ECLI:NL:RBDHA:2026:25841

ECLI:NL:RBDHA:2026:25841

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.48211
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, grondslag van de maatregel, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48211

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

Procesverloop

Met het besluit van 22 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft op 21 augustus 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 25 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser een nieuwe maatregel op een andere grondslag opgelegd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 25 augustus 2026 gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 25 augustus 2026 onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. De rechtbank stelt verder voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 (in de zaak NL26.34765) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 2 juli 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 juli 2026.

3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 2 juli 2026 tot 25 augustus 2026.

Grondslag van de maatregel

4. Eiser voert aan dat de reden voor de maatregel, namelijk dat bewaring noodzakelijk was voor de verdere beoordeling van het asielberoep, niet langer aanwezig is. De rechtbank heeft namelijk op 24 augustus 2026 uitspraak gedaan op het asielberoep. Gelet hierop is niet duidelijk welk doel thans nog met de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw wordt gediend, aldus eiser.

Eiser heeft gelijk dat nu de rechtbank op 24 augustus 2026 uitspraak heeft gedaan op het asielberoep, de bewaring niet meer op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kon voortduren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082, en 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504, volgt dat verweerder in een dergelijke situatie twee dagen de tijd heeft om de grondslag van de maatregel te wijzigen. Dit heeft verweerder binnen die termijn ook gedaan. Verweerder heeft immers de onderhavige maatregel op 25 augustus 2026 opgeheven onder gelijktijdige oplegging van een nieuwe maatregel op een andere grondslag. Verweerder heeft de maatregel dus tijdig omgezet, zodat de maatregel van bewaring niet te lang op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw heeft voortgeduurd. Van een onrechtmatigheid op dit punt is dan ook geen sprake.

De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt gezien het voorgaande niet.

Lichter middel

5. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, gelet op de duur van de bewaring en op de omstandigheid dat uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser op de lijst van Bijzondere Medische Dossiers staat vanwege een mogelijk suïciderisico bij uitzetting.

In de uitspraak van 6 juli 2026 (in de zaak NL26.34765) heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het onderduikrisico aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn psychische toestand of gezondheidssituatie in de te toetsen periode is verslechterd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum aanwezige zorg voor eiser ontoereikend is geworden.

De beroepsgrond dat in de te toetsen periode alsnog een lichter middel moest worden toegepast ,slaagt gezien het voorgaande niet.

Slotsom beroepsgronden

6. Uit het voorgaande volgt dat eisers beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand