RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/20637
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het verblijfsdocument heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een document waaruit het rechtmatig verblijf als familielid van een Unieburger blijkt. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 21 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld van zijn broer [naam 1] die tevens optrad als tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Eiser heeft bij brief van 3 augustus 2026 verzocht om heropening van het onderzoek. De rechtbank heeft bij brief van 5 augustus 2026 aan eiser bericht geen aanleiding te zien om het onderzoek te heropenen en meegedeeld dat zij die beslissing zal toelichten in de uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser
beoogt verblijf bij zijn (gestelde) broer, [naam 1], geboren op
[geboortedatum 2] (hierna: referent). Referent heeft de Spaanse nationaliteit en is dus burger van de Europese Unie. Hij volgt onderwijs in Nederland en heeft zijn hoofdverblijf vanuit Spanje naar Nederland verplaatst.
Het bestreden besluit
4. Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar het primaire besluit van 21 mei 2024 en stelt vast dat eiser in bezwaar geen nieuwe stukken heeft overgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de gestelde familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond. Eiser heeft (ook in bezwaar) geen enkel gelegaliseerd en leesbaar bewijsstuk overgelegd waaruit deze familierechtelijke relatie blijkt of uitgelegd waarom deze stukken niet kunnen worden overgelegd.
Daarnaast heeft verweerder getoetst aan artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en vastgesteld dat eiser geen familielid is in de zin van Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn). Ook als de familierechtelijke relatie wel met bewijsstukken zou zijn aangetoond, komt eiser daarom niet in aanmerking voor het gevraagde document. Eiser kan geen verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aangezien referent niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiser kan volgens verweerder ook geen rechten ontlenen aan artikel 21, eerste lid, van het VWEU omdat eiser in het land van herkomst niet ten laste is van referent of bij hem inwoont. Verweerder verwijst naar artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn waarop voormelde bepaling uit het Vb is gebaseerd. Eiser stelt niet dat hij ten laste van referent komt, maar dat referent ten laste van hem komt. Verder is uit de stukken die eiser heeft opgestuurd en uit de verklaringen niet gebleken dat er tussen eiser en referent sprake is van inwonen. Immers is niet gebleken van een relatie van afhankelijkheid die is gebaseerd op een nauwe, duurzame, persoonlijke band die is ontstaan in hetzelfde huishouden en in het kader van een gemeenschappelijk huiselijk leven, die verder gaat dan louter samenwonen om praktische redenen. Gelet op de inschrijving in Spanje en eisers verklaring hebben eiser en referent minstens drie jaar en zeven maanden (van 15 oktober 2018 tot 10 mei 2022) niet samengewoond. Verder heeft eiser de gestelde samenwoning van zeven maanden in Spanje (van 10 mei 2022 tot december 2022) en de gestelde samenwoning in Marokko (tot 15 oktober 2018) niet met objectief verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft eiser met objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij en referent in Nederland vanaf december 2022 met elkaar hebben samengewoond. Verder is gebleken dat eisers nicht, [naam 2], de voogdij over referent heeft en dat zij de zorg en verantwoordelijkheid over referent heeft. Het enkel voor een korte periode geregistreerd staan op hetzelfde adres (in Spanje), eisers verklaring dat er een emotionele band tussen hem en referent bestaat en de verklaring dat referent ten laste van eiser is, zijn onvoldoende om een band aan te nemen zoals bedoeld in het arrest SRS en AA.Evenmin is gebleken dat aan het middelenvereiste is voldaan. Verder is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Zhu en Chen van het Hof van Justitie van 19 oktober 2004, omdat eiser niet de verzorgende ouder dan wel primaire verzorger van referent is.
Ook als de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent wel zou zijn aangetoond, is er geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu niet is gebleken van hechte banden. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1189), hoefde geen belangenafweging te worden verricht in het kader van het familieleven. De belangenafweging in het kader van privéleven valt in het nadeel van eiser uit, onder meer omdat eiser een (tijdelijke) Spaanse verblijfsvergunning heeft en hij langer in Spanje heeft gewoond dan in Nederland.
Er is geen aanleiding wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en eisers aanvraag toch in te willigen op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en dergelijke omstandigheden zijn ook niet bekend.
Van het horen van eiser kon worden afgezien, gelet op de relevante omstandigheden in deze zaak.
Beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 20 en artikel 21 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM en artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest).
Er is sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent. Eiser heeft hier een eigen onderneming waarmee hij in zijn eigen onderhoud en het onderhoud van zijn minderjarige broer (de rechtbank begrijpt: referent) voorziet. Eiser heeft geen verblijfsrecht meer in Spanje, terwijl referent uitsluitend de Spaanse nationaliteit bezit. Een gedwongen terugkeer van eiser naar het land van herkomst zal de intellectuele en emotionele ontwikkeling van referent schaden. Uit het bestreden besluit is niet gebleken dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van referent. Het bestreden besluit staat daarom op gespannen voet met het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), in het bijzonder artikel 3. Er is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard. Eiser doet daarbij een beroep op schrijnendheid en op het gelijkheidsbeginsel waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ5171) waarin onder meer is geoordeeld dat verweerder inzicht dient te geven in de weging van de omstandigheden die geleid hebben tot afwijzing van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 3.4, derde lid, van het Vb. Volgens eiser is het besluit ook niet evenredig, als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, en hij voert aan dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling betrokken en heeft de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Verder is de hoorplicht geschonden, aldus eiser.
Overwegingen van de rechtbank
Familierechtelijke relatie
6. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder overweegt terecht dat eiser de gestelde familierechtelijke relatie moet onderbouwen en geen gelegaliseerd en leesbaar officieel bewijsstuk heeft overgelegd waaruit die familierechtelijke relatie blijkt. Dat verweerder hiermee een te harde eis stelt, zoals eiser op de zitting betoogt, volgt de rechtbank niet. Indien eiser verblijf als familielid wil bij referent, is het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen hen een basisvoorwaarde en moet die relatie aangetoond zijn. Verweerder stelt daarom terecht de eis dat buitenlandse documenten die worden overgelegd om de familierechtelijke relatie te onderbouwen gelegaliseerd zijn (naast dat zij vertaald en leesbaar zijn). Eiser heeft bij zijn aanvraag enkel niet leesbare en onvertaalde kopieën van (pagina’s uit) een niet gelegaliseerd familieboekje overgelegd. Bij brief van 3 april 2024 aan eiser heeft verweerder erop gewezen dat dit niet voldoende is en uitgelegd welke documenten en andere informatie eiser nog dient te verschaffen en aan welke eisen de documenten moeten voldoen. Eiser heeft vervolgens op 7 mei 2024 opnieuw niet leesbare en onvertaalde kopieën van een niet gelegaliseerd familieboekje overgelegd. In het besluit van 21 mei 2024 heeft verweerder overwogen dat, en toegelicht waarom, het overgelegde familieboekje niet aan de eisen voldoet en geconcludeerd dat op basis van het overgelegde familieboekje de familierelatie tussen eiser en referent niet kan worden vastgesteld. In bezwaar heeft eiser die conclusie bestreden, echter zonder nieuwe stukken over te leggen of aan te voeren dat het niet mogelijk is de vereiste bewijsstukken over te leggen. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit terecht zijn standpunt gehandhaafd en overwogen dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent nog steeds niet is aangetoond. De beroepsgronden slagen niet.6.1. Eiser heeft bij zijn verzoek om heropening van het onderzoek leesbare en gelegaliseerde kopieën van een familieboekje overgelegd. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, omdat zij het bestreden besluit moet beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (ex tunc). Bovendien heeft verweerder ook op andere (hierna besproken) gronden de aanvraag van eiser afgewezen. EU-recht
7. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn vaststelling dat eiser geen familielid van een Unieburger is in de zin van de Verblijfsrichtlijn en zijn standpunt inzake artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb. Zij licht dit oordeel hierna toe.7.1. Vooropgesteld wordt dat, zoals verweerder terecht overweegt, eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU omdat referent niet de Nederlandse nationaliteit heeft en van een zogenoemde Chavez-Vilchez-situatie geen sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.7.2. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 21 van het VWEU omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb, welke bepaling een implementatie is van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn. Op grond van die bepaling is vereist dat eiser in het land van herkomst ten laste was van of inwoonde bij referent. Niet in geschil is dat eiser niet ten laste van referent was in het land van herkomst. Eiser voert immers het tegendeel aan, namelijk dat referent ten laste van hem is. Verweerder heeft verder, onder verwijzing naar het arrest SRS en AA, deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat niet is gebleken dat sprake is van inwonen, in die zin dat tussen eiser en referent sprake is van een relatie van afhankelijkheid die gebaseerd is op een nauwe, duurzame persoonlijke band die is ontstaan in hetzelfde huishouden en in het kader van een gemeenschappelijk huiselijk leven. Eiser heeft de argumenten die verweerder in het bestreden besluit in dit kader naar voren heeft gebracht, niet inhoudelijk weersproken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.Artikel 8 van het EVRM
8. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op artikel 8 van het EVRM niet slaagt. Zij licht dat als volgt toe.8.1. Verweerder heeft terecht overwogen dat er tussen eiser en referent geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Immers is de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet aangetoond. Verwezen wordt naar wat hiervoor onder 6. is overwogen. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, indien de familierechtelijke relatie wel zou zijn aangetoond, geen sprake is van de vereiste hechte persoonlijke banden tussen eiser (die meerderjarig is) en referent (zijn gestelde broer, die minderjarig is). Verweerder heeft de door eiser in dit verband aangedragen feiten en omstandigheden betrokken in zijn beoordeling (zie pagina 6 van het primaire besluit) en op goede gronden overwogen dat hechte banden niet zijn aangetoond. De enkele stelling van eiser dat er wel sprake is van gezinsleven en dat eiser en referent in gezinsverband samenleven, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Voor wat betreft eisers beroep op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRMoverweegt de rechtbank dat verweerder op pagina 6 en 7 van het primaire besluit uitgebreid is ingegaan op eisers privéleven. Anders dan eiser ter zitting aanvoert, heeft verweerder aangenomen dat eiser in Nederland privéleven uitoefent als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De niet nader toegelichte stelling van eiser dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, is onvoldoende om aan de overwegingen van verweerder over eisers privéleven af te doen. Eiser heeft ook onvoldoende aangevoerd om tot het oordeel te komen dat de door verweerder gemaakte belangenafweging geen stand kan houden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij sinds december 2022 in Nederland woont. Dit blijkt niet uit de Basisregistratie personen. Dat hij sterke banden heeft met Nederland, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft weliswaar stukken overgelegd met betrekking tot een onderneming waarvan hij vennoot is, maar hij heeft niet aangetoond welke sociale contacten hij in Nederland heeft. Verder is eiser in [geboorteplaats] geboren en heeft hij daar gewoond, en heeft hij in Spanje gewoond en een Spaanse verblijfsvergunning gehad. Uit de stukken blijkt dat eiser langer in Spanje heeft gewoond dan in Nederland. Dat eiser in Nederland wenst te verblijven en hier zijn toekomst wil opbouwen, legt geen gewicht in de schaal. Het gaat om de feitelijke banden die eiser heeft met Nederland en het gewicht dat daaraan wordt toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.Belangen van het kind
9. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 3 van het IVRK overweegt de rechtbank dat zij verweerder volgt in zijn standpunt in het verweerschrift. Verweerder stelt terecht dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond en dat in het kader van artikel 8 van het EVRM geen beschermenswaardig gezinsleven is aangenomen. Eiser heeft niet aangetoond dat en wanneer hij met referent in Marokko, Spanje en Nederland samenwoonde. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hij op enig moment zorgtaken heeft verricht voor referent. Referent woont in Nederland samen met (onder meer) zijn gestelde voogd, [naam 2], die ook schriftelijk heeft verklaard de zorg en verantwoordelijkheid te dragen voor referent. Eisers voor het eerst op de zitting naar voren gebrachte stelling dat zijn vader hem de verantwoordelijkheid voor referent heeft gegeven, strookt niet met de door eiser overgelegde verklaring van [naam 2] en is op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft ook op geen enkele wijze onderbouwd welke rol hij speelt in het leven van referent, anders dan dat hij zijn broer zou zijn. Het besluit leidt er niet toe dat referent genoodzaakt wordt Nederland, dan wel de EU, te verlaten. De stelling dat eisers vertrek uit Nederland zal leiden tot schade in de intellectuele en emotionele ontwikkeling van referent, is niet toegelicht of onderbouwd. De enkele stelling dat eiser en referent een sterke emotionele band hebben, is onvoldoende om tot een ander oordeel hierover te leiden. De beroepsgrond slaagt niet.Evenredigheid/schrijnendheid/gelijkheidsbeginsel10. Ook eisers beroepsgronden over het evenredigheidsbeginsel, schrijnendheid en het gelijkheidsbeginsel slagen niet. Eiser heeft geen gevallen naar voren gebracht waarin sprake zou zijn van een vergelijkbare situatie, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen al om die reden faalt. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel en de gestelde schrijnendheid volgt de rechtbank verweerders gemotiveerde standpunt in het verweerschrift dat eiser niet heeft onderbouwd waarom het besluit onevenredig zou zijn of waarom er sprake is van een schrijnende situatie. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd om zijn standpunt te onderbouwen. Hoorplicht
11. Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken (ECLI:NL:RVS:2022:1918). Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen.11.1. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiser in bezwaar heeft kunnen afzien. Eiser heeft zijn stellingen en verklaringen op meerdere punten niet onderbouwd. Hij is door verweerder in de primaire fase (op 3 april 2024) in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag te onderbouwen en stukken over te leggen. Ook heeft verweerder in het primaire besluit uitgelegd welke informatie nog ontbreekt. Vervolgens is eiser in bezwaar opnieuw in de gelegenheid gestelde zijn aanvraag nader te onderbouwen (op 2 oktober 2024). Eiser heeft in de bezwaarfase geen nieuwe documenten overgelegd. Gelet hierop was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander standpunt kon leiden. De rechtbank overweegt hierbij nog dat zij eiser niet volgt in zijn standpunt dat verweerder niet had mogen vasthouden aan de eis van legalisatie, maar hem had moeten horen zodat hij de familierechtelijke relatie met referent nader kon toelichten. In de eerste plaats wordt verwezen naar wat hiervoor onder 6. is overwogen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat horen het legaliseren van documenten niet kan vervangen.
Eiser heeft in zijn verzoek om heropening van het onderzoek opnieuw een beroep gedaan op de hoorplicht en daarbij gewezen op het arrest Sagrario van het Hof van Justitie. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, omdat eiser in zijn beroepsgronden en ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt toe te lichten. Het arrest Sagrario dateert al van voor het beroep. De rechtbank gaat dus in deze uitspraak niet in op wat eiser over dit arrest en over de hoorplicht aanvoert in zijn verzoek om heropening.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder geen verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw aan eiser heeft hoeven afgeven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.