar eindigde. De verdachte voelde zich na die relatie onrustig, depressief, suïcidaal en hij kon niet meer werken. Volgens deze ex-vriendin stuurde de verdachte haar na de breuk nog geregeld sms-berichten en probeerde hij haar, onder andere door medelijden op te roepen, terug te krijgen. De verdachte zou haar achterop bij de fiets van haar nieuwe vriendje zijn tegengekomen en zou tegen [getuige 1] hebben gezegd dat hij haar overhoop wilde steken. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in het verleden dus al een enorme inzinking heeft gekregen na het beëindigen van een relatie en er zijn aanwijzingen dat hij ook toen al speelde met de gedachte om zijn frustraties op fysiek agressieve wijze te uiten richting zijn ex-vriendin. Destijds heeft dat niet geresulteerd in een agressieve confrontatie met zijn ex-vriendin, maar dit keer, met [slachtoffer] , wel.
Uit het dossier blijkt verder dat de verdachte in de korte periode tussen het eindigen van de relatie met [slachtoffer] en de dood van [slachtoffer] al via datingapps in contact was met andere personen. De rechtbank acht op grond van het dossier en de persoonsrapportages tevens aannemelijk dat de verdachte ook in de toekomst op zoek zal gaan naar relaties, hetgeen de rechtbank gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek bijzonder risicovol acht.
Gelet op het door de gedragsdeskundigen geconstateerde duurzame patroon van verdachtes disfunctioneren op alle leefgebieden, alsmede de aanloop naar, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer] heeft vermoord, bestaat volgens de rechtbank bovendien een groot risico dat de verdachte, indien behandeling uit blijft, in een volgende intieme relatie in dezelfde patronen zal vervallen, met mogelijk een vergelijkbaar einde.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte een intensieve behandeling zal moeten ondergaan, teneinde het recidiverisico tot aanvaardbare proporties terug te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt alleen de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging een toereikend behandelkader.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de tbs-maatregel opleggen en het bevel geven dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Uit het voorgaande spreekt dat de rechtbank, anders dan de raadsman en de officier van justitie, van oordeel is dat oplegging van de tbs-maatregel, afgezet tegen de aard en de ernst van het bewezen delict, noodzakelijk is en dat niet volstaan kan worden met het opleggen van de GVM.
De rechtbank stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezen feit sprake van een persoonlijkheidsstoornis. De door de verdachte begane moord betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van de rechtbank eist de algemene veiligheid van personen zowel de oplegging van de tbs-maatregel aan de verdachte als het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De maatregel zal worden opgelegd wegens moord, een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de tbs-maatregel niet is gemaximeerd.
Overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte is aangehouden en in verzekering gesteld op 7 april 2023 en dit vonnis is gewezen op 7 september 2026. De redelijke termijn, voor gedetineerden zestien maanden, is dus met ongeveer twee jaar overschreden. Deze overschrijding is voornamelijk te wijten aan de vele procedures die uiteindelijk hebben geleid tot twee Pro Justitia-rapportages van het Pieter Baan Centrum. Hoewel deze mede het gevolg zijn geweest van de niet-meewerkende houding van de verdachte, merkt de rechtbank op dat aan de verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn rechten effectueert en ook is het niet aan hem te wijten dat de wachttijden bij de betrokken (gerechtelijke) instanties zo lang zijn. De rechtbank zal dus niet slechts volstaan met een constatering van de overschrijding, maar zal hiermee rekening houden in strafverlagende zin.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke
vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Voor moord geldt dat de rechtbank noch het openbaar ministerie richtlijnen of oriëntatiepunten hanteren voor straftoemeting. De bandbreedte bij een first offender is grof gezegd vijftien tot twintig jaar gevangenisstraf. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder de gruwelijke wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gekomen, het feit dat het om ex-partnerdoding gaat en gelet op de proceshouding van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak volstaan zou moeten worden met een gevangenisstraf die deze bandbreedte te boven gaat, te weten 21 jaar. Gelet op de oriëntatiepunten acht de rechtbank voor het aanwezig hebben van de kinderporno, een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden. Dat zou een gevangenisstraf van 22 jaar betekenen, waarbij de rechtbank in verband met het overschrijden van de redelijke termijn een gevangenisstraf van 21 jaar in beginsel passend en geboden zou vinden.
In deze zaak is de rechtbank echter van oordeel dat naast een gevangenisstraf ook een tbs-maatregel met dwang dient te worden opgelegd. Gelet op de verstrekkende gevolgen hiervan voor de verdachte en de wetenschap dat dit doorgaans ook tot vele jaren vrijheidsbeneming leidt, zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf verlagen.
De rechtbank komt tot de slotsom dat in deze zaak passend en geboden is dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en de tbs-maatregel met dwang worden opgelegd en zal hiertoe dan ook overgaan.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van de GVM als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de GVM moet worden opgelegd, voor het geval de verdachte na het uitzitten van de langdurige gevangenisstraf en na afloop van de tbs-behandeling in vrijheid zal worden gesteld. De rechtbank ziet de noodzaak van de oplegging van de GVM om de kans op herhaling van gewelddadig gedrag zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank onderkent dat voorwaarden in het kader van de GVM pas over vele jaren kunnen worden opgelegd, maar overweegt dat de wetgever, gelet op de wetgeschiedenis bij de invoering van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, met name het oog heeft gehad op zware gewelds- en zedendelicten.
De rechtbank zal daarom de GVM opleggen aan de verdachte.
6. De vorderingen van de benadeelde partijen
[naam 2] (de vader van [slachtoffer] ), [naam 3] (de moeder van [slachtoffer] ) en [naam 4] (roepnaam [naam 4] , de zus van [slachtoffer] ) hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding gevorderd van:
- [naam 2] , € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [naam 3] , € 18.447,44, bestaande uit € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 947,44 aan materiële schade (kosten gerelateerd aan het afvoeren van de inboedel en overige goederen uit de woning van [slachtoffer] ), te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [naam 4] , € 20.000,- aan immateriële schade (shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen volledig kunnen worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op het beroep op noodweer(/-exces).
Het oordeel van de rechtbank
Affectieschade [naam 2] en [naam 3]
Ten aanzien van de gevorderde affectieschade die door [naam 2] en [naam 3] is gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat zij beiden als ouders van [slachtoffer] recht hebben op affectieschade zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade. De benadeelde partijen vallen onder categorie d van het besluit en hebben recht hebben op het vastgestelde bedrag van meerderjarige niet-thuiswonende kinderen, namelijk € 17.500,-. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade toewijzen aan deze benadeelde partijen.
Materiële schade [naam 3]
De rechtbank zal ook de door [naam 3] gevorderde materiële schade van € 947,44 toewijzen, nu deze schade het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit en de benadeelde partij de schade voldoende heeft onderbouwd en deze door de verdediging niet is betwist.
Shockschade [naam 4]
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van shockschade mogelijk. Vergoeding daarvan kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Uit de schok dient geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dit zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Geestelijk letsel dient in rechte te worden vastgesteld, dat zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat aan alle criteria is voldaan. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij [naam 4] haar zus [slachtoffer] heeft moeten identificeren en daardoor direct is geconfronteerd met de schokkende wijze waarop haar zus [slachtoffer] om het leven is gebracht. [slachtoffer] had ernstige, visueel gruwelijke verwondingen in haar hals en bovenlichaam, wat voor de benadeelde partij een enorme schok teweeg heeft gebracht. Dit is te meer invoelbaar nu het gaat om haar zus en zij blijkens het dossier een nauwe affectieve band met elkaar hadden. De benadeelde partij en [slachtoffer] waren zeer betrokken in elkaars leven.
Verder is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat zij aan de gevolgen van de directe confrontatie met het verminkte lichaam van haar zus PTSS en een recidiverende depressieve stoornis heeft opgelopen. Ook heeft zij de woning van haar zus moeten opruimen en schoonmaken.
Gelet op voorgaande, de deugdelijke onderbouwing, de omstandigheid dat de vordering niet is betwist en de bedragen die in de Rotterdamse Schaal worden genoemd bij dergelijk geestelijk letsel bij shockschade, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 20.000,- volledig toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal ten aanzien van alle toegewezen bedragen die betrekking heeft op immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 april 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente die betrekking heeft op de materiële schade van [naam 3] toewijzen met ingang van 2 juni 2023, zijnde de datum tussen de eerste en de laatste factuur/betaling (respectievelijk 26 mei 2023 en 10 juni 2023).
Proceskosten
Nu de vorderingen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van:
- € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [naam 2] ;
- € 18.447,44,-, bestaande uit € 17.500,- immateriële schade en € 947,44 materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 17.500,- (immateriële schade) vanaf 7 april 2023 en over een bedrag van € 947,44 (materiële schade) vanaf 2 juni 2023, steeds tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [naam 3] ;
- € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [naam 4] .
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen laptop en het mes worden onttrokken aan het verkeer en dat de slijpsteen verbeurd wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit is begaan.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57, 240b (oud) en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden', van het NFI, op 26 juli 2023 opgemaakt en ondertekend door I.H.R. Hundscheid, arts en forensisch patholoog (p. 1.302-1.310);
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
moord;
ten aanzien van dagvaarding II:
een afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partijen
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van:
- € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade, aan [naam 2] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
- € 18.447,44,-, bestaande uit € 17.500,- immateriële schade en € 947,44 materiële schade, aan [naam 3] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 17.500,- (immateriële schade) vanaf 7 april 2023 en over een bedrag van € 947,44 (materiële schade) vanaf 2 juni 2023, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
- € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade, aan [naam 4] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van:
- € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [naam 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 112 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- € 18.447,44, bestaande uit € 17.500,- immateriële schade en € 947,44 materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 17.500,- vanaf 7 april 2023 en over een bedrag van € 947,44 vanaf 2 juni 2023, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 116 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [naam 4] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten 1 STK mes en 1 STK computer;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, te weten 1 STK slijpsteen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.M. Krans, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 september 2026.
Bijlage I: gebruikte bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023103640, onderzoek KEI / DH6R023017, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek (p. 1 t/m 1.410).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 april 2023, voor zover inhoudende (p. 35-41):
MELDING
Op 7 april 2023 om 11:29 uur werd er naar de meldkamer gebeld vanaf het telefoonnummer
[telefoonnummer] . In deze melding geeft de melder aan dat hij zijn ex heeft vermoord.
IDENTITEIT MELDER
De melding is afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Van genoemd
telefoonnummer zijn de gebruikersgegevens gevorderd, waaruit blijkt dat genoemd
telefoonnummer op naam staat van:
[verdachte] , woonachtig op de [adres 2] .
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 april 2023, voor zover inhoudende (p. 42-43):
Ik hoorde dat een Katwijkse politie eenheid naar de [flat] werd gestuurd.
Hier zou op de 12de etage een man zitten die bij de meldkamer had aangegeven dat hij zijn
ex vriendin had vermoord. Volgens werd enige tijd later duidelijk dat zijn ex-vriendin zou
wonen op de [adres 1] .
Ik ben vervolgens met een collega motoragent de woning ingestapt. Ik zag dat tussen de
bank en een salontafel een vrouw half onderuitgezakt met haar billen op de grond zat. Ik zag
dat haar hoofd richting het raam gedraaid was en dat haar hoofd tegen het hoek gedeelte van
de bank ruste. Het leek alsof deze vrouw van de bank was gegleden en zo op de grond was
gegleden. Ik zag dat er op bank een flinke bloedvlek zat, ik schat dat deze bloedvlek een
diameter van 40 a 50 centimeter had. Deze bloedvlek zat in de buurt waar het hoofd van de
vrouw op de bank ruste. Ik zag dat de vrouw meerdere steekwonden in haar borst had. Ik
zag vervolgens dat er ook verschillende diepe steekwonden in haar hals zaten.
Ik voelde vervolgens in de hals van de vrouw. Ik voelde geen hartslag in de hals. Ik voelde vervolgens aan de rechterpols van de vrouw. Ook hier voelde ik geen hartslag, de pols van de vrouw voelde zelf al iets koud aan.
Niet veel later kwamen er drie ambulance broeders ter plaatse en ook deze hebben vastgesteld dat er geen leven meer in de vrouw zat.
Inmiddels was duidelijk geworden dat de vrouw die overleden in de woning lag geboren op
[geboortedatum 2] 1988 bleek te zijn. Ze gaat door het leven als vrouw, ze noemt zichzelf [slachtoffer] .
3. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 7 april 2023, voor zover inhoudende (p. 75-78):
Op vrijdag 7 april 2023 kwamen verschillende eenheden ter plaatse op de [flat]
te Katwijk. Drie politiemedewerkers gingen naar de 12e etage van de flat. Op de 12e verdieping van de flat zagen zij aan het einde van de galerij een persoon op een
betonnen muurtje zitten. Deze man bleek later te zijn genaamd: [verdachte]
geboren [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats 1] .
Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen: “Ik heb een afscheidsbrief bij mij die ik wil
voorlezen. Ik zag dat [verdachte] een wit papier, formaat A4, uit zijn rugtas pakte.”
Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen: “Ik had de dolk niet mee moeten nemen. Ik heb die
dolk al weken bij mij.”
Vervolgens zag ik dat [verdachte] op de papier keek en vervolgens het papier begon te
versnipperen. Nadat hij het papier versnipperd had zag ik dat hij de snippers over de reling
van de flat gooide.
Ook hoorde ik [verdachte] zeggen: “De dolk waarmee ik gestoken heb zit in de rugtas.”
4. Het proces-verbaal van de hoofdinspecteur van politie, politieonderhandelaar, opgemaakt op 7 april 2023, voor zover inhoudende (p. 82-84):
Hij zei dat zij op haar buik op de bank was gaan liggen met haar hoofd op haar armen en dat hij haar daarna had gestoken met een dolk, die hij al een paar weken bij zich droeg in de zak van zijn broek. De dolk had hij nog steeds bij zich, maar deze zat nu in de rugtas.
Op het moment dat wij spraken over de moeilijke maanden die hij achter de rug had,
herhaalde hij op enig moment dat hij de dolk waarmee hij had gestoken al een paar weken
bij zich droeg. Op enig moment zei hij: “Ik wilde het eigenlijk toch wel, maar het heeft met
toch nog overvallen.”
5. Het deskundigenverslag, 'Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van
Overledene
Naam [naam slachtoffer]
Geboortedatum [geboortedatum 2] 1988
Geboorteplaats [geboorteplaats 2]
Interpretatie van Resultaten
Verspreid aan het lichaam waren 20 steekletsels en 12 snijletsels ontstaan door
krachtinwerking met één of meerdere scherprandige voorwerpen (zoals een mes).
Steek- en snijletsels
Bij het steekletsel aan de hals was er onder meer perforatie van de rechterhalsader, het
schildkraakbeen en de keelholte. Bij de steekletsels aan de buik en rug was er onder meer
perforatie van beide borstholten, beide longen, het hartzakje, het hart en de grote
lichaamsslagader. Dit heeft geleid tot ernstig bloedverlies en long-, ademhalings-, en
hartpompfunctiestoornissen op basis waarvan het overlijden volledig kan worden verklaard.
Bij de overige steek- en snijletsels aan het hoofd, gelaat, hals en linkerhand was er geen
beschadiging van belangrijke structuren. Deze letsels kunnen door middel van bloedverlies
aan (de snelheid van) het overlijden hebben bijgedragen.
De lengte van het grootste steekletsel (aan de huid) was circa 5,5 cm. De diepte van het
diepste (betrouwbaar te meten) steekkanaal was circa 8 cm aan de hals en ten minste 5,5 cm
aan de borst (tot aan het bereiken van de borstholte).
De snijletsels aan de linkerhand kunnen qua locatie passen bij afweerletsel.
De wisselende oriëntatie van de steekletsel en de snijletsels aan de hals zijn suggestief voor
een dynamische context op het moment van toebrenging. De gelijkaardige (verticale tot
schuine) oriëntatie en regelmatige spreiding (met min of meer V-vormig verloop) van de
steekletsels aan de borst zijn suggestief voor een weinig dynamische context op het moment
van toebrenging.
Conclusie
Bij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van jaar [slachtoffer] ,
35 jaar oud, wordt het overlijden verklaard door de gevolgen van 13 steekletsels aan de hals,
borst en rug. De overige zeven steekletsels en 12 snijletsels kunnen via bloedverlies hebben
bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden.
6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 22 april 2023, voor zover inhoudende (p. 341):
Ik weet dat [verdachte] dit in vertrouwen aan mij heeft verteld. Nadat de relatie was verbroken
is hij naar haar huis gegaan om een doos met kinky kleding op te halen. Dit was 3 tot 4
weken voor de fatale dag. Hij heeft altijd een mes op zak en hij vertelde toen aan mij dat hij
haar iets wilde aandoen en daarna zichzelf. Ik weet dat de gedachte er toen al was. Met een
mes die hij in zijn jaszak had zitten. In zijn hand in zijn jaszak zeg maar. Hij wilde haar wat
aandoen en daarna zichzelf. Dat hij heeft verteld.
7. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , opgemaakt op 11 april 2023, voor zover inhoudende (p. 168-171):
Toen had hij hele heftige dromen. Dit was op 21 maart 2023. Ik heb toen op 22 en 23 maart
2023 gebeld met de wijkagenten. [verdachte] vertelde dat hij droomde over dat hij haar wat aan
zou doen en zichzelf daarna wat aan zou doen.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 april 2023, voor zover inhoudende (p. 172-173, met bijlage, p. 174):
Op vrijdag 7 april 2023 ben ik, verbalisant, naar het adres [adres 3] te
Katwijk gegaan.
Ik, verbalisant, kwam daar tegelijk aan met de broer, [naam 5] , van [verdachte] en zijn
vader, [naam 6] . [naam 5] verklaarde ongevraagd dat hem ook gevraagd was om de harde
schijf te wissen, maar dat hij dit niet ging doen. [naam 5] heeft later een verklaring afgelegd op
het politiebureau. Hierin heeft hij het volgende verklaard:
“Hij zei aan de telefoon dat ik iets voor hem moest doen. Hij vertelde dat hij een mapje en
een pfd bestandje op zijn startscherm had staan. Hij zei tegen mij ik heb iets ergs gedaan en
dat moet je wissen. Het bestand zou heten ‘ [bestandsnaam] ’.”
De computer met harde schijf is tijdens de doorzoeking op de [adres 3] te Katwijk
veilig gesteld en ter beschikking gesteld om de inhoud te bekijken.
Ik zag dat op het bureaublad van user ' [gebruikersnaam] ' het bestand [bestandsnaam] stond.
Ik verbalisant heb het bestand [bestandsnaam] geopend en zag dat het een afscheidsbrief betrof.
Het document zelf is op 2 april 2023 te 23.00.26 uur aangemaakt. De laatste aanpassing is
geweest op 3 april 2023 te 17.09.42 uur. De laatste keer dat document is geopend was op 6
april 2023 om 14.11.01 uur.
De afscheidsbrief:
Maandag 3 april 2023
Na tijden van stress slapeloosheid en depressie schrijf ik deze afscheidsbrief aan jullie allen.
Om duidelijkheid te geven over mijn ultieme beslissing. Na alles te hebben geprobeerd om
door te gaan maar waarom het uiteindelijk niet is gelukt. Ik kreeg veel steun van mijn
vrienden familie en bekenden maar het was niet genoeg om de leegte te kunnen vullen in
mijn hart en ziel. Die letterlijk zijn gebroken door het verlies van het persoon waar ik het
meest van hield. Ik voel me zo enorm verlaten ... in de steek gelaten en aan de kant gezet
achteraf en kan hier niet langer mee leven. Ik heb alles gedaan voor haar. Altijd klaargestaan
voor haar en haar familie. En alles gegeven wat ik kon missen aan haar maar het was
blijkbaar niet genoeg. Ook vroeg ik haar toen ik uit de kast kwam of ze het zeker wist dat
we voor altijd samen zouden zijn en ze heeft daar ja op gezegd wat een leugen bleek te zijn
achteraf. Ook maakte ik nooit ruzie met haar of was er geen onenigheid tussen ons. Ze heeft
tjd nodig voor vriendschap (waar ik niet in geloof) en toont totaal geen interesse meer in mij
en mijn pijn wat me sloopt. Mijn alles (in de zin van geluk en vreugde) verliezen is de reden
dat ik niet meer door wil gaan met dit leven en ervoor kies om samen te zullen zijn in de
dood. Om alle momenten in lijden door te moeten brengen zonder haar is gewoon teveel en
ondragelijk voor me en daardoor neem ik dit besluit. Om dit besluit uit te voeren zal minder
moeilijk voor me zijn dan de dagen te moeten doorstaan zonder haar liefde en aanwezigheid
in leegte. Het gemis drijft me letterlijk tot mijn ondergang en deze staat van "welzijn". De
hulp vannuit de overheid is teleurstellend geweest en heeft niks geholpen wat spijtig is. Ten
laatste richt ik mij tot mijn en haar familie. Het spijt me echt enorm dat jullie ons moeten
missen en dat het zo moest aflopen. Maar ik zie echt geen andere uitweg meer. Ik hoop dat
jullie me kunnen vergeven en vergeten. Jullie hebben alles gedaan van beide kanten om te
helpen en ben ondanks alles trots op jullie.
Vaarwel. [verdachte] .
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 april 2023 (p. 525-526):
Op donderdag 13 april 2023 was ik, verbalisant, omstreeks 12.30 uur samen met een collega [verbalisant] op de [adres 3] te Katwijk. Op dit adres is woonachtig de oma van verdachte [verdachte] :
[naam 7] , geboren [geboortedatum 3] 1946 te [geboorteplaats 2]
Ik heb [naam 7] uitgelegd dat wij op zoek waren naar notitieblokken waarop [verdachte]
mogelijk iets had geschreven. [naam 7] haalde daarbij gelijk stapels notitieblokken
tevoorschijn.
De notitieblokken die [naam 7] tevoorschijn haalde hadden visuele overeenkomsten met
de verscheurde brief door [verdachte] .
10. Het deskundigenverslag, 'Een onderzoek naar doorgedrukt schrift aan een kladblok naar aanleiding van een dodelijk slachtoffer in Katwijk op 7 april 2023', van het NFI, op 7 september 2023 opgemaakt en ondertekend door K. Herlaar, deskundige op het gebied van kras- indruk en vormsporen (los document, p. 1-9):
Verkregen informatie
Bovenop het flatgebouw zou de verdachte een handgeschreven brief hebben voorgelezen.
Echter is de brief door de verdachte in stukken gescheurd en van het flatgebouw naar
beneden gegooid. Om te onderzoeken wat er in de brief gestaan heeft, is het van belang de
notitieblokken (die zijn aangetroffen in de woning waar de verdachte verbleef) te
onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van doordrukschrift. Daarbij is het van belang
dat er overeenkomsten zijn in het schrift op het notitieblok met de handgeschreven
tekst, die op de stukken papier zijn aangetroffen.
Resultaten
Op de eerste en laatste pagina van het notitieblok zijn doorgedrukte teksten zichtbaar
gemaakt. Op de laatste pagina van het notitieblok is een deel van de teksten goed leesbaar.
De resultaten van de vergelijking tussen de tekstfragmenten op de papiersnippers en het
zichtbaar gemaakte doordrukschrift is weergegeven in figuur 2. Hierin zijn acht
papiersnippers zichtbaar die geplaatst zijn over het doorgedrukte schrift. Hierbij overlappen
de tekstfragmenten op de snippers met de tekst van het doorgedrukte schrift, waarbij de
vormen van de letters overeenkomen.
Interpretatie van doorgedrukt schrift
Bovenstaande tekst is het resultaat van de interpretatie van het doorgedrukte schrift. De overeenkomsten in lettervormen tussen de tekstfragmenten op de snippers en het doorgedrukte schrift zijn een aanwijzing dat het zichtbaar gemaakte doorgedrukt schrift
afkomstig is van de oorspronkelijke brief die verscheurd is.
Conclusie
Er is doorgedrukt schrift zichtbaar gemaakt afkomstig van de achterzijde van notitieblok. De
overeenkomsten in lettervormen tussen de tekstfragmenten op de snippers en het
doorgedrukte schrift zijn een aanwijzing dat het zichtbaar gemaakte doorgedrukt schrift
afkomstig is van de oorspronkelijke brief die verscheurd is.
11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 mei 2023, voor zover inhoudende (p. 494-499):
Op 7 april 2023 heeft [verdachte] gevraagd om bepaalde gegevens van zijn computer te wissen,
waaronder een bestand dat ' [woord] ' zou heten. Ik heb vervolgens nader onderzoek gedaan naar de inhoud van de computer, welke in beslag is genomen op de [adres 3] , woning van [naam 7] , oma van [verdachte] . De computer stond in een ruimte welke gebruikt werd door [verdachte] .
Internetgebruik
Op 3 april 2203 om 12.18.18 uur en 12.20.58 uur is er gezocht op:
Zelfmoord katwijk
[flat] zelfmoord
5. april:
Op 5 april 2023 00.37.47 uur is er gezocht op 'halsslagader'.
Om 01.07.37 uur is er gezocht op 'athame' op de website [website] .
De beschrijving van Athame:
"Athame is wat sommige beoefenaars van rituele magie hun ceremonieel mes noemen. In
sommige tradities is de athame een mes met een dubbele snijkant en heeft het een kort
zwart handvat. Andere tradities willen dan dat het mes in vorm saai is, geweven of gedraaid
is of een variatie in de vorm van het lemmet."
Op de website trof ik zelf het mes aan. Dit mes heeft grote gelijkenissen met een mes dat is
aangetroffen bij [verdachte] . Vorm, heft en lederen opbergtas komen allemaal overeen met
het eerder afgebeelde mes.
6. april:
Om 11.49.01 uur is er gezocht op 'mes slijpen wetsteen'. Vervolgens is op YouTube de
video ' Mes slijpen een slijpsteen ' bekeken.
Op 5 april 2023 heeft [verdachte] een wetsteen gekocht bij de HUBO. Welke wordt gebruikt bij
het slijpen van messen.
Op 6 april 2023 om 19.05.18 uur is gezocht op halsslagader doorsnijden.
Vervolgens zoekt hij omstreeks 19.11 uur en 19.17 uur wederom op 'halsslagader
doorsnijden'.
12. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , opgemaakt op 5 mei 2023, voor zover inhoudende (p. 439-441):
V: Naar aanleiding van een transactie bij de HUBO te Katwijk is er contact met u opgenomen door rechercheur [naam 8] . U heeft uiteindelijk een terugbelverzoek gedaan naar aanleiding van een mediabericht waarin u de verdachte heeft gezien met een balk voor zijn ogen. Welke informatie kunt u met ons delen?
A: ik weet dat diegene een slijpsteen heeft gekocht om een mes te slijpen. Diegene heeft ook
gevraagd hoe zoiets in zijn werking ging.
V: Dat zou dan gaan om de datum 5 april.
A: Dat zou goed kunnen. Het komt overeen met de tijdslijn.
V: En waar had u de verdachte gezien?
A: In de media, het was een facebook bericht of een bericht in de krant, naar aanleiding van
dat.
V: Want waarvan was deze persoon verdachte, die u heeft gezien?
A: Van een moord in Katwijk.
V: En u herkende hem direct?
A: Ja, hij heeft een kenmerkend gezicht. Ook al zat er een balkje voor.
V: Was het iemand die vaker bij u in de winkel kwam?
A: Hij is weleens vaker geweest, vandaar ook de herkenning.
V: Heeft hij het specifiek over een mes gehad om te slijpen?
A: Ja
V: En wat heeft u hem precies uitgelegd?
A: Hoe een wetsteen werkt. Hetgeen ik verkoop. Er werd ook gevraagd naar een
apparaat, maar dat verkoop ik niet. Ik verkoop alleen een wetsteen en daar de uitleg bij
gegeven. Op basis daarvan heeft hij de wetsteen gekocht.
13. Het deskundigenverslag 'Vergelijkend onderzoek aan een mes en een slijpsteen en microanalyse van invasief trauma (MIT) aan botdelen n.a.v. een geweldsdelict in Katwijk op 7 april 2023, van het NFI, op 13 maart 2023 opgemaakt en ondertekend door K. Herlaar, deskundige op het gebied van kras-, indruk en vormsporen, en P.D. Zoon, deskundige op het gebied van microsporen en materialen (p. 1.347-1.368);
Resultaten Kras-, Indruk- en Vormsporenonderzoek
Interpretatie Kras-, Indruk- en Vormsporenonderzoek (deel A)
Op het mes [AAOU4795NL] zijn bewerkingssporen waargenomen die passen bij
nabewerking met bijvoorbeeld een slijpsteen. Op de slijpsteen zijn sporen waargenomen die
passen bij gebruik door hiermee een voorwerp te slijpen. De slijpsteen toont weinig sporen
van slijtage en zal vermoedelijk niet veelvuldig zijn gebruikt. De bewerkingssporen op het
mes en de gebruikssporen op de slijpsteen kunnen aan elkaar zijn gerelateerd. Met andere
woorden, op basis van de waargenomen kenmerken kan dit mes geslepen zijn met deze
slijpsteen.
Resultaten Microsporenonderzoek
Interpretatie Microsporenonderzoek (deel A)Er zijn op het mes en in het foedraal deeltjes aangetroffen die dezelfde elementsamenstelling hebben als de slijpsteen. In de slijpsteen zijn ook deeltjes aangetroffen die dezelfde elementsamenstelling hebben als het lemmet van het mes. De sporen in de slijpsteen duiden erop dat er een voorwerp van RVS mee is geslepen.
Interpretatie gecombineerde resultaten (deel A)De gecombineerde resultaten wijzen erop dat het mes bestaat uit RVS en is nabewerkt, vermoedelijk met een slijpsteen bestaande uit deeltjes met een elementsamenstelling van aluminium, silicium en zuurstof met wat natrium, magnesium en calcium. De onderzochte slijpsteen bestaat uit dergelijke deeltjes en is, niet-veelvuldig, gebruikt voor het slijpen van een RVS voorwerp. De onderzochte slijpsteen kan gebruikt zijn bij het nabewerken van het onderzochte mes.