ECLI:NL:RBDHA:2026:25830

ECLI:NL:RBDHA:2026:25830

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.31092
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Dublin, verlengingsbesluit, beroep gegrond, ten onrechte aangemerkt als ‘onderduiken’, rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de minister de asielaanvraag in behandeling moet nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.31092

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),

en

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister bericht dat de termijn waarin eiseres door Nederland wordt overgedragen wordt verlengd tot 18 maanden.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M.N. Haidari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waarom is eiseres het niet eens met het bestreden besluit?
Het juridisch kader
Het oordeel van de rechtbank

Waarover gaat deze zaak?

1. Bij besluit van 29 mei 2026 heeft de minister de overdrachtstermijn tot achttien maanden, omdat eiseres is vertrokken zonder dat bekend is waarheen. Eiseres is het hier niet mee eens, omdat zij niet zou zijn ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Tegen dat verlengingsbesluit heeft eiseres rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Eiseres voert aan dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd. Eiseres was niet met onbekende bestemming vertrokken. Op 28 mei 2026 om 07:35 zou zij worden opgehaald van het opvangcentrum voor haar overdracht aan Zweden. Zij heeft vanwege een fietsongeluk de nacht van 27 op 28 mei 2026 op de huisartsenpost van het ziekenhuis doorgebracht. Het opvangcentrum is op 28 mei 2026 rond 04:00 ook gebeld dat zij in het ziekenhuis was. Vroeg in de ochtend was zij weer op het opvangcentrum en viel zij

vanwege de voorgeschreven morfinepil in een diepe slaap. Niemand is volgens haar aan haar deur geweest. Zij heeft zich op 28 mei 2026 gemeld in het kader van haar meldplicht, om 11:11 uur. De stelling van de minister dat ze met onbekende bestemming zou zijn vertrokken is daarom niet juist en de overdrachtstermijn is ten onrechte verlengd.

3. De minister stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de overdrachtstermijn rechtmatig verlengd is. Uit het ‘Standaardformulier Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten in de zin van de Dublinverordening ter verlenging van de Uiterste Overdrachtsdatum’ (TBBA-formulier) volgt dat is gebleken dat eiseres niet is verschenen op de afgesproken ophaaltijd, op het moment van de overdracht niet op haar kamer was, en ook niet redelijkerwijs direct waarneembaar door de autoriteiten elders op het opvangterrein. Uit (mail)contact met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is gebleken dat Dienst vervoer en ondersteuning (DV&O) om 05:05 uur ter plaatse is geweest. Eiseres is toen niet verschenen. Vervolgens heeft het COA rond 09:00 uur een kamercontrole uitgevoerd. Eiseres was niet aanwezig op haar kamer. Eiseres heeft het COA verder ook niet op de hoogte gesteld van haar afwezigheid.

4. Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, bepaalt dat, als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal achttien maanden indien de betrokkene onderduikt. In het arrest Jawo heeft het Hof onder meer geoordeeld over artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening: “dat een verzoeker „onderduikt” in de zin van die bepaling wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Aangenomen mag worden dat zulks het geval is wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. De betrokken verzoeker behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiseres de dag voor de overdracht in het ziekenhuis is geweest. Op 28 mei 2026 om 03:40 uur heeft ze een afschrift gekregen van het ziekenhuis, met daarin informatie over haar afspraak. DV&O heeft op

28 mei 2026 om 05:04 uur een mail heeft gestuurd dat de overdracht is geannuleerd, met als reden voor de annulering 'Niet bekend ophaallocatie'. Uit dit bericht blijkt niet dat eiseres niet aanwezig was en het is ook niet duidelijk of ze hebben gezocht naar eiseres. Er staat ook niet dat ze een kamercontrole hebben uitgevoerd. Het transport van eiseres naar de luchthaven was op 28 mei 2026 om 05:04 uur geannuleerd, terwijl eiseres zich pas om 07:35 uur hoefde te melden voor het geplande vervoer. De minister heeft desgevraagd niet kunnen uitleggen waarom het transport geannuleerd en wat 'Niet bekend ophaallocatie' betekent, aangezien ze wel op de juiste locatie aanwezig waren. Ook heeft de minister niet

kunnen uitleggen waarom DV&O al omstreeks 5 uur ter plaatse was, 2,5 uur voor de afgesproken ophaaltijd. Omdat het transport voor de overdracht 2,5 uur voor de afgesproken ophaaltijd al is geannuleerd, is het zeer de vraag of de overdracht om 07:35 uur nog had kunnen doorgaan als eiseres zich zou hebben gemeld op de afgesproken tijd. Het is goed mogelijk dat eiseres om 05:04 uur niet is verschenen, maar dat is niet de ophaaltijd en ook is hiermee niet duidelijk geworden dat eiseres doelbewust buiten bereik van autoriteiten is gebleven om de overdracht te frustreren.

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven om de overdracht te voorkomen. Eiseres heeft verklaard dat zij in de ochtend van 28 mei 2026 weer op het opvangcentrum was. Uit het stuk van het COA blijkt dat rond 09:00 uur een kamercontrole uitgevoerd, waaruit volgt dat eiseres niet aanwezig. Eiseres weerspreekt dit en stelt dat zij rond die tijd telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van het COA, waarbij zij een foto heeft gestuurd ter bevestiging van haar aanwezigheid op het opvangcentrum. Wat daar ook van zij, al zou zij rond dit tijdstip niet aanwezig zijn op het opvangcentrum, is dit ruim ná de afgesproken ophaaltijd. Op dit tijdstip had zij haar geplande vlucht hoogstwaarschijnlijk niet meer kunnen halen. Haar eventuele afwezigheid op dit tijdstip kon daarom niet (meer) tot doel hebben om de overdracht te voorkomen, ook omdat het transport al geannuleerd was.

7. Gelet op de stukken van DV&O en het COA, ziet de rechtbank niet dat de minister op of omstreeks de ophaaltijd van 07:35 uur een kamercontrole heeft uitgevoerd. Dit blijkt alleen uit het TBBA-formulier, een standaardformulier met het volgende (standaard) tekstblok:

De volgende omstandigheden zijn in ieder geval van toepassing waardoor de Dublinclaimant buiten bereik van de autoriteiten is teneinde de overdracht te voorkomen:

Uit de rest van het TBBA-formulier blijkt alleen dat om 09:10 uur door het COA is gemeld dat deze omstandigheden zich voordeden. Dit doet vermoeden dat dit ziet op de kamercontrole die rond 09:00 uur is uitgevoerd. Uit het dossier is namelijk niet gebleken dat er een ander controlemoment was dan dat van 09:00 uur. Verder valt op dat het TBBA-formulier geen dagtekening bevat en niet is ondertekend. Het is dus niet na te gaan wanneer en door wie dit formulier is opgemaakt.

8. Het standpunt van de minister dat eiseres het COA niet op de hoogte heeft gesteld van haar afwezigheid, kan de rechtbank niet volgen. Eiseres heeft verklaard dat ze haar afwezigheid heeft laten doorgeven aan het COA. Dit blijkt ook uit het stuk van het COA: “In de dagrapportage is er naar de beveiliging gebeld over dat mevrouw in het ziekenhuis was om 04:00”. Het standpunt van de minister ter zitting dat hieruit niet blijkt dat zij ook om 04:00 uur heeft gebeld omdat er niet staat hoe laat eiseres zou hebben gebeld, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit voldoende uit het stuk van het COA en het komt ook overeen met de verklaring van eiseres. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiseres pas later naar het COA zou hebben gebeld dat zij om 04:00 uur in het ziekenhuis is geweest.

Tussenconclusie

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat is voldaan aan ‘onderduiken’ in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Niet is gebleken dat eiseres doelbewust ervoor heeft gezorgd dat zij buiten het bereik van de nationale autoriteiten is gebleven om haar overdracht te voorkomen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt daarnaast dat de minister de asielaanvraag van eiseres in behandeling moet nemen, omdat de overdrachtstermijn inmiddels is verstreken.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

14 juli 2026

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Helmich

Griffier

  • mr. M.A.W.M. Engels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand